Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 13/2711/GA, 22 november 2013, beroep
Uitspraakdatum:22-11-2013

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Bezoek  v

Uitspraak

nummer: 13/2711/GA

betreft: [klager] datum: 22 november 2013

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. M.E. Pennings, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 12 augustus 2013 van de alleensprekende beklagrechter bij de penitentiaire inrichting (p.i.) Krimpen aan den IJssel,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 6 november 2013, gehouden in de locatie Hoogvliet, zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. de Reus, en namens de directeur van voormelde p.i. [...], juridisch medewerker bij die p.i.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagrechter
Het beklag betreft – voor zover in beroep aan de orde –:
a. de beschadiging van een paar nieuwe schoenen die speciaal voor klagers bruiloft in de inrichting waren ingevoerd;
b. de weigering van de toegang tot de inrichting van een met name genoemde bezoekster op 12 december 2012, omdat bij binnenkomst van de bezoekster in de inrichting de drugshond aansloeg op de aanwezigheid van (soft)drugs.

De beklagrechter heeft het beklag in zoverre ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Door en namens klager is in beroep het tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Ten aanzien van onderdeel a van het beklag:
Klagers vriendin had een paar nieuwe lichtbruine leren schoenen ingevoerd voor hun (voorgenomen) huwelijk. Nadat hem de schoenen waren uitgereikt, bemerkte klager dat op een van de schoenen met een pen op de neus een streep (van ongeveer 5 cm) stond.
Die streep was afkomstig van een blauwe pen. Klager gaat zijn eigen schoenen, die € 350,= kostten, niet zelf beschadigen. Toen de schoenen ter invoer werden aangeboden, zaten zij in een schoenendoos in een beschermingszak. Ook klagers kostuum was in
een
beschermingshoes verpakt. De schoenen mochten niet in de doos en in de beschermingszak blijven. Nadat hem de schoenen waren uitgereikt is klager niet naar zijn cel gegaan. Hij heeft de beschadiging direct geconstateerd en gemeld aan een personeelslid.
Volgens dat personeelslid moest dat bij de badafdeling zijn gebeurd. De medewerkers van de badafdeling ontkenden dat echter. Het afdelingshoofd heeft vervolgens geregeld dat de schoenen teruggingen naar de leverancier om te kijken of ze hersteld konden
worden op kosten van de inrichting. De beschadiging was vervolgens minder maar nog steeds zichtbaar. Uiteindelijk heeft de directeur gemeld dat de inrichting alleen de kosten van reparatie wilde betalen. Klager wil echter - nu zijn bruiloft door
toedoen
van de inrichting is verpest - nieuwe schoenen van de inrichting.
Ten aanzien van onderdeel b van het beklag:
Klager is niet alsnog getrouwd. Door deze beslissing van de directeur is klagers trouwdag verpest en heeft hij nog steeds problemen met zijn schoonfamilie. Die denken dat klager toen drugs heeft willen invoeren. De directeur heeft tegenover klager
verteld dat er sprake was van landelijk beleid in gevallen als het onderhavige. Dat is niet waar. De broer van klager heeft tegenover het personeel van de p.i. Krimpen aan den IJssel verklaard dat hij drugs gebruikt had tijdens de reis naar de
inrichting. Klager is van mening dat de huisregels van de inrichting op dit punt in strijd zijn met de wet. Hem is toen niet gezegd dat er controle met een drugshond plaats zou kunnen vinden. Klager wist wel dat er soms drugshonden werden ingezet bij
het bezoek. Klager merkt nog op dat op een later moment de familie van een andere gedetineerde wel werd toegelaten nadat de drugshond was aangeslagen. Het aanslaan van de drugshond levert slechts een aanwijzing op dat er sprake kan zijn van
contrabande.
De directeur had meer onderzoek moeten doen alvorens klagers toekomstige partner de toegang te weigeren. Dat had temeer voor de hand gelegen in dit specifieke geval,waarin de partner bij de inrichting kwam om – met toestemming van de directeur – met
klager in het huwelijk te treden. Namens klager wordt nog opgemerkt dat aan klager geen schriftelijke mededeling is gegeven van de weigering om zijn partner toe te laten, terwijl dit volgens artikel 58 van de Pbw wel is voorgeschreven.

Namens de directeur is in beroep het tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Ten aanzien van onderdeel a van het beklag
Het tegenover de beklagcommissie gevoerde verweer wordt gehandhaafd. De juridisch medewerker heeft met de medewerker van de Badafdeling en de medewerker van klagers afdeling gesproken. Hun verklaringen geven geen aanleiding voor een ander standpunt.
Bij
de invoer van goederen voor gedetineerde wordt alles uit de dozen gehaald en vervolgens in een zak gedaan omdat de dozen niet naar de afdeling mogen. Onbekend is waarom het kostuum wel in de beschermhoes mocht blijven en de schoenen niet. Volgens het
afdelingshoofd is indertijd geconstateerd dat er streep op een van de schoenen zat. Vervolgens is geprobeerd om dit voor klager alsnog op te lossen, zonder daarbij de schuld van de beschadiging op zich te nemen.
Ten aanzien van onderdeel b van het beklag:
In beginsel was er voor klagers partner al een uitzondering gemaakt, zij had op dat moment immers al een langer durende bezoekontzegging. In september 2012 is het in de inrichting geldende beleid op dit punt gewijzigd. In de huisregels van de
inrichting
is opgenomen dat, als de bij de ingang aanwezig drugshond aanslaat, eenmalig het bezoek wordt ontzegd. Dit is ook aan de gedetineerden bekend gemaakt terwijl aan klager nog voorafgaand aan het betreffende bezoekmoment is medegedeeld dat er een
drugshond
zou worden ingezet. Van een eenmalige weigering behoeft geen schriftelijke mededeling te worden gedaan aan de gedetineerde. Op zich was het toen mogelijk geweest klagers toekomstige partner te fouilleren. De ervaring is evenwel dat bij dergelijke
fouilleringen niet alle contrabande wordt gevonden. Onbekend is waarom het personeel er niet voor heeft gekozen om de bezoekster te fouilleren. De inzet van drugshonden bij de toegangscontrole is landelijk beleid. Als de drugshond aanslaat, is die
persoon in aanraking geweest met drugs. Daaruit ontstaat de verdenking van mogelijke invoer, hetgeen de orde en veiligheid in de inrichting raakt.

3. De beoordeling
Hetgeen in beroep ten aanzien van onderdeel a van het beklag naar voren is gebracht
kan – voor zover een en ander is komen vast te staan – niet leiden tot een andere uitspraak dan die van de beklagrechter. Het beroep van klager zal in zoverre ongegrond worden verklaard met bevestiging van de uitspraak van de beklagrechter ten aanzien
van dit onderdeel.

De beroepscommissie stelt allereerst vast dat ten aanzien van klagers bezoekster, die al eerder een bezoekontzegging opgelegd had gekregen, in dit geval kon worden volstaan met het bij de poort feitelijk tegenhouden van die bezoekster. In een geval als
het onderhavige is het verstrekken van een schriftelijke mededeling aan klager daarom niet vereist.
De ontzegging van de toegang tot de inrichting is mogelijk in het belang van de orde en veiligheid in de inrichting. De verdenking van invoer van contrabande raakt de orde en veiligheid in de inrichting, zodat er op zich een wettelijke grondslag is
voor
de weigering van de directeur.
In het onderhavige geval, waarin het bezoek een huwelijkssluiting ten doel had, had het evenwel voor de hand gelegen om, nadat de drugshond had aangeslagen, verder onderzoek te verrichten naar de eventuele aanwezigheid van contrabande bij die
bezoekster. Dat onderzoek had – bijvoorbeeld – kunnen bestaan uit het horen van die bezoekster en een onderzoek aan de kleding. Ook had de verklaring van de zwager van klager kunnen worden meegewogen. Nu dit is nagelaten heeft de directeur bij zijn
beslissing onvoldoende klagers belang bij dat bezoek – het sluiten van het huwelijk – afgewogen tegen het algemene belang van de orde en veiligheid in de inrichting. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat de bestreden beslissing van de directeur – in
dit speciale geval – als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt. De uitspraak van de beklagrechter kan daarom in zoverre niet in stand blijven en dit onderdeel van het beklag dient alsnog gegrond te worden verklaard.

De beroepscommissie acht in dit geval geen termen aanwezig voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming. Klagers bezoekster heeft immers op zich wel aanleiding gegeven tot de ten aanzien van haar opgevatte verdenking.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond ten aanzien van onderdeel a van het beklag en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter in zoverre.
Zij verklaart het beroep ten aanzien van onderdeel b van het beklag gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter en verklaart dat onderdeel van het beklag alsnog gegrond.
Zij bepaalt dat aan klager geen tegemoetkoming toekomt.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. U. van de Pol, voorzitter, mr. L.M. Moerings en mr. R.S.T. van Rossem - Broos, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 22 november 2013

secretaris voorzitter

Naar boven