Onderwerp: Bezoek-historie

Kroniek van het militaire strafrecht 2015-2017

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Kroniek

Kroniek van het militaire strafrecht 2015-2017

 

Door mr. dr. M.M. Dolman1

1. Inleiding

In deze kroniek worden wetgeving, rechtspraak en literatuur uit de periode 2015-2017 besproken. Wat wetgeving betreft is daarbij de datum van inwerkintreding aangehouden; zij wordt ook besproken als de tekst van de wet voor 2015 is vastgesteld, maar inwerkingtreding later plaatsvond. Wat rechtspraak betreft is de datum van publicatie aangehouden: voordien gewezen uitspraken worden besproken als zij vanaf 2015 gepubliceerd zijn. Wat literatuur betreft is de datum van publicatie eveneens aangehouden.

2. Wetgeving

Op wetgevend gebied was het betrekkelijk rustig gedurende de besproken periode. De enige wijziging van formele wetgeving betrof de Rijkswet van 13 december 2012 tot aanpassing van de Wet militaire strafrechtspraak, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet Militair tuchtrecht in verband met gewijzigde regelgeving en herstel van technische onvolkomenheden, Stb. 2013, 25 i.w.tr. 1 januari 2017 (Stb. 2016, 551) , de zgn. rijksbrede reparatiewet. Deze wet voorziet in herstel van een groot aantal min of meer technische gebreken, die mede konden ontstaan c.q. bleven bestaan als gevolg van de omstandigheid dat de landsverdediging rijkszaak is, dus het militaire strafrecht bij rijkswet geregeld moet worden (wat in het verleden nogal eens over het hoofd gezien is). Zo moest onder meer voorzien worden in de gewijzigde structuur van het Koninkrijk (de Nederlandse Antillen hebben opgehouden te bestaan als staatkundige entiteit; daarvoor zijn de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de quasi-gemeenten Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de plaats gekomen), de gewijzigde rechterlijke organisatie (de kantongerechten zijn kamers van de rechtbanken geworden, met appel op het gerechtshof) en de verhoging van strafmaxima in het commune strafrecht (waar de maximale tijdelijke gevangenisstraf is verhoogd van twintig naar dertig jaar).

              Voor het militaire strafrecht van zijdelings belang is het in het voorjaar van 2017 aanhangig gemaakte Voorstel van wet van het lid Hoogland tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Militair Strafrecht in verband met de invoering van een verzwaarde en getrapte regeling voor rijontzeggingen wegens rijden onder invloed en ter verlaging van de ondergrens voor het ongeldig worden van het rijbewijs en voor de verplichte overgifte van het rijbewijs (Wet nuchter op weg). De parlementaire behandeling bevindt zich nog in het beginstadium: na indiening van het voorstel en de daarbij behorende memorie van toelichting is slechts een brief gevolgd waarin het lid Kuiken mededeelt dat zij de verdediging van het voorstel heeft overgenomen van de indiener, die bij de verkiezingen van 15 maart 2017 niet herkozen was maar het twee dagen voor de installatie van de nieuwe kamer op 23 maart nog kon indienen. Zie Kamerstukken II 2016/17, 34698 nr. 1 (geleidende brief); Kamerstukken II 2016/17, 34698 nr. 2 (voorstel van wet); Kamerstukken II 2016/17, 34698 nr. 3 (memorie van toelichting); Kamerstukken II 2016/17, 34698 nr. 4 (brief van het lid Kuiken inzake overname van de verdediging van het initiatiefvoorstel).

              Ten slotte is bij Besluit van 15 november 2016 ( Stb. 2016, 470, i.w.tr. 1 januari 2017 [Stb. 2016, 551] ) het Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht gewijzigd. Het moest onder meer worden aangepast aan het gewijzigde art. 59 WMSr, waarin thans ook ten aanzien van militairen in oplegging van een strafbeschikking is voorzien – en wel in plaats van transactie. Bij wijze van uitzondering loopt het militaire strafrecht voor op het commune, waar de transactie vooralsnog naast de strafbeschikking voortbestaat.

3. Rechtspraak

3.1. Militair materieel strafrecht

Bij lezing van de rechtspraak valt op dat het aantal uitspraken waarin militair-strafrechtelijke kwesties in engere zin aan de orde zijn – d.w.z. kwesties betreffende het militaire straf(proces)recht – weliswaar een aanmerkelijk, maar niet het grootste deel daarvan uitmaken. Daarbij zij echter aangetekend dat een aanzienlijk deel van de rechtspraak casus betreft die als quasi-militair kunnen worden gekenschetst, doordat daarin weliswaar commune bepalingen ter discussie stonden, maar de omstandigheid dat de verdachte militair was, c.q. het feit in een militaire omgeving begaan werd de casus een bijzondere dimensie geeft.

              Een delict dat in elk geval slechts door een militair begaan kan worden is omschreven in art. 98 WMSr: ongeoorloofde afwezigheid. Daarop heeft Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 5 november 2013, MRT 2015/2 m.nt. MRA betrekking, waarin de vragen beantwoord moesten worden hoe de militair kan voorkomen dat hij ongeoorloofd afwezig is, c.q. wanneer ongeoorloofde afwezigheid eindigt. Het antwoord op de laatste vraag lijkt gegeven te worden in art. 114 lid 2 WMSr – ongeoorloofde afwezigheid eindigt wanneer de militair weer ter beschikking van de militaire autoriteiten staat – dus op het kennelijke standpunt van de officier van justitie dat een telefoontje met de marechaussee volstond, is wel wat af te dingen. Het antwoord op de eerste vraag luidt dat de verdachte, die zich – kennelijk als gevolg van een verstoorde werksfeer – niet in staat achtte dienst te doen, zich conform de geldende procedures ziek had moeten melden. Dat is in de burgermaatschappij niet anders.

              Een militair delict bij uitstek is omschreven in art. 126 WMSr: het opzettelijk niet opvolgen van een dienstbevel. Dat was aan de orde in Rb. Gelderland (militaire kamer) 13 juni 2017, MRT 2017/5 m.nt. J.J.M. van Hoek, betreffende een sergeant die in het kader van een oefening een van zijn Iraakse leerlingen wilde attenderen op een door deze gemaakte fout. Dat wilde hij doen door – zoals te doen gebruikelijk was – de trekker van zijn ontladen persoonlijk wapen over te halen, dat dan een mechanische klik laat horen. Na een vergelijkbare oefening eerder dezelfde dag had hij echter een gevuld magazijn in het wapen gestoken en hij had voorafgaand aan de tweede oefening verzuimd zich ervan te vergewissen dat het wapen behoorlijk ontladen was. Dat bleek niet het geval te zijn: hij loste een schot waardoor de leerling in de borst getroffen werd. De leerling overleefde. De rechtbank sprak vrij van het primair ten laste gelegde opzettelijk niet opvolgen van een dienstbevel: niet alleen kon zij niet vaststellen dat bij dienstbevel verboden was het persoonlijk wapen bij de instructie te gebruiken, bovendien had de meerdere die dit bevel gegeven zou hebben tijdens een bespreking de dag tevoren – waar dit gebruik met zoveel woorden besproken was – niet te kennen gegeven dat het niet was toegestaan. Een en ander deed echter niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de sergeant: zijn verzuim na te gaan of zijn wapen behoorlijk ontladen was, leverde schuld als bedoeld in art. 308 Sr op.

              Ook de zgn. feitelijke aanranding die strafbaar gesteld is in art. 140 WMSr is een typisch militair delict; het gaat daarbij om inbreuken op de lichamelijke integriteit van een ander die niet zo ernstig zijn dat zij mishandeling als bedoeld in art. 300 Sr opleveren. Het betreft een strafbepaling die haar bestaan dankt aan de omstandigheid dat in de krijgsmacht militairen van uiteenlopende komaf, dicht op elkaar en onder soms zware omstandigheden moeten samenleven zonder dat dit ten koste gaat van de operationele gereedheid. En dan kan de vraag rijzen welke personen door deze strafbepaling beschermd worden. In Rb. Gelderland (militaire kamer) 2 mei 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2475 was het na een feestje tot handtastelijkheden gekomen jegens ROC-leerlingen die in het kader van de opleiding ‘Veiligheid en Vakmanschap’ stage liepen bij de marine. Naar het oordeel van de rechtbank strekt de bescherming van art. 140 WMSr zich ook tot hen uit, nu de stagiaires meedraaien bij een defensieonderdeel, op militair terrein in uniform gekleed zijn, deelnemen aan veldoefeningen en ‘militaire’ instructies ontvangen (omdat zij geen deel uitmaken van de krijgsmacht, kunnen hun rechtens geen bevelen worden gegeven). Dit bleek overigens een pyrrhusoverwinning voor de aangevers: omdat de rechtbank – geconfronteerd met uiteenlopende verklaringen – de toedracht van het gebeurde niet kon reconstrueren, volgde vrijspraak. Tot dezelfde uitkomst – zij het op enigszins andere gronden – leidde Rb. Gelderland (militaire kamer) 4 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3599 , betreffende een burger-medewerkster van de cateringdienst die onverhoeds door een militair op de mond werd gezoend. Ter motivering van de gegeven vrijspraak overwoog de rechtbank dat geen geweld gebruikt werd (in dat geval had vervolging ter zake van mishandeling voor de hand gelegen), de zoen in het voorbijgaan gegeven werd en verdachte – die aangeefster kennelijk op de wang wilde zoenen – haar per ongeluk op de mond raakte. Dat is een zo geringe aantasting van de persoon dat zelfs van aanranding als bedoeld in art. 140WMSr geen sprake is, in aanmerking genomen dat het niet ongebruikelijk is dat collega’s na een dagje uit zo afscheid nemen.

              Een delict dat een commune oorsprong heeft maar voor militairen zelfstandig strafbaar gesteld is, betreft de zgn. militaire joyriding (art. 166 WMSr). Die bepaling vertoont enkele in het oog lopende verschillen met art. 11 (jo. art. 176 lid 3) WVW 1994: zij ziet niet slechts op motorrijtuigen maar ook op (lucht)vaartuigen (die bij de krijgsmacht in gebruik zijn), het opzettelijke wederrechtelijke gebruik daarvan is ook strafbaar als het buiten de (openbare) weg plaatsvindt en het misdrijf wordt bedreigd met een lagere geldboete (tweede i.p.v. derde categorie; de maximale gevangenisstraf bedraagt in beide gevallen zes maanden). Militaire joyriding wordt met enige regelmaat vervolgd omdat de krijgsmacht over veel voertuigen en (lucht)vaartuigen beschikt, die vaak door verscheidene personen gebruikt worden. Daardoor wordt niet altijd even strikt toegezien op rechtmatig gebruik, en komt wederrechtelijk gebruik eerst aan het licht als er brokken gemaakt zijn. Zie bijv. Rb. Gelderland (militaire kamer) 8 december 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7574 ; MRT 2017/1 m.nt. MRA; Rb. Gelderland (militaire kamer) 8 december 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7575,ECLI:NL:RBGEL:2014:7575 ; MRT 2017/1 m.nt. MRA, waarin het voertuig gebruikt was om bij inbraak buitgemaakte goederen te vervoeren. Dat vaak ook sprake lijkt te zijn van normvervaging zowel bij individuele militairen als binnen de organisatie tonen Rb. Gelderland (militaire kamer) 29 juni 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:4233 en Rb. Gelderland (militaire kamer) 7 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:7580 . In het eerste geval sprak de rechtbank van het “ogenschijnlijk[e] gemak waarmee verdachte over diverse grenzen is gegaan”, in het tweede voerde de verdachte aan dat hij weliswaar niet met zoveel woorden toestemming voor het gebruik van het dienstvoertuig voor woon-werkverkeer had ontvangen, maar daarmee informeel wel was ingestemd: “ze” (onder wie de commandant) wisten ervan af en “ook anderen deden het”. Van de rechtbank kreeg hij echter het lid op de neus: door gebruik van een militair voertuig voor woon-werkverkeer had verdachte flink op de kosten van particulier vervoer bespaard, terwijl hij de desbetreffende vergoeding liet doorlopen. Verdachte werd dus twee keer beter van zijn gedrag, dat niet past bij de voorbeeldfunctie van een ervaren onderofficier.

relaties4

3.2. Quasi-militair materieel strafrecht

De oudste hier besproken uitspraak is weliswaar eind 2015 gepubliceerd, maar is eind 2013 gewezen en betreft gebeurtenissen die zich in 2007 hebben voorgedaan; de justitiële molens malen soms traag. Het betreft een arrest van de Hoge Raad van 26 november 2013, MRT 2015/6 m.nt. MRA. In deze zaak stonden de gezagvoerder en co-piloot van een Apache-helikopter terecht, die in de Bommelerwaard in aanraking was gekomen met hoogspanningsleidingen en een noodlanding moest maken. Het Hof veroordeelde de gezagvoerder ter zake van culpoze vernieling van een elektriciteitswerk (art. 161ter Sr) en culpoze vernieling een luchtvaartuig met gevaar voor een ander (art. 163 Sr); de co-piloot werd alleen ter zake van laatstbedoeld feit veroordeeld. Hier doet zich de militaire context van de feiten voelen: gezien de taakverdeling in de cockpit werd de co-piloot mede verantwoordelijk gehouden voor de veiligheid van de helikopter maar niet voor het door de gezagvoerder ingezette vliegpad waardoor deze met hoogspanningsleidingen in aanraking kwam. Weliswaar had hij een hoogspanningsmast moeten zien toen de helikopter die naderde, het controleren van de kaart op hoge objecten was primair de taak van de gezagvoerder. De gezagvoerder ging in cassatie; de Hoge Raad verwierp zijn beroep zonder er woorden aan vuil te maken (art. 81 lid 1 RO).

              Ook in Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 26 januari 2015, MRT 2015/4 m.nt. MMD was sprake van een dienstongeval. Een marechaussee met een spoedopdracht overschreed met het door haar bestuurde – niet als zodanig herkenbare en niet van licht- en geluidssignalen voorziene – dienstvoertuig de maximumsnelheid en negeerde een rood verkeerslicht; toen zij met te hoge snelheid een kruising op reed, botste zij op een brandweervoertuig. Dat getuigde onder de gegeven omstandigheden van schuld bedoeld in art. 6 WVW 1994. Hoewel verdachte een beroep toekwam op de Vrijstelling RVV politie, derogeert die niet aan art. 6 WVW 1994, c.q. aan de eisen die aan verdachte als ‘Garant’ gesteld mochten worden.

              Uitzending van Nederlandse militairen geeft weer aanleiding tot eigensoortige problemen. Zo betreft Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 2 oktober 2014, MRT 2015/2 m.nt. MMD twee militairen die bij het ‘uitroteren’ – terugkeer vanuit het uitzendingsgebied – bij wijze van souvenirs een klein arsenaal hadden meegenomen (deel van een lanceerinrichting, gebruikte hulzen en een grote hoeveelheid munitie van verschillende kalibers). Dat werd vervolgd als valsheid in geschrift en zonder consent invoeren. Het Hof moest onder meer de vragen beantwoorden of bij verdachten opzet op de valsheid aanwezig was – met de beantwoording waarvan het zichtbaar moeite had – en of gebruikte hulzen ‘munitie’ in de zin van de Wet wapens en munitie zijn (het antwoord luidde ontkennend: omdat zij inmiddels vernietigd waren, kon niet worden vastgesteld dat de hulzen voor hergebruik geschikt waren).

relaties3

3.3. Commuun materieel strafrecht

Hoewel militairen allicht minder strafbare feiten begaan dan burgers – zie voor de verklaring daarvan de laatste in deze rubriek besproken uitspraken – komt het met enige regelmaat voor dat zij misbruik maken van faciliteiten die de dienst hun biedt. Een eerste voorbeeld daarvan biedt HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:7 , NJ 2016/85, m.nt. Keijzer, betreffende een militair die misbruik had gemaakt van het niet bepaald waterdichte – want tamelijk ondoorgrondelijke – systeem waarmee verlofdagen werden geboekt, en zich aldus meer verlof had kunnen genieten dan waarop hij recht had. Rees de vraag of zijn handelen kon worden gekwalificeerd als oplichting. Zie daaromtrent M.M. Dolman, ‘Oplichting: waartoe, wie en hoe? Enkele opmerkingen naar aanleiding van HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:7 ’, Tijdschrift Praktijkwijzer Strafrecht, 2016/47. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 5 november 2015, MRT 2016/3 m.nt. MRA (valsheid in geschrift m.h.o. het verkrijgen van buitenlandtoelagen). Een tweede voorbeeld is Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 29 januari 2015, MRT 2016/4 m.nt. MMD, betreffende een marechaussee die een collega wijsgemaakt had dat hij in het kader van de dienst over de persoonsgegevens van een kentekenhouder moest beschikken, maar daarvan voor privédoeleinden gebruik maakte. Dat leverde doen plegen van schending van het ambtsgeheim (door die collega) op. Vgl. Rb. Gelderland (militaire kamer) 29 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1110, betreffende een marechaussee die – tegen beloning – vertrouwelijke informatie waarover hij uit hoofde van zijn functie kon beschikken aan een oud-collega verstrekte. Een derde voorbeeld is Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 7 april 2016, MRT 2016/6 m.nt. AFV, betreffende een marechaussee die inzittende was van een dienstvoertuig waarmee de maximumsnelheid overschreden was en zich door de bestuurder liet bewegen in het bedrijfsprocessensysteem valselijk in te voeren dat zij een verkeersovertreder achtervolgden. Dat leverde valsheid in geschrift op, maar appelleren loonde.

Als militairen zich al schuldig maken aan strafbare feiten betreft het – als de hiervoor besproken categorie buiten beschouwing wordt gelaten – vaak delicten waarbij drank in het spel is. Voorbeelden daarvan bieden Hof Arnhem-Leeuwarden 6 maart 2014 (militaire kamer), MRT 2015/3, m.nt. De Velde (mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg), Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 29 december 2016, MRT 2017/4 m.nt. AFV (zware mishandeling); Rb. Gelderland (militaire kamer) 29 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1108 (rijden onder invloed); Rb. Gelderland (militaire kamer) 26 september 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:5158 (ontucht met een onmachtige). In de zaak waarop Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 29 december 2016, MRT 2017/4 m.nt. AFV betrekking heeft, was verdachte – een officier bij de Koninklijke Landmacht – in eerste aanleg ter zake van zware mishandeling (hij had het slachtoffer met kracht met een bierpul in het gezicht geslagen) tot 180 uur werkstraf veroordeeld. Hij stelde hoger beroep in want bij die straf zou zijn verklaring van geen bezwaar (VGB) worden ingetrokken, met ontslag tot gevolg; hij bepleitte een straf waarbij hij in dienst zou kunnen blijven. Daarmee vond hij gehoor bij het Hof, dat hem een – gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht – beduidend lagere straf oplegde dan gebruikelijk is als de verdachte niet voor intrekking van zijn VGB hoeft te vrezen. Straf en strafmotivering roepen de vragen op of de strafrechter zich bij de persoonlijke omstandigheden rekenschap moet geven van eventuele rechtspositionele consequenties van veroordeling – wat de wetgever hem verboden lijkt te hebben – c.q. of hij daardoor niet miskent dat de proportionaliteit daarvan uiteindelijk ter beoordeling van de bestuursrechter staat. Vgl. Rb. Gelderland (militaire kamer) 13 juni 2017, MRT 2017/5 m.nt. J.J.M. van Hoek.

3.4. (Militair) strafprocesrecht

Ten aanzien van het strafprocesrecht doet de militaire dimensie van de zaak zich minder vaak voelen dan ten aanzien van het materiële strafrecht. Zelfs komt het met enige regelmaat voor dat door de verdediging een beroep wordt gedaan op omstandigheden die volgens haar afwijking van de commune praktijk rechtvaardigen, maar zij bij de rechter geen gehoor vindt. Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 29 januari 2015, MRT 2016/4 m.nt. MRA (aan de verklaring van een getuige à décharge behoort niet meer gewicht toegekend te worden op de grond dat hij van hogere rang is dan getuigen à charge); Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 9 februari 2017 m.nt. MRA, waarin het Hof (irrelevant is dat het onderzoek inz. rijden onder invloed niet door de Marechaussee is uitgevoerd).

              Toch zijn er wel gevallen waarin aan de militaire dimensie beslissende betekenis toekomt. Zo lijkt evident dat militairen voor de militaire rechter gedaagd moeten worden. In Rb. Gelderland 5 september 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:5376/5380 waren twee verdachten voor de commune strafkamer van de rechtbank Gelderland gedagvaard en bepleitte de verdediging onbevoegdheid op de grond dat een van hen militair was: weliswaar kan de burgerlijke rechter kennis nemen van deelneming door een militair aan feiten die zijn begaan door een burger, daartoe moet hij wel relatief bevoegd zijn om kennis te nemen van die feiten. Dat was (de commune strafkamer van) de rechtbank Gelderland niet, zodat hij zich ten aanzien van de militair absoluut onbevoegd verklaarde: de zaak tegen hem moest bij de militaire kamer worden aangebracht. In een ander geval bleek dat hoger beroep niet – zoals het Wetboek van Strafvordering voorschrijft – door verdachte of een advocaat was ingesteld, maar door de (niet schriftelijk gemachtigde) officier-raadsman die hem bijstond. Volgens de advocaat-generaal moest hij daarom niet-ontvankelijk verklaard worden, maar het Hof dat daar anders over: gezien art. 23 Wet militaire strafrechtspraak en de wetsgeschiedenis komen bevoegdheden die aan advocaten zijn toegekend ook toe aan de officier-raadsman; zie Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 16 juli 2015, MRT 2016/1 m.nt. AFV.

              Ten slotte spelen militairen vaak een rol in commuun strafrechtelijk onderzoek. Zo kunnen marechaussees belast zijn met de opsporing van commune delicten door burgers; zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2014, MRT 2015/3 m.nt. MMD (redelijk vermoeden van schuld, c.q. ernstige bezwaren t.a.v. bezoeker van dancefeest?). De regels die in dergelijke gevallen het optreden van civiele opsporingsambtenaren beheersen gelden dan ook voor hen. Het gaat daarbij overigens niet alleen om strafvorderlijke bevoegdheden in enge zin, maar bijv. ook om regels inzake geweldgebruik; vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 7 december 2016, MRT 2017/3 m.nt. MMD (bij poging tot aanhouding van de bestuurder van een auto wordt een schot gelost dat de bijrijder treft: noodweer). Een geval waarin de vraag opkwam of de regels die strafvorderlijk optreden beheersen onverkort toegepast kunnen worden ten aanzien van de niet alledaagse situaties waarin militairen bijstand verlenen betreft HR 22 december 2015, ECLI:2015:3640; NJ 2016/269 , m.nt. Reijntjes. Het gaat om de vervolging van Somalische piraten die – na een vuurgevecht waarbij slachtoffers ware gevallen – waren opgepikt door de Zr. Ms. Tromp, die deelnam aan de NAVO-operatie ‘Ocean Shield’. De verdediging betwistte de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming van de verdachten tussen het moment waarop zij door de commandant waren gearresteerd en het moment waarop hun vrijheidsbeneming – krachtens het bevel van de officier van justitie hen aan te houden (een dag later, nadat hij door de commandant was geïnformeerd) – onder het strafvorderlijke regime viel. Naar het oordeel van de Hoge Raad was echter geen sprake van willekeurige vrijheidsbeneming als bedoeld in art. 5 EVRM: in de gegeven omstandigheden zou het – mede gezien de internationale rechtsbasis van de bevoegdheden van de commandant – van overspanning van de realiteit getuigen als van hem wordt geëist dat hij eerst tot aanhouding overgaat nadat hij daartoe van de officier van justitie in Nederland het bevel heeft gekregen. Daaraan deed niet af dat de commandant de bevoegdheid tot aanhouding aan art. 539a e.v. Sv had kunnen ontlenen. En dat roept de vraag op of de Hoge Raad in toekomstige gevallen weer zo lankmoedig zal zijn; in elk geval moeten uit deze zaak lessen worden geleerd wat betreft extraterritoriaal strafvorderlijk optreden door militairen. Zie daaromtrent Hester van Bruggen, Marjolein Cupido & Joop Voetelink, ‘Militair-justitiële samenwerking bij de aanpak van migratiestromen’, NJB 2016, p. 2682-2687; M. Cupido, ‘ Militaire criminaliteitsbestrijding: naar structureel onderzoek en beleid ’, MRT 2016/3.

relaties1

3.5. Interregionaal militair straf(proces)recht

De landsverdediging is rijkszaak en dat geldt mutatis mutandis voor het militaire (straf)recht, dat eenvormig – bij rijkswetten en rijksbesluiten – geregeld moet worden. Maar die omstandigheid neemt niet weg dat het militaire straf(proces)recht steunt op het commune, wat voor frictie kan zorgen als een zaak die in het ene deel van het Koninkrijk begint, moet worden voortgezet in het andere. In Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 3 april 2014, MRT 2016/2 m.nt. MMD was de verdachte tegen wie op Aruba een strafzaak aanhangig was gemaakt naar Nederland gekomen. Daar moest hij vervolgens – na overdracht van de zaak – worden opgeroepen, maar dat zag de officier van justitie – die een niet gelijkluidende dagvaarding uitbracht – over het hoofd, evenals de rechtbank. Door wijziging van de Arubaanse tenlastelegging in hoger beroep – zodat deze overeenkomstig de Arnhemse kwam te luiden – werd materieel toch in twee instanties recht gedaan. Dat had overigens nog voeten in de aarde, want in de gewijzigde tenlastelegging werd verdachte overtreding van de Nederlandse wegenverkeerswetgeving verweten, wat – nu deze zich niet leent tot extraterritoriale toepassing – noopte tot een onderzoek of het feit naar Arubaans recht strafbaar was. Ook in Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 3 maart 2016, MRT 2016/2 m.nt. MMD deed zich een processuele complicatie voor, doordat op Curaçao – waar verdachte in eerste aanleg bij verstek veroordeeld was – tegen verstekvonnissen verzet moet worden gedaan, terwijl het Nederlandse Wetboek van Strafvordering – dat ook in de West de militaire strafrechtspleging beheerst – daartegen hoger beroep openstelt. Aan het Antilliaanse aspect van de zaak kon de Nederlandse militaire rechter overigens niet helemaal voorbij gaan; bij de straftoemeting kende hij betekenis toe aan het plaatselijke strafklimaat.

3.6. Overig

Ten slotte is in de besproken periode een eind gekomen aan de strafrechtelijke nasleep van het Srebrenica-drama. Nabestaanden van Dutchbat-personeel wilden door middel van een klacht ex art. 12 Sv vervolging van de commandant Karremans en zijn plaatsvervanger Franken afdwingen, maar vonden daarmee bij het Hof geen gehoor. Nadat de advocaten van klagers eerder vergeefs het militaire lid van het gerechtshof gewraakt hadden (zie daaromtrent Hof Arnhem-Leeuwarden 23 oktober 2014, MRT 2014//6 m.nt. MMD), wees het Hof Arnhem-Leeuwarden achtereenvolgens een tussenbeschikking waarin de vraag beantwoord werd welke stukken in het dossier gevoegd moesten worden en een eindbeschikking waarin de vragen beantwoord werden of de beklaagden immuniteit van strafvervolging genoten en – zo niet – ter zake van welke feiten zij vervolgd zouden kunnen worden; zie Hof Arnhem-Leeuwarden (militaire kamer) 29 april 2015, MRT 2015/5 m.nt. MMD.  Het Hof kwam tot de conclusie dat vervolging van de beklaagden niet tot veroordeling zou leiden; aan beoordeling van de opportuniteit van zo’n vervolging kwam het niet toe. Klagers dienden vervolgens een klacht in bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarin zij betoogden dat Nederland art. 2 EVRM geschonden had, doordat het tekortgeschoten was in zijn positieve verplichting het leven van Dutchbat-personeel te beschermen, c.q. Karremans en Franken strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Zie daaromtrent H.G. van der Wilt, ‘Geen strafrechtelijke vervolging voor Karremans cs. Enkele kanttekeningen bij de beklagzaak van 29 april 2015’, MRT 2016/6; Th.A. de Roos, ‘Srebrenica en de opportuniteit van strafvervolging. Een reactie op de bijdrage van Prof mr. H.G. van der Wilt’, MRT 2017/1. Op 22 september 2016 verklaarde het EHRM de klacht niet-ontvankelijk.

4. Literatuur

Hieronder volgt een overzicht van de meest relevante literatuur die in de besproken periode gepubliceerd is. In aanvulling daarop zij opgemerkt dat twee belangrijke publicaties thans digitaal verschijnen: zowel het Militair Rechtelijk Tijdschrift als Van den Bosch c.s., Militair straf- en tuchtrecht worden sinds 2016 online gepubliceerd.

 

– J.F.R. Boddens Hosang ‘Gif, gas en Dum Dum kogels: de wijzigingen in artikel 8 van het Statuut van het Internationaal Strafhof na de Kampala amendementen’, MRT 2016/5.

– Hester van Bruggen, Marjolein Cupido & Joop Voetelink, ‘Militair-justitiële samenwerking bij de aanpak van migratiestromen’, NJB 2016, p. 2682-2687.

– A.L.M. de Brouwer, ‘Conflict-related Sexual Violence: Achievements and Challenges in International Criminal Law and the Role of the Military’, MRT 2015/2.

– M. Cupido, Facts Matter. A Study into the Casuistry of Substantive International Criminal Law, The Hague: Eleven International Publishing 2015.

– M. Cupido, ‘Militaire criminaliteitsbestrijding: naar structureel onderzoek en beleid’, MRT 2016/3.

– Zsuzsanna Deen-Racsmány, ‘Towards a Convention on the Criminal Accountability of UN Personnel Including UN Military Experts on Mission and UN Police Officers’, The Military Law and the Law of War Review 54/2, p. 195-244.

– M.M. Dolman, ‘Oplichting: waartoe, wie en hoe? Enkele opmerkingen naar aanleiding van HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:7’, Tijdschrift Praktijkwijzer Strafrecht, 2016/47.

– Martyna Falkowska, ““Exclusive” Criminal Jurisdiction over UN Peacekeepers and the UN Project(s) on Criminal Accountability: A Self-Fulfilling Prophecy?’, The Military Law and the Law of War Review 54/2, p. 267-300.

– M. Hector, ‘Kampala Amendementen, misdrijf agressie’, MRT 2016/5.

– Maarten den Heijer, ‘Rechtsmacht hangt ook uit de loop van een geweer’, Ars Aequi 2015, p. 357-365.

– J.J.M. van Hoek, ‘Onderzoek en soevereiniteit: een conflict van internationale plichten?’, MRT 2015/6.

– R. van den Heuvel, ‘25 Jaar herziening militaire strafrechtspraak’, MRT 2016/4.

– J.J.M. van Hoek ‘Bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam zijn, dat is de vraag’, MRT 2016/5.

– J.J.M. van Hoek, ‘Status of Forces Agreements en Memoranda of Understanding. Rechtshandhaving tijdens oefeningen in het buitenland, in theorie en praktijk’, MRT 2016/2.

– Sander Keurentjes, ‘De Britse reactie op claims van mensenrechtenschendingen door Britse militairen gedurende de militaire aanwezigheid in Irak: een analyse van het Iraq Historic Allegations Team, MRT 2017/4.

– Stan Meuwese, De plicht te doden … Twee eeuwen dienstplicht, discipline, dienstweigering en desertie, Wolf Legal Publishers Oisterwijk 2017, 932 p., ISBN 9789462403635, besproken door W. Klinkert in MRT 2017/5.

– J. Nijhof, ‘Straftoemeting ten aanzien van in het buitenland gepleegde strafbare feiten – een update’, MRT 2017/2. 25 Jaar herziening militaire strafrechtspraak.

– J. Nijhof, ‘Uitoefening van rechtsmacht ten aanzien van strafbare feiten begaan door Nederlandse militairen in het buitenland’, MRT 2017/3.

– Th.A. de Roos, ‘Srebrenica en de opportuniteit van strafvervolging. Een reactie op de bijdrage van Prof mr. H.G. van der Wilt’, MRT 2017/1.

– M.D. Fink, ‘In vreemde krijgsdienst’, MRT 2016/1.

– J. Voetelink, Status of Forces: Criminal Jurisdiction over Military Personnel Abroad, The Hague: T.M.C. Asser Press 2015.

– J.E.D. Voetelink, ‘The Status of Foreign Forces in Afghanistan post 2014’, MRT 2015/1.

– J.E.D. Voetelink, ‘Rechtshandhaving tijdens oefeningen in het buitenland. Een vergeten groente uit het militair operationeel-rechtelijke moestuintje?’, MRT 2016/2.

– J.E.D. Voetelink, ‘Immuniteit zonder overeenkomst’, MRT 2017/1.

– H.G. van der Wilt, ‘Geen strafrechtelijke vervolging voor Karremans cs. Enkele kanttekeningen bij de beklagzaak van 29 april 2015’, MRT 2016/6.

– M.A.H. van der Woude, J. Brouwer & T.J.M. Dekkers, Beslissen in grensgebieden. Een onderzoek naar het Mobiel Toezicht Veiligheid zoals uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee, Den Haag: Boom criminologie 2016.

Naar boven