Nummer 24/39918/GM
Betreft klager
Datum 14 januari 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
klager (hierna: klager)
1. De procedure
Klagers raadsvrouw, mr. S.N.M. Lousberg, heeft beroep ingesteld tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts van de Penitentiaire Inrichting (PI) Achterhoek te Zutphen (hierna: de inrichtingsarts). Klager beklaagt zich erover dat hij ondanks zijn psychische problematiek geen contra‑indicatie krijgt voor een meerpersoonscel (MPC).
De medisch adviseur bij het ministerie van Justitie & Veiligheid heeft bemiddeld. Het bemiddelingsverslag bevindt zich in het dossier.
De beroepscommissie heeft klager en zijn raadsvrouw gehoord op de (digitale) zitting van 12 november 2024. De inrichtingsarts heeft schriftelijk laten weten niet op de zitting te verschijnen. (…), aios huisartsgeneeskunde, en (…), medewerker van de RSJ, waren als toehoorder aanwezig.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Klager heeft in de PI Achterhoek geen contra-indicatie gekregen voor plaatsing op een MPC. De communicatie verliep slecht: klager werd van het kastje naar de muur gestuurd. Wanneer hij bij de medische dienst vroeg om een contra-indicatie voor een MPC, werd hij doorverwezen naar het afdelingshoofd, die hem vervolgens weer naar de medische dienst terugverwees. Dit veroorzaakte bij klager veel frustratie.
In de PI Middelburg had klager wel een contra-indicatie voor een MPC. Uit het dossier volgt niet dat de PI Achterhoek navraag heeft gedaan bij de PI Middelburg. Voor een zorgvuldige beoordeling had dat wel gemoeten.
Klager kreeg eerder vanwege zijn claustrofobie een contra‑indicatie. Eenpersoonscellen zijn naar verhouding groter dan tweepersoonscellen. Daarnaast heeft klager long-covid, wat erin resulteert dat hij weinig energie heeft en pijn in zijn voeten en handen ervaart. Ook piekert hij ’s nachts veel. Wanneer klager met iemand anders op cel wordt geplaatst, leidt dit alleen maar tot meer frustraties. Klager heeft ook hart- en nierproblemen. In de PI Achterhoek is klager samen met een roker op een MPC geplaatst. In het dossier staat genoteerd dat klager dit zelf heeft geïnitieerd, maar dat is niet juist. Wanneer klager met iemand anders op cel zit, kan hij agressief worden omdat hij te weinig slaapt - hij slaapt maar één tot anderhalf uur per nacht - en zich slecht voelt. Klager verblijft inmiddels in de PI Vught en heeft daar wel weer een contra‑indicatie gekregen.
Standpunt van de inrichtingsarts
Klager is op 26 januari 2024 gezien op het verpleegkundig spreekuur. In het geval van klager was er geen reden voor een contra‑indicatie voor een MPC. Aan klager is daarover uitleg gegeven. Tijdens het voorbemiddelingsgesprek is nogmaals uitgelegd waarom geen contra‑indicatie is afgegeven.
3. De beoordeling
Op de in artikel 11a, tweede lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden genoemde gronden kan de directeur van de inrichting besluiten dat een gedetineerde ongeschikt is om in een MPC te worden geplaatst. De directeur kan deze beslissing nemen op basis van adviezen van de medische dienst, het multidisciplinair overleg en/of het psycho-medisch overleg.
De omstandigheid dat klager, zoals hij stelt, in een vorige PI wel een contra-indicatie heeft gekregen voor plaatsing in een MPC, betekent niet zonder meer dat ook de inrichtingsarts van de PI Achterhoek een contra‑indicatie heeft moeten afgeven. Een eerder in een andere PI afgegeven contra‑indicatie kan wel een reden zijn voor nader onderzoek (vergelijk RSJ 2 oktober 2023, 23/33155/GM, en RSJ 3 juni 2024, 24/38498/GM).
De beroepscommissie is op basis van het medisch dossier en wat op de zitting is besproken, van oordeel dat de inrichtingsarts zorgvuldig heeft gehandeld. De door klager geuite klachten vormen zonder meer nog geen reden voor een contra‑indicatie voor een MPC. Klagers verzoek is meerdere keren besproken en aan hem is uitgelegd waarom er geen contra‑indicatie voor een MPC is afgegeven.
Aan klager is in de PI Middelburg in de periode 2019/2020 wel een contra-indicatie voor een MPC afgegeven. Uit het medisch dossier volgt niet dat de inrichtingsarts contact heeft opgenomen met de medische dienst van de PI Middelburg. De klacht betreft de periode eind 2023 tot en met begin 2024. Gelet op de tijd die sinds de eerder afgegeven contra‑indicatie is verstreken, kan de omstandigheid dat geen navraag in de vorige PI is gedaan, niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.
Dat klager met een roker op een MPC is geplaatst, betreft niet het medisch handelen van de inrichtingsarts. De directeur beslist of en, zo ja, met wie een gedetineerde op een MPC verblijft.
Gelet op het voorgaande kan het handelen van de inrichtingsarts niet worden aangemerkt als in strijd met de norm zoals bedoeld in artikel 71f, derde lid, onder a. of b., van de Penitentiaire beginselenwet. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 14 januari 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, drs. M.I. van den Baar-Vroon en drs. N.C.J.A.M. Kochx, leden, bijgestaan door mr. A. de Groot, secretaris.
secretaris voorzitter