Nummer 24/40242/GA
Betreft [klager]
Datum 9 mei 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft (voor zover in beroep aan de orde) beklag ingesteld tegen:
-
het onthouden van medische zorg;
-
een ordemaatregel van – zo begrijpt de beroepscommissie – plaatsing in een afzonderingscel met cameratoezicht, voor de duur van veertien dagen, vanwege het in gevaar brengen van zijn eigen veiligheid en de veiligheid van personeel en medegedetineerden en het verstoren van de rust en orde in de inrichting, ingaande op 19 februari 2022.
De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Grave heeft op 26 maart 2024 het beklag ongegrond verklaard (GO-2022-166). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. E.J.M.J. Damen, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de PI Grave in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De beoordeling
Beklag a.
Klager beklaagt zich erover dat hem medische zorg is onthouden. Het onthouden van medische zorg kan onder omstandigheden gelijk worden gesteld met een beslissing van de directeur, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), als sprake is van een beklag met voldoende belang voor de gedetineerde. Daarvan is in beginsel slechts sprake wanneer de directeur volgens de gedetineerde jegens hem “structureel en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken” (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76).
Klager stelt dat hij meerdere keren heeft aangegeven acute medische hulp nodig te hebben en naar het ziekenhuis te moeten worden overgebracht en dat hij zichzelf aan zijn arm(en) had verwond met glas. Hij is uiteindelijk naar het ziekenhuis gebracht, waar bleek dat hij acuut medisch ingrijpen nodig had.
Hoewel het beklag zich niet richt tegen een structurele tekortkoming van de directeur – het gaat immers om een eenmalige gebeurtenis op 19 februari 2024 – is dat in gevallen als deze ook niet goed mogelijk. Het gaat hier naar het oordeel van de beroepscommissie wel om een belangrijke (vermeende) tekortkoming waartegen moet kunnen worden geklaagd. Klager is dan ook terecht ontvangen in beklag a.
Op grond van artikel 42, eerste en derde lid onder b., van de Pbw draagt de directeur zorg voor beschikbaarheid van een aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger op andere tijdstippen dan een spreekuur, als dit in het belang van de gezondheid van de gedetineerde noodzakelijk is. De vraag die de beroepscommissie moet beantwoorden is of de directeur de toegang tot de arts, zoals bedoeld in artikel 42 van de Pbw, in voldoende mate heeft gewaarborgd en daarmee heeft voldaan aan zijn zorgplicht.
Uit de stukken volgt dat het (medisch) inrichtingspersoneel klager op 19 februari 2024 meerdere keren heeft bezocht nadat hij aangaf medische hulp nodig te hebben. Zo heeft de inrichtingsarts klager twee keer bezocht en advies uitgebracht. Uiteindelijk is klager op advies van de arts naar het ziekenhuis gebracht om de verwondingen aan zijn armen te laten hechten.
Gelet op dat wat uit de stukken volgt, is de beroepscommissie – net als de beklagrechter – van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de directeur tekort is geschoten in zijn verzorgende taken, als bedoeld in artikel 42 van de Pbw. Het beklag inzake a. is naar het oordeel van de beroepscommissie dan ook terecht ongegrond verklaard. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.
Beklag b.
Op basis van de stukken is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagrechter het beklag inzake b. terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard. De beroepscommissie ziet in dit geval geen aanleiding om de overwegingen van de beklagrechter aan te vullen of te wijzigen.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter met aanvulling van de gronden.
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag b. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter.
Deze uitspraak is op 9 mei 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. M. Iedema, voorzitter, mr. R.H. Koning en mr. S.C.M. Wouda-van Velzen, leden, bijgestaan door mr. L. van der Linden, secretaris.
secretaris voorzitter