Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 14/3222/GA, 16 maart 2015, beroep
Uitspraakdatum:16-03-2015

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 14/3222/GA

betreft: [klager] datum: 16 maart 2015

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. O.J. Much, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 4 september 2014 van de beklagcommissie bij de penitentiaire inrichtingen (p.i.) Lelystad

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 8 december 2014, gehouden in de p.i. Amsterdam Over-Amstel, zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsman mr. O.J. Much,
[...], plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de p.i. Lelystad en
[...], juridisch medewerker bij de p.i. Lelystad.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft de beslissing van 24 juni 2014 tot terugplaatsing van klager naar het basisprogramma.

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Door en namens klager is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Er is sprake van een dubbele bestraffing; klager is gedegradeerd naar het basisprogramma vanwege positieve scores bij urinecontroles, terwijl
hij tevens voor alle positieve urinecontroles disciplinair is gestraft. Gedetineerden in een basisprogramma worden vaak ingesloten op cel. Het verblijf in het basisprogramma vertoont daarmee gelijkenissen met een disciplinaire straf van opsluiting in
eigen cel. In de nota van toelichting op de wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden staat: “Met dit advies gaat de Raad voorbij aan de opvatting dat belonen beter werkt dan straffen”. Uit deze opmerking volgt
dat
de Staatssecretaris degradatie naar het basisprogramma ziet als een straf. Dubbele bestraffing mag niet; bij overtreding van de regels moet een keuze worden gemaakt: of een disciplinaire straf of degradatie. Niets afdoende aan het vorenstaande, dient
de
beslissing tot degradatie van klager als disproportioneel te worden aangemerkt. Na de invoering van het DBT (‘Dagprogramma, beveiliging en toezicht op maat’) heeft klager twee keer (op 22 april en 18 juni 2014) positief gescoord bij een urinecontrole.
Echter, deze ‘keten’ is doorbroken door een negatieve urinecontrole op 23 mei 2014. Er is dus geen sprake van structureel gebruik, maar van een incidentele terugval. Dit is geen reden voor degradatie, te meer niet nu klagers gedrag goed en positief
was,
zoals blijkt uit zijn penitentiair dossier. Voorafgaande aan de degradatie werkte klager hele dagen op de arbeid. Hele dagen werken mag alleen bij goed gedrag. Het goede gedrag van klager heeft de directeur onvoldoende meegewogen bij de bestreden
beslissing.

De directeur heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Van een dubbele bestraffing is geen sprake. Degradatie is geen disciplinaire straf. In het basisprogramma behoudt de gedetineerde zijn rechten die
hem op grond van de Pbw toekomen. In het MDO (multidisciplinair overleg), waarbij alle disciplines aanwezig zijn, worden alle gedetineerden besproken. Het MDO weegt alle positieve en negatieve gedragingen van een gedetineerde tegen elkaar af en komt
daarna met een voorstel tot degradatie of promotie. Ook in klagers geval heeft een dergelijke belangenafweging plaatsgevonden. Klager heeft na de invoering van het DBT twee keer positief gescoord bij een urinecontrole. Kort voor de invoering van het
DBT
had klager ook al positief gescoord bij een urinecontrole. Er is dus sprake van herhaald drugsgebruik. Dit is de reden geweest om klager terug te plaatsen naar het basisprogramma, ondanks dat klagers overige gedrag goed was.

3. De beoordeling
De beroepscommissie stelt voorop dat de degradatie van klager naar het basisprogramma geen disciplinaire straf is. Immers, de grondslag voor degradatie vormt niet de verstoring van de orde en veiligheid in de inrichting dan wel de ongestoorde
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming zonder meer, zoals dat wel het geval is bij een disciplinaire straf, maar de (mate van) verantwoordelijkheid die een gedetineerde neemt voor zijn eigen re-integratie. Hierbij komt nog dat degradatie in artikel
51, eerste lid, van de Pbw, waarin de disciplinaire straffen limitatief zijn opgesomd, niet is vermeld. Het verweer van de raadsman dat erop neerkomt dat sprake is van een dubbele bestraffing dient dus te falen.

Uit de nota van toelichting (hierna: de nota) bij de wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) in verband met de invoering van promoveren en degraderen van gedetineerden (Stcrt. 20 februari
2014, nr. 4617) komt naar voren dat uitgangspunt van het DBT is dat gedetineerden zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun detentie en re-integratie. Om te kunnen promoveren naar en te kunnen verblijven in het plusprogramma dient een gedetineerde, zo
blijkt uit de nota, aan te tonen dat zijn motivatie en inzet om zijn re-integratiedoelen te verwezenlijken, bestendig zijn. Promoveren dan wel degraderen is dus afhankelijk van de (mate van) verantwoordelijkheid die de gedetineerde toont voor zijn
eigen
re-integratie, hetgeen onder meer uit zijn gedrag zal blijken. Als hulpmiddel bij die beoordeling zijn in de bijlagen bij de Regeling voorbeelden gegeven van gedrag dat als ‘goed gedrag’ (groen gedrag), ‘dit kan beter-gedrag’ (oranje gedrag) of
‘ongewenst gedrag’ (rood gedrag) wordt aangemerkt.

Artikel 1d, derde lid, van de Regeling luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Indien de gedetineerde die is gepromoveerd op een van de onderdelen van goed gedrag verzaakt, kan de directeur besluiten tot degradatie.” Niet elk ‘oranje-gedrag’
dan wel ‘rood-gedrag’ leidt dus per definitie tot degradatie, aangezien niet elk ‘oranje gedrag’ of ‘rood gedrag’ tevens hoeft in te houden dat een gedetineerde onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor zijn re-integratie. Daarnaast dient voorkomen
te
worden dat een gedetineerde op een incidentele gedraging wordt beoordeeld.
Gezien het vorenstaande is de beroepscommissie van oordeel – zo oordeelde zij reeds in haar uitspraak van 10 november 2014 (14/1918/GA) – dat de directeur voorafgaande aan een beslissing over degradatie een belangenafweging dient te maken. Bij die
belangenafweging dient de directeur het ‘oranje-gedrag’ dan wel het ‘rode gedrag’ van de gedetineerde af te zetten tegen het structurele gedrag, waaronder al het ‘groene gedrag’, van de gedetineerde en uit die belangenafweging dient duidelijk te
blijken
waarom het ‘oranje gedrag’ dan wel ‘rode gedrag’ van de gedetineerde, bezien in het licht van het uitgangspunt van het DBT dat gedetineerden zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun re-integratie, dient te leiden tot degradatie.
Die belangenafweging dient, vanwege de ingrijpende gevolgen van die beslissing voor de gedetineerde, maar ook vanwege de toetsbaarheid van die beslissing achteraf door de beklag- en beroepscommissie, inzichtelijk te zijn en schriftelijk te worden
vastgelegd.

Uit het voorliggende degradatiebesluit blijkt dat de directeur heeft besloten tot degradatie van klager, omdat klager na een positieve uitslag op het gebruik van softdrugs bij een urinecontrole in april 2014 en nadat hij in april 2014 door zijn mentor
was gewaarschuwd voor de gevolgen van structureel gebruik van softdrugs, in juni 2014 wederom bij een urinecontrole positief heeft gescoord op het gebruik van softdrugs.
Niet is gebleken dat de directeur hier een belangenafweging heeft gemaakt tussen het negatieve gedrag van klager en diens structurele gedrag, waaronder ook zijn positieve gedrag, waarvan blijkens zijn detentie- en re-integratieplan zeker sprake was. In
het degradatiebesluit wordt enkel het negatieve gedrag van klager beschreven, terwijl het structurele, positieve gedrag van klager in het geheel niet wordt vermeld.
Daarnaast heeft de directeur geen rapportage van het besluitvormingsproces (bijvoorbeeld een verslag van het MDO) overgelegd. Bij gebreke van een inzichtelijke belangenafweging als voornoemd is het de beroepscommissie onvoldoende duidelijk geworden
waarom de directeur heeft geconcludeerd dat klager niet genoeg verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn re-integratie. De beroepscommissie acht de degradatiebeslissing dan ook onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen.
Hierbij komt nog dat uit het degradatiebesluit niet duidelijk wordt of de directeur de door klager begane gedraging(en) heeft aangemerkt als ‘oranje gedrag’ dan wel als ‘rood gedrag’. De beroepscommissie is van oordeel dat in een degradatiebesluit
duidelijk moet worden weergegeven op grond van welke gedragskleur een gedetineerde wordt gedegradeerd. Zij gaat er dan ook vanuit dat de directeur in volgende degradatiebeslissingen duidelijk aangeeft of de degradatie het gevolg is van ‘oranje gedrag’
dan wel van ‘rood gedrag’.

Gelet op het vorenstaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen
worden, acht de beroepscommissie termen aanwezig voor het toekennen van een tegemoetkoming. Nu uiterlijk zes weken na degradatie wordt bezien of een gedetineerde weer kan promoveren en nu tegen het niet promoveren na zes weken beklag kan worden
ingesteld, zal de beroepscommissie aan klager een tegemoetkoming toekennen van € 30,= (zes weken x € 5,=).

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond. Zij bepaalt dat aan klager een tegemoetkoming toekomt van € 30,=.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.A.M. de Wit, voorzitter, drs. R.K. Boelens en J. Schagen MA, leden, in tegenwoordigheid van
mr. F.A. Groeneveld, secretaris, op 16 maart 2015

secretaris voorzitter

Naar boven