Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 22/30149/GB, 7 maart 2023, beroep
Uitspraakdatum:07-03-2023

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer    22/30149/GB
    
            
Betreft    [klager]
Datum    7 maart 2023


Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

1. De procedure
Klager heeft een verzoek gedaan tot deelname aan een penitentiair programma (PP). 

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft dat verzoek op 27 oktober 2022 afgewezen.

Klagers raadsman, mr. Y. Quint, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Klager kan zich niet verenigen met de conclusies en onderbouwing van de reclassering ten aanzien van de risico’s bij deelname aan een PP.

In het kader van het (gemiddeld tot hoge) recidiverisico wordt verwezen naar klagers veroordelingen voor gewelds- en vermogensdelicten en verboden wapenbezit. Klager is in 2019 veroordeeld voor bezit van een vuurwapen. De overige veroordelingen voor wapenbezit zijn relatief gering in ernst en omvang. Klager is veroordeeld voor twee eenvoudige mishandelingen, in 2011 (geldboete) en 2018 (drie weken gevangenisstraf). In 2007 en 2009 is klager drie keer veroordeeld voor vermogensdelicten. Overige feiten zijn langer dan vijftien jaar geleden en speelden bij de kinderrechter. Van een “inbedding in het criminele circuit” is geen sprake en dit kan ook niet worden gebaseerd op klagers justitiële documentatie. De justitiële documentatie kan op zichzelf geen reden vormen om klagers verzoek af te wijzen (vergelijk RSJ 7 oktober 2019, R-19/4347/GV).

Voor het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt gewezen op ‘eerdere ervaringen binnen toezicht’ en een werkstraf in combinatie met een lage responsiviteit. Een en ander wordt niet nader onderbouwd. Klager heeft tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een joint gerookt, maar daar heeft het Openbaar Ministerie (OM) niet zwaar aan getild. Klager zou zich tijdens de schorsing schuldig hebben gemaakt aan het plegen van een nieuw strafbaar feit, maar hij is vrijgesproken van de feiten waar het om ging. Het OM is daartegen niet in hoger beroep gegaan. Het klopt dat klager een werkstraf niet heeft uitgevoerd, maar in plaats daarvan heeft hij de vervangende hechtenis uitgezeten. Dit enkele feit kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een gemiddeld tot hoog risico op onttrekking aan voorwaarden. Tijdens een eerdere schorsingsperiode heeft klager laten zien dat hij zich wel langere tijd aan voorwaarden kan houden.

Klager heeft gedurende zijn detentie 90% goed gedrag vertoond. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de opgelegde disciplinaire straffen in de weg zouden staan aan klagers deelname aan een PP. Er wordt gerefereerd aan een straf voor het bezit van een kleine hoeveelheid hasj op cel en een straf voor het (eenmaal) weigeren van de arbeid. Klager heeft bovendien van het personeel te horen gekregen dat de disciplinaire straffen onterecht zijn opgelegd. Klager heeft gevraagd om een schriftelijke bevestiging hiervan.

De houding van klager en zijn psychosociaal functioneren zijn gekwalificeerd als ‘zorgelijk’, maar dit is niet nader onderbouwd.

Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.

Standpunt van verweerder
Verweerder citeert een gedeelte uit het reclasseringsadvies. Het is zeer de vraag in hoeverre klager in staat is om los te komen van zijn criminele verleden. Het is extra zorgelijk dat klager tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is aangehouden in een pand waar diverse (hard)drugs zijn aangetroffen. Uit het vonnis van de rechtbank volgt dat klager wist van de aanwezigheid van hennep in het pand. Verweerder ziet voldoende grond voor het aannemen van een gemiddeld tot hoog recidiverisico. Dit vormt een contra-indicatie voor deelname aan een PP.

Klager heeft bekend dat hij tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een joint heeft gerookt. Daarmee heeft hij een van de voorwaarden overtreden. In dat verband is ook van belang dat klager tijdens zijn detentie meerdere positieve urinecontroles heeft gehad en dat bij hem (op 2 juni 2022) softdrugs zijn aangetroffen. Klager blijft van mening dat hij geen hulp en ondersteuning nodig heeft en dat hij zelfstandig na zijn detentie een positieve wending aan zijn leven kan geven. Verweerder deelt echter de zorgen van de reclassering over klagers responsiviteit en de mate waarin hij kan omgaan met de vrijheden en verantwoordelijkheid die aan de deelname aan een PP zijn verbonden.

Het OM heeft op 6 december 2022 beslist dat met ingang van 16 januari 2023 aan klager voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI) wordt verleend. Klager zal gedurende de proeftijd van een jaar (opnieuw) de gelegenheid krijgen om zich te bewijzen en te laten zien dat hij een positieve wending kan geven aan zijn leven.

3. De beoordeling
Klager is sinds 6 augustus 2021 gedetineerd. Hij onderging een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek, wegens overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie en witwassen. Op dit moment ondergaat hij de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. De einddatum van klagers detentie is momenteel bepaald op 17 maart 2023.

De wet- en regelgeving
Op grond van artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) en artikel 7 van de Penitentiaire maatregel komt een gedetineerde in aanmerking voor deelname aan een PP, indien:
-    aan hem een (combinatie van) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf(fen) van (in totaal) minstens zes maanden en hoogstens een jaar is opgelegd;
-    hij nog hoogstens een zesde deel van zijn vrijheidsstraf(fen) moet ondergaan;
-    hij een strafrestant heeft van minimaal vier weken;
-    hij een aanvaardbaar verblijfadres heeft;
-    hij zich bereid heeft verklaard om zich te houden aan de voorwaarden van het PP.

Op grond van deze artikelen spelen ook de volgende aspecten een rol:
-    de aard, zwaarte en achtergrond van het gepleegde delict;
-    de mate waarin en de manier waarop de gedetineerde goed gedrag heeft laten zien;
-    de mogelijkheid om eventuele risico’s die aan de vrijheden zijn verbonden te beperken en te beheersen;
-    de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen;
-    de inspanningen die de gedetineerde heeft geleverd om de schade te vergoeden die het strafbare feit heeft veroorzaakt;
-    de mate van onzekerheid over de datum van invrijheidstelling;
-    eventuele andere omstandigheden die zich tegen deelname verzetten.

Gelet op het overgangsrecht gelden andere termijnen voor een gedetineerde die vóór 1 december 2021 onherroepelijk is veroordeeld of van wie de voorlopige hechtenis vóór 1 december 2021 is aangevangen. In dat geval geldt op grond van artikel 4 (oud) van de Pbw dat de gedetineerde in aanmerking komt voor deelname aan een PP, indien:
-    aan hem een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van tenminste zes maanden is opgelegd;
-    hij vijf zesde deel van de opgelegde vrijheidsstraf heeft ondergaan;
-    hij een strafrestant heeft van minimaal vier weken en maximaal een jaar.

De bestreden beslissing
Verweerder heeft klagers verzoek tot deelname aan een PP afgewezen, gelet op klagers delictverleden, de gemiddeld tot hoge risico’s, het feit dat klager zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis niet aan de voorwaarden heeft gehouden en het feit hij in 2022 nog twee keer disciplinair is gestraft.

De overwegingen van de beroepscommissie
Klager is veroordeeld voor bezit van een stroomstootwapen, munitie (kogelpatronen), XTC, cocaïne en MDMA. Deze feiten heeft hij gepleegd tijdens de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is klager aangehouden in een woning waar zich (hard)drugs bevonden. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld tot hoog. Zij heeft dit niet alleen gebaseerd op klagers justitiële documentatie, maar ook op een gesprek met klager en andere relevante factoren. In het reclasseringsadvies staat vermeld dat klager “erkent jarenlang actief te zijn geweest binnen een crimineel drugsmilieu”. Klager is in detentie in totaal drie keer disciplinair gestraft in verband met drugsbezit of -gebruik, waarvan het meest recent in juni 2022.

Eerdere reclasseringstoezichten van klager verliepen volgens de reclassering niet altijd soepel. Uit de informatie van de politie volgt daarnaast dat op het opgegeven verblijfadres twee personen wonen met antecedenten met betrekking tot bezit van harddrugs en witwassen. 

Gelet op voorgaande omstandigheden begrijpt de beroepscommissie dat verweerder te grote zorgen heeft, als gevolg van de aard van de gepleegde delicten, in combinatie met de risico's die aan klagers PP zijn verbonden en de (te) beperkte mogelijkheden om die te beperken en te beheersen. Daarom kan de bestreden beslissing – bij afweging van alle in aanmerking komende belangen – niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is op 7 maart 2023 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. C. Fetter, voorzitter, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. M.F.A. van Pelt, leden, bijgestaan door mr. P. de Vries, secretaris.
 
 
secretaris    voorzitter
 

Naar boven