Nummer 24/44740/GB
Betreft [klager]
Datum 25 februari 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft een verzoek gedaan tot plaatsing in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI).
De (toenmalig) Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft dat verzoek op 11 juni 2024 afgewezen.
Klagers raadsman, mr. M.L. van Gaalen, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De beroepscommissie heeft dat beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing te nemen (RSJ 2 oktober 2024, 24/41617/GB).
Verweerder heeft op 18 november 2024 klagers verzoek (opnieuw) afgewezen.
Klagers raadsman heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
Klager is op 18 december 2024 in vrijheid gesteld. Daardoor heeft hij in beginsel geen belang meer bij het beroep en zou hij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. In beroep is echter (tijdig) verzocht om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen. Daarom zal de beroepscommissie het beroep alsnog inhoudelijk beoordelen.
Klager verbleef in de gevangenis van de Penitentiaire Inrichting (PI) Achterhoek te Zutphen. Hij wilde graag in een JJI worden geplaatst, omdat hij een jeugddetentie onderging en hij gebaat zou zijn geweest bij een plaatsing in een JJI.
Zoals de beroepscommissie al in RSJ 2 oktober 2024, 24/41617/GB heeft overwogen, kan een jeugddetentie alleen in een uiterste noodsituatie ten uitvoer worden gelegd in een PI.
Verweerder heeft in de beslissing van 18 november 2024 – in aanvulling op de beslissing van 11 juni 2024 – kort gezegd aangegeven dat plaatsing in een JJI de reeds ingezette re-integratie zou doorbreken en dat een plaatsing in een JJI nagenoeg onmogelijk is wegens het verblijf van andere leden van drillrapgroepen in JJI’s.
Ten aanzien van het reeds ingezette re-integratietraject overweegt de beroepscommissie dat het ook vanuit een JJI mogelijk is om een dergelijk traject te starten, dan wel voort te zetten.
Voor zover verweerder stelt dat klagers plaatsing in een JJI nagenoeg onmogelijk is wegens het verblijf van andere leden van drillrapgroepen, geldt dat hiermee naar het oordeel van de beroepscommissie nog geen sprake is van een uiterste noodsituatie.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, moet de bestreden beslissing als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren en de bestreden beslissing vernietigen. Aangezien klager al in vrijheid is gesteld, zal de beroepscommissie verweerder niet opdragen om een nieuwe beslissing te nemen. Nu klager van 18 november 2024 tot en met 18 december 2024 ten onrechte niet in een JJI heeft verbleven, zal de beroepscommissie hem een tegemoetkoming toekennen van €75,-.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €75,-.
Deze uitspraak is op 25 februari 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. F.H.J. van Gaal en drs. M.R. van Veen, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.
secretaris voorzitter