Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/45786/JB, 22 juli 2025, beroep
Uitspraakdatum:22-07-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/45786/JB

Betreft [klager]

Datum 22 juli 2025

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager], geboren op [geboortedatum] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft een verzoek gedaan tot overplaatsing naar een (Rijks) Justitiële Jeugdinrichting (RJJI).

De toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft dat verzoek op 6 januari 2025 afgewezen.

Klagers raadsman, mr. N. Hendriksen, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, mr. Y.R. Nielsen, waarnemer van klagers raadsman, en de selectiefunctionaris, namens verweerder, gehoord op de zitting van 17 juni 2025 in de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie op het beroepschrift en de overige stukken.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Er zijn verschillende feiten en omstandigheden voorhanden waaruit blijkt dat klager niet in een gevangenis, maar in een JJI dient te worden geplaatst. Volgens de selectiefunctionaris moet klager in een gevangenis worden geplaatst, omdat hij in eerste aanleg is veroordeeld op basis van het volwassenenstrafrecht. Klager behoort echter tot de doelgroep die in een JJI geplaatst kan worden. Hij is op dit moment 20 jaar en was 17 jaar ten tijde van de strafbare feiten. Jeugdigen die zijn veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf zijn niet uitgesloten van plaatsing in een JJI. Sterker nog, er zijn ook veroordeelden ouder dan 23 jaar die, vanwege de opgelegde langdurige straf, in een JJI verblijven. Daarnaast bieden deze inrichtingen zowel kort- als langverblijfgroepen aan.

Dat er een wettelijke mogelijkheid bestaat om klager in een gevangenis te plaatsen, wil niet zeggen dat dit op dit moment de juiste vorm van opvang is voor klager. Er is juist maatwerk vereist, conform artikel 25, eerste lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden. Dit artikel schrijft voor dat de selectiefunctionaris op grond van de beschikbare informatie omtrent het gedrag, de persoon en persoonlijkheidskenmerken van de veroordeelde dient te beoordelen welk regime het meest geëigend is voor de veroordeelde, alsmede of de veroordeelde voor plaatsing in een inrichting of afdeling voor bijzondere opvang in aanmerking komt. Op basis van de beschikbare informatie dient dus een weloverwogen beslissing te worden genomen over welke vorm van opvang passend is voor klager.

Er is in klagers geval diverse informatie voorhanden over zijn gedrag, persoon en persoonlijkheidskenmerken, waaruit niet alleen blijkt dat hij in aanmerking komt voor plaatsing in een JJI, maar ook dat opvang in een JJI de juiste vorm van opvang is zijn geval. Dit blijkt met name uit het na de zitting overgelegde recente rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) van 12 mei 2025, dat is uitgebracht in het kader van klagers hoger beroep. Het NIFP ziet géén gedragsdeskundige redenen voor toepassing van het volwassenenstrafrecht. Klager heeft een blanco strafblad en er is niets over hem bekend. Klager verhardt in een inrichting voor volwassenen. Er is op dit moment nog geen datum bekend waarop zijn hoger beroep wordt behandeld.

De plaatsing van minderjarigen in een JJI is geen gunst, maar een recht dat de wetgever heeft gewaarborgd voor jongeren zoals klager. Dit recht dient klager dan ook in zijn volle omvang te worden toegekend. Een overplaatsing van klager naar een JJI is daarom passend en gerechtvaardigd. Klager verzoekt de beroepscommissie om hem te selecteren voor overplaatsing naar een JJI.

Standpunt van verweerder

De beroepscommissie heeft in RSJ 18 januari 2024, 23/35277/GB (ten aanzien van klager) ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat klagers plaatsing in een JJI inmiddels niet meer mogelijk is. Dit klopt niet. Klager was ten tijde van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht minderjarig, en hij verblijft momenteel in voorlopige hechtenis, in afwachting van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank. Klager is dus een voorlopig gehechte jeugdige, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj). Klager kan zowel in een JJI als in een Penitentiaire Inrichting (PI) worden geplaatst.

Dit heeft de beroepscommissie (ten aanzien van klager) ook in RSJ 11 juli 2023, 23/33415/GB overwogen. In die uitspraak heeft de beroepscommissie een beoordelingskader vastgesteld. Op grond van dit beoordelingskader moet als uitgangspunt worden genomen dat klager, een voorlopig gehechte jeugdige, in een JJI wordt geplaatst en slechts in een uiterste noodsituatie in een PI. Over de vraag of verweerder heeft kunnen concluderen dat er sprake was van een dergelijke uiterste noodsituatie, oordeelde de beroepscommissie in RSJ 18 januari 2024, 23/35277/GB bevestigend. De beroepscommissie heeft gewezen op het rapport van de JJI Teylingereind, waar klager ter observatie was geplaatst. De beroepscommissie ziet in het rapport bevestiging van de (vrees voor) groepsongeschiktheid van klager.

Gelet op deze uitspraak en nu door klager (ten opzichte van de vorige procedure) geen nieuwe gronden zijn aangevoerd, noch ambtshalve aannemelijk zijn geworden, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is van een uiterste noodsituatie nog steeds sprake. Zowel de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) als de Bjj schrijft voor dat de selectiefunctionaris de aanwijzingen van het Openbaar Ministerie (OM) en de rechter in aanmerking dient te nemen. Klager kan dus niet in een JJI worden geplaatst. Hij heeft geen recht op plaatsing in een JJI. Er is ook geen gedragsdeskundige informatie op grond waarvan moet worden aangenomen dat klager in een JJI thuishoort. De selectiefunctionaris zal binnen enkele dagen na de zitting reageren op het rapport van de NIFP dat namens klager is overgelegd.

Navraag wijst uit dat de laatste pro-formazitting in klagers strafzaak heeft plaatsgevonden op 10 juni 2025 en dat de volgende pro-formazitting staat gepland op 2 september 2025. De inhoud van het NIFP-rapport heeft niet geleid tot een aangepaste aanwijzing vanuit het OM of het gerechtshof tot plaatsing van klager in een JJI. Zijn plaatsing in een PI doet het meest recht aan het vonnis van de rechtbank.

Een deel van de feiten waarvan klager wordt verdacht, zou hebben plaatsgevonden toen hij minderjarig was, maar ook een deel toen hij meerderjarig was. Volgens de wetgever is het uitgangspunt daarom dat bij de berechting het sanctiestelsel voor volwassenen wordt toegepast op klager. De rechter kan van deze hoofdregel afwijken (artikel 495, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering), conform artikel 77c van het Wetboek van Strafvordering, indien de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven (zie Kamerstukken II  2012/13, 33498, nr. 3, p. 55). De conclusies van het NIFP zijn niet steekhoudend, omdat daarin ten onrechte toepassing van het jeugdstrafrecht als uitgangspunt is genomen. Ten aanzien van de persoon van klager is niet gebleken dat pedagogisch ingrijpen ter preventie van recidive passend is. Daarnaast wordt klager verdacht van buitengewoon ernstige feiten (liquidatie, een zeer gewelddadige en geplande moord, waarbij klager een bepalende rol heeft gespeeld). Dit heeft een volwassen karakter.

 

3. De beoordeling

Klager verblijft op dit moment in de PI Nieuwegein. Hij wil graag worden overgeplaatst naar een JJI, omdat hij minderjarig was ten tijde van de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht. Hij is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaar (Rechtbank Amsterdam 21 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8315), onder toepassing van het volwassenen­strafrecht. De beroepscommissie heeft in RSJ 18 januari 2024, 23/35277/GB daarom overwogen dat plaatsing van klager in een JJI inmiddels niet meer mogelijk is, vanwege zijn veroordeling in eerste aanleg en gelet op de limitatieve opsomming in artikel 8, eerste lid, van de Bjj. De beroepscommissie heeft dit geoordeeld op basis van de informatie die haar toen bekend was.

Nu is bekend dat klager tegen het genoemde vonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat hij dus nog niet onherroepelijk is veroordeeld. Over de wettelijke mogelijkheid om klager in een JJI of in een PI te plaatsen, overweegt de beroepscommissie het volgende.

De beroepscommissie heeft eerder bepaald dat voor een jeugddetentie of PIJ-maatregel geldt dat die alleen in een uiterste noodsituatie ten uitvoer kan worden gelegd in een PI (Kamerstukken II 1994/95, 24263, nr. 3, p. 12). Bij een meerderjarige kan het “afhankelijk van de persoon van de betrokkene [wenselijk zijn] dat deze in een inrichting voor volwassenen wordt ondergaan” (Kamerstukken II 1994/95, 24263, nr. 3, p. 13). Ook dan dient, alles overwegend, echter sprake te zijn van een uiterste noodsituatie.

In RSJ 11 juli 2023, 23/33415/GB heeft de beroepscommissie geoordeeld dat in geval van een voorlopig gehechte jeugdige evenzeer het uitgangspunt moet zijn dat de jeugdige in een JJI wordt geplaatst en slechts in een uiterste noodsituatie in een PI. Dat kan al worden afgeleid uit het feit dat de bepaling in de Bjj een gedetailleerdere versie (‘specialis’) is van de bepaling in de Pbw. Bovendien bestaat het risico dat het ondergaan van een voorlopige hechtenis in een PI het (daarna) ondergaan van een jeugddetentie, met bijkomende behandeling, in een JJI minder kansrijk maakt.

Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Bjj zijn JJI’s bestemd voor:

  • personen die voorlopig gehecht zijn en nog niet de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt ten tijde van het delict waarvan zij worden verdacht;
  • personen die voorlopig gehecht zijn, nog niet de leeftijd van 23 jaar hadden bereikt ten tijde van het delict waarvan zij worden verdacht en waarbij de officier van justitie voornemens is om het adolescentenstrafrecht te vorderen.

Op grond van artikel 10, eerste lid en eerste volzin, van de Pbw zijn gevangenissen bestemd voor de opneming van personen die, al dan niet onherroepelijk, tot vrijheidsstraf zijn veroordeeld.

Klager is een voorlopig gehechte jeugdige: hij was minderjarig ten tijde van het delict waarvan hij wordt verdacht en hij is nog niet onherroepelijk veroordeeld. Hij valt dus onder het toepassingsbereik van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Bjj. Tegelijkertijd is klager een voorlopig gehechte gedetineerde: hij is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf. Klager valt dus óók onder het toepassingsbereik van artikel 10, eerste lid en eerste volzin, van de Pbw. Dat betekent dat klager op grond van de wet zowel in een JJI als in een PI kan worden geplaatst.

De wetgever heeft niet voorzien in de situatie van klager. Er bestaat – in het kader van de tenuitvoerlegging – wettelijk gezien geen voorkeur tussen beide plaatsingsmogelijkheden. Naar het oordeel van de beroepscommissie is het aan verweerder om te beoordelen wat redelijkerwijs de meest aangewezen plaats is voor de tenuitvoerlegging van een nog niet onherroepelijk opgelegde straf of maatregel aan een verdachte die minderjarig was ten tijde van het delict. Dit is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Hierbij kan worden gedacht aan de aanwijzingen van het Openbaar Ministerie en van de rechter die de straf of maatregel heeft opgelegd (artikel 12, vijfde lid, van de Bjj en artikel 15, derde lid, van de Pbw) en omstandigheden gelegen in of rondom de persoon van de jeugdige/gedetineerde, waaronder omstandigheden ten aanzien van het verblijf in de (jeugd)inrichting.

Naar het oordeel van de beroepscommissie is het niet onredelijk dat klagers verzoek om plaatsing in een JJI is afgewezen. Klager is in eerste aanleg veroordeeld tot een (langdurige) gevangenisstraf. Het staat nog niet vast dat de toepassing van het volwassenstrafrecht ook in hoger beroep standhoudt. Klager voert aan dat plaatsing een JJI de enige juiste vorm van opvang is, omdat het NIFP op 12 mei 2025 – in het kader van klagers hoger beroep – géén gedragsdeskundige argumenten (argumenten gelegen in de persoonlijkheid en/of ontwikkeling van klager) ziet, die aanleiding zouden kunnen geven om te adviseren tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. Het gerechtshof zal bij zijn oordeel over het al dan niet toepassen van het volwassenenstrafrecht echter meer feiten en omstandigheden betrekken dan alleen het gedragsdeskundig onderzoek naar klager. De beroepscommissie is dan ook van oordeel dat de conclusie van het NIFP op zichzelf onvoldoende redengevend is om de tenuitvoerlegging van klagers straf op dit moment (alvast) in een JJI te laten plaatsvinden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de afwijzing van klagers verzoek tot plaatsing in een JJI niet in strijd met de wet en ook niet onredelijk of onbillijk. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 22 juli 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, voorzitter, mr. dr. B.J.M. Frederiks en dr. S.L. van Woerden, leden, bijgestaan door mr. M.G. Bikker, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven