Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/46654/SGA, 28 februari 2025, schorsing
Uitspraakdatum:28-02-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/46654/SGA

Betreft [verzoeker]

Datum 28 februari 2025

 

 

Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van

[verzoeker] (hierna: verzoeker)

 

1. De procedure

Verzoekers raadsman, mr. M.H.A. Horsch, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van het insluiten van verzoeker tijdens de voor arbeid bestemde uren.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) Sittard (hierna: de directeur) op het schorsingsverzoek en van het klaagschrift.

 

2. De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen.

De voorzitter overweegt dat het insluiten van een gedetineerde tijdens de voor arbeid bestemde uren kan geschieden op grond van de huisregels van de inrichting. In dat geval is sprake van een algemeen geldende regel waartegen in beginsel geen beklag openstaat. In dit geval is in de huisregels van de PI Sittard in onderdeel 3.2 bepaald dat de gedetineerde die niet naar de arbeid wenst te gaan, gedurende het arbeidsblok wordt ingesloten. Ook de gedetineerde die vanwege een chronische handicap of ziekte niet in staat was om arbeid te verrichten, maar op enig moment weer in staat wordt geacht arbeid te verrichten en dit weigert, wordt ingesloten. Deze situaties doen zich in dit geval niet voor, nu onweersproken is dat verzoeker arbeid wenst te verrichten, maar dit vanwege het ontbreken van voor hem geschikte arbeid niet kan. Het insluiten van verzoeker gedurende de voor arbeid bestemde tijd is dus niet gebaseerd op een algemene regel. De voorzitter begrijpt verzoekers klacht zo dat de directeur volgens verzoeker structureel – het insluiten tijdens de voor arbeid bestemde uren betreft immers een voortdurende situatie – en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken jegens verzoeker. Dat is een klacht met voldoende belang voor verzoeker die gelijk kan worden gesteld met een beslissing van de directeur als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet. Verzoeker kan daarom in zijn (beklag en) verzoek worden ontvangen.

Uit de stukken komt naar voren dat verzoeker, die zijn linkerhand mist, niet (langer) arbeidsongeschikt is verklaard, maar dat er voor hem geen geschikte arbeid in de inrichting beschikbaar is. Volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie rust op de directeur de inspanningsverplichting om gedetineerden die structureel niet aan de arbeid kunnen deelnemen, bijvoorbeeld als gevolg van arbeidsongeschiktheid, in staat te stellen zich gedurende het arbeidsblok buiten hun verblijfsruimte op te houden. Nu verzoeker aan de arbeid wenst deel te nemen, maar dat niet kan als gevolg van het niet beschikbaar zijn van voor hem geschikte arbeid, terwijl het op de weg van de directeur ligt om zorg te dragen voor de beschikbaarheid van arbeid voor gedetineerden, is de situatie om verzoeker gedurende de voor arbeid bestemde tijd in te sluiten naar het oordeel van de voorzitter zodanig onredelijk en onbillijk dat er een spoedeisend belang is om de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan te schorsen. De voorzitter zal het verzoek daarom toewijzen en de tenuitvoerlegging van het insluiten van verzoeker tijdens de voor arbeid bestemde tijd schorsen met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.

 

3. De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van het insluiten van verzoeker tijdens de voor arbeid bestemde tijd met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.

Deze uitspraak is op 28 februari 2025 gedaan door mr. C.N. Dijkstra, voorzitter, bijgestaan door Y.L.F. Schuren, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven