Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 14/1296/GA, 21 augustus 2014, beroep
Uitspraakdatum:21-08-2014

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 14/1296/GA

betreft: [klager] datum: 21 augustus 2014

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. D.M. Penn, namens

[klager], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 7 april 2014 van de beklagcommissie bij de penitentiaire inrichting (p.i.) Krimpen aan den IJssel

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 30 juni 2014, gehouden in de p.i. De Schie, is klagers raadsman, mr. D.M. Penn, gehoord. Klager kon in verband met vervoersproblemen (bot-vervoer) niet naar de zitting worden vervoerd. De directeur van de p.i.
Krimpen aan den IJssel heeft schriftelijk laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft:
a. de beslissing van 10 oktober 2013 tot oplegging van een disciplinaire straf van drie dagen opsluiting op eigen cel zonder televisie wegens werkweigering;
b. de beslissing van 17 oktober 2013 tot oplegging van een disciplinaire straf van drie dagen opsluiting op eigen cel zonder televisie wegens werkweigering;
c. de beslissing van 21 oktober 2013 tot oplegging van een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting op eigen cel zonder televisie wegens werkweigering.

De beklagcommissie heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag voor zover tweemaal over dezelfde beslissing is geklaagd en het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Namens klager is – zakelijk weergegeven – in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Het voornaamste doel van arbeid is blijkens de wetsgeschiedenis de voorbereiding van gedetineerden op de terugkeer in de
maatschappij. Klager is levenslang gestraft. Voor hem is resocialisatie niet aan de orde. De verplichting om klager te laten deelnemen aan de arbeid is te beschouwen als een niet noodzakelijke beperking van zijn vrijheid. Een zinvolle dagbesteding
heeft
niet te gelden als een redelijk doel om de vrijheden van klager verder te beperken. Een zinvolle dagbesteding kan immers ook op een andere wijze worden ingevuld. Klager verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen naar artikel 26.1 en 26.3 van de
European Prison Rules. Klager kan de arbeid niet beschouwen als een positief element van het gevangenisregime, omdat hij op de werkzaal wordt geconfronteerd met verhalen van gedetineerden die wel in vrijheid zullen worden gesteld. Ook zijn op de
werkzaal geruchten ontstaan over voorbereidingen die klager zou treffen voor een ontsnappingspoging. Overigens kon klager in de p.i. Leeuwarden en thans in de p.i. Nieuwegein gewoon aftekenen voor de arbeid.
Klager meent dat gelet op de memorie van toelichting bij de Pbw het verplicht stellen van arbeid aan een levenslanggestrafte moet worden aangemerkt als een ongeoorloofde verdere inperking van het recht op vrijheid als bedoeld in artikel 5 EVRM.

De directeur heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt toegelicht door te verwijzen naar zijn voor de beklagcommissie gevoerde verweer. Dit komt er in de kern op neer dat alle gedetineerden verplicht zijn aan arbeid deel te
nemen. De wet maakt hierbij geen uitzondering voor levenslanggestraften. Het verrichten van arbeid heeft namelijk niet alleen de terugkeer naar de maatschappij als doel, maar ook het hebben van een zinvolle dagbesteding binnen de inrichting. De sleur
en
eentonigheid van het verblijf op de woonafdeling worden door de deelname aan de arbeid doorbroken.

3. De beoordeling
Het beklag betreft de aan klager opgelegde disciplinaire straffen wegens zijn weigering deel te nemen aan de arbeid.
Op grond van artikel 47, derde lid, van de Pbw zijn gedetineerden die, al dan niet onherroepelijk, tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld verplicht de aan hen door de directeur opgedragen arbeid, zowel binnen als buiten de inrichting of afdeling, te
verrichten. Het opleggen van een dergelijke verplichting wordt blijkens de memorie van toelichting bij de Pbw (Tweede Kamer 1994-1995, 24263, nr 3, p. 64) als volgt gerechtvaardigd. “De verplichting van gedetineerden die onherroepelijk zijn veroordeeld
tot een vrijheidsstraf, de hun opgedragen arbeid te verrichten is in overeenstemming met het gestelde in artikel 4, vierde lid, sub a, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor het
verdrag is het niet van belang of het gaat om gedetineerden in een huis van bewaring of in een gevangenis. Voor beide groepen geldt ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Grondwet en artikel 2, derde lid, van het wetsvoorstel het uitgangspunt van
minimale beperkingen. De verplichting tot het verrichten van arbeid kan als een beperking op de beschikkings- en handelingsvrijheid van gedetineerden worden gezien die niet volstrekt noodzakelijk is in het belang van de orde en veiligheid in de
inrichting. Een dergelijke beperking is evenwel geoorloofd voor zover zij wezenlijk wordt geacht voor het doel van de vrijheidsbeneming. Voor zowel veroordeelde gedetineerden in huizen van bewaring als voor gedetineerden in gevangenissen geldt dat
hieronder mede wordt begrepen de voorbereiding van de terugkeer in de vrije maatschappij”.
De beroepscommissie constateert dat de penitentiaire arbeid daarmee wordt aangemerkt als een invulling van de opdracht aan de overheid van artikel 2, tweede lid, van de Pbw, namelijk de vrijheidsbeneming zoveel mogelijk dienstbaar te maken aan de
voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in de maatschappij. Hiermee kan deze verplichting ook de toets aan artikel 2, vierde lid, van de Pbw doorstaan: Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging plaatsvindt van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van de vrijheidsbeneming of in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting noodzakelijk zijn. De beroepscommissie
merkt op dat het bij deze toets met name gaat om het doel van de vrijheidsbeneming, nu de wetgever zelf constateert dat de arbeidsverplichting voor de orde en veiligheid in de inrichting niet volstrekt noodzakelijk is.
In dit verband is de praktijk van tenuitvoerlegging van levenslange vrijheidsstraf van belang. Onder meer in de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie [...] van 16 april 2012 aan de Tweede Kamer is het volgende te lezen: “Levenslang
is levenslang. Van terugkeer in de samenleving is geen sprake, tenzij in een uitzonderlijk geval aan een levenslanggestrafte gratie wordt verleend. Derhalve komen levenslanggestraften niet in aanmerking voor activiteiten die gericht zijn op
re-integratie in de maatschappij. (...)”.
Vergelijkbaar hiermee is de uitsluiting van arbeid van vreemdelingen door de toenmalige Minister van Justitie [...]. Aan hen hoefde gedurende de vreemdelingenbewaring geen arbeid te worden aangeboden nu deze maatregel gericht is op het realiseren van
hun uitzetting uit Nederland. Zij worden niet geacht in de Nederlandse samenleving terug te keren.
Anders dan deze bewindslieden is de beroepscommissie van oordeel dat voorbereiding op de terugkeer in de maatschappij als uitgangspunt dient te blijven gelden voor alle gedetineerden. Zij neemt in deze zaak uitdrukkelijk afstand van het standpunt van
de
Staatssecretaris ten aanzien van de levenslanggestraften. Dit gaat voorbij aan het ook in de Europese rechtspraak benadrukte belang dat een gedetineerde altijd perspectief dient te worden geboden op in vrijheidstelling. Zie in dit verband de uitspraak
van het EHRM van 9 juli 2013 in de zaak Vinter e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk , waarbij het hof het (ontbreken van een) perspectief toetst aan artikel 3 EVRM.
De beroepscommissie merkt hierbij op dat arbeid in de penitentiaire inrichting niet uitsluitend de voorbereiding op de terugkeer in de maatschappij dient. Weliswaar is de verplichting om daaraan deel te nemen hierop gebaseerd, maar arbeid heeft ook in
de penitentiaire inrichting een belangrijk structurerende functie voor het dagelijks leven en kan, afhankelijk van het soort arbeid en het niveau daarvan, ook bijdragen aan de vorming en ontwikkeling van een gedetineerde.
Ook al dient arbeid verscheidene functies, de verplichting om hieraan deel te nemen is gebaseerd op de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in de maatschappij. Gegeven de duur van de levenslange straf en de hiervoor geschetste
beperkte(re)
perspectieven op in vrijheidstelling past het niet onverkort vast te houden aan deze verplichting. De directeur die geconfronteerd wordt met een levenslang gestrafte die weigert vanwege het ontbreken van perspectief op terugkeer aan de arbeid deel te
nemen, dient zijn detentieomstandigheden uitdrukkelijk te betrekken in zijn beslissing om hiertegen sanctionerend op te treden. De praktijk blijkt in dit opzicht ook wisselend, getuige de mededeling van klager dat hij in andere inrichtingen kan
"aftekenen" voor arbeid. Onder deze omstandigheden is de beslissing van de directeur om wegens werkweigering klager telkens disciplinair te straffen niet redelijk en billijk. Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard. De uitspraak van de
beklagcommissie zal worden vernietigd en het beklag zal alsnog gegrond worden verklaard. De beroepscommissie acht een tegemoetkoming aangewezen en stelt deze vast op € 82,50.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond.
Zij bepaalt dat aan klager een tegemoetkoming toekomt van € 82,50.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. U. van de Pol, voorzitter, U.P. Burke en prof. Dr. A.M. van Kalmthout, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kokee, secretaris, op 21 augustus 2014.

secretaris voorzitter

Naar boven