Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 09/2986/GA en 09/2990/GA, 9 februari 2010, beroep
Uitspraakdatum:09-02-2010

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 09/2986/GA en 09/2990/GA

betreft: [klager] datum: 9 februari 2010

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. M. van Stratum, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 16 oktober 2009 van de beklagcommissie bij de locatie De Marwei te Leeuwarden,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 18 december 2009, gehouden in de locatie De Marwei, zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. van Stratum, en [...], unit-directeur bij voormelde locatie.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
De beklagen betreffen stelselmatig onderzoek aan kleding (fouillering) en lichaam (visitatie).

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Door en namens klager is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Klager wordt sinds januari 2009 dagelijks gefouilleerd. Daarnaast wordt hij wekelijks gevisiteerd. Dat visiteren en fouilleren gebeurt sinds klager in de locatie De Marwei verblijft. Klager heeft met name problemen met het wekelijkse visiteren. Bij
klager is nooit contrabande aangetroffen. Klager is daarom dan ook van mening dat er ten aanzien van hem geen noodzaak bestaat voor het toepassen van die ingrijpende controlemaatregelen. Klager heeft van de directeur begrepen dat die noodzaak
maandelijks wordt getoetst. Hij heeft echter nooit gemerkt dat er sprake zou zijn van een bijzondere noodzaak voor dat fouilleren en visiteren. Klager heeft ook nooit gemerkt dat er over hem nieuwe informatie zou zijn van het Gedetineerden
recherche-informatiepunt (Grip). Klager is van mening dat de directeur geen eigen belangenafweging heeft gemaakt bij het nemen van de beslissing(en) om hem regelmatig te visiteren. Dat visiteren wordt door klager als zeer belastend ervaren. Zo wordt
klager steeds op luide toon verteld dat hij gevisiteerd gaat worden. De vraag die in deze zaak met name beantwoord dient te worden is of er sprake is geweest van een concrete toetsing door de directeur. Klager beantwoordt die vraag ontkennend.

De directeur heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Ten aanzien van het beroep van klager geldt dat in de inrichting wordt gewerkt overeenkomstig het bepaalde in de Circulaire gedetineerden met een
vlucht-/maatschappelijk risico (hierna de Circulaire GVM). De afdelingsrapportage wordt maandelijks doorgegeven aan het Grip en aan het Operationeel Overleg (O.O.). Aan de hand daarvan wordt klagers status op de GVM-lijst bepaald. Zolang iemand op die
lijst staat vermeld met een bepaalde status, worden de bij die status behorende toezichtmaatregelen in de inrichting toegepast. De noodzaak van handhaving van die maatregelen wordt getoetst aan de hand van de afdelingsrapportages. Het resultaat van die
toetsing wordt niet in een beslissing van de directeur vastgelegd. Klagers rapportages zijn enkele weken geleden voor het laatst aan de orde geweest. Het O.O. bepaalt de status van de gedetineerde op halfjaarlijkse basis. De inrichting mag van de
voorgeschreven toezichtmaatregelen afwijken. Dat kan dan aanleiding zijn voor een statuswijziging. De directeur is het eens met klager dat het niet netjes is als hij hem de visitatie op luide toon wordt aangezegd. Tot heden zijn bij klager de in de
GVM-circulaire voorgeschreven toezichtmaatregelen toegepast. De inrichting volgt de richtlijnen van de status behoorlijk strikt. De directeur heeft geen criteria in welk geval van die richtlijnen kan worden afgeweken.

3. De beoordeling
Het beklag ziet blijkens de klaagschriften op het wekelijks visiteren en dagelijks fouilleren in de periode gelegen tussen 19 januari 2009 en 11 september 2009. De directeur heeft niet weersproken dat dit visiteren en fouilleren in die periode
daadwerkelijk met die frequentie heeft plaatsgevonden. De beroepscommissie stelt voorop dat het visiteren en fouilleren ingrijpende maatregelen zijn die inbreuken opleveren op de persoonlijke levenssfeer van de gedetineerde.

De vraag die daarom aan de orde is, is of die inbreuken, welke voorzien zijn bij wet, noodzakelijk zijn voor de handhaving van de orde, rust en veiligheid in de inrichting.

Ten aanzien van het hier aan de orde zijnde visiteren geldt, dat dit gedurende een periode van (ongeveer) negen maanden wekelijks heeft plaatsgevonden. Die duur en frequentie zijn van dien aard dat gesproken moet worden van stelselmatig visiteren. Nu
klager in die periode ook aan andere (voor hem ingrijpende) toezichtmaatregelen was onderworpen, acht de beroepscommissie de beslissing om klager stelselmatig te visiteren onredelijk en onbillijk. Zij heeft daarbij, naast die hiervoor genoemde duur en
frequentie, mede in aanmerking genomen dat bij die visitaties nimmer enige contrabande bij klager is aangetroffen. Voorts is van belang dat in die periode van negen maanden niet gebleken is van nieuwe omstandigheden die tot wekelijkse visitatie nopen.
De beroepscommissie wijst er in dit verband nog op dat zij het steekproefsgewijs visiteren, mits dit de grens van twee keer per maand niet te boven gaat, steeds toelaatbaar heeft geacht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de uitspraak van de beklagcommissie ten aanzien van het visiteren niet in stand blijven en dient het beklag in zoverre alsnog gegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het dagelijks fouilleren geldt dat fouilleren een minder ingrijpende inbreuk oplevert op de persoonlijke levenssfeer dan visiteren. In de bevoegdheid tot fouillering is bij wet voorzien. Op zijn minst genomen dient te blijken van een
belangenafweging omtrent de noodzaak daarvan. De enkele verwijzing naar klagers plaats op de GVM-lijst is daarvoor onvoldoende. De directeur zal in dergelijke gevallen – zoals de beroepscommissie reeds eerder heeft overwogen – een eigen
belangenafweging
dienen te maken. Die belangenafweging dient minimaal maandelijks te geschieden, dient te worden onderbouwd met schriftelijke verslaglegging en dient te worden getoetst op basis van voldoende inzichtelijke criteria. Dat de directeur in dit geval een
dergelijke belangenafweging heeft gemaakt is onvoldoende aannemelijk geworden. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat de beslissing om klager dagelijks te laten fouilleren – bij afweging van alle in aanmerking komende belangen – onredelijk en
onbillijk
moet worden geacht.

Het vorenstaande maakt dat de uitspraak van de beklagcommissie ook ten aanzien van het fouilleren niet in stand kan blijven en dat dit deel van het beklag daarom eveneens gegrond moet worden verklaard.

De beroepscommissie acht termen aanwezig voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming. Zij zal de hoogte daarvan vaststellen op € 150,=.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond.
Zij bepaalt dat aan klager een tegemoetkoming toekomt van € 150,=.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. P.C. Vegter, voorzitter, mr. H. Heijs en J. Schagen MA, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 9 februari 2010

secretaris voorzitter

Naar boven