Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/24001/GV, 14 september 2022, beroep
Uitspraakdatum:14-09-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer    21/24001/GV
    
            
Betreft    [klager]
Datum    14 september 2022


Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

1. De procedure
De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft op 21 oktober 2021 klagers verzoek om kortdurend re-integratieverlof afgewezen.

Klager heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman mr. M. de Reus en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Klager heeft verzocht om kortdurend re-integratieverlof, omdat hij een van zijn kinderen wil erkennen met het oog op gezinshereniging en het bevorderen van de gezinsfunctionaliteit. Op het moment dat klager zijn verlofaanvraag deed, voldeed zijn verzoek aan de voorwaarden en waren de adviezen van onder meer de directeur van de locatie Norgerhaven te Veenhuizen positief. Na 1 oktober 2021 hebben er wijzigingen plaatsgevonden in de oude regelgeving, waardoor het sociaal netwerk geen gegronde reden meer was om kortdurend re-integratieverlof voor te verlenen. Verweerder heeft toen op indringende toon de directeur verzocht zijn eerder gegeven advies te herzien. 

Waar verweerder aangeeft dat er geen re-integratieplan aangeleverd is en dat onduidelijk is wat klagers re-integratiedoelen zijn, geeft dit blijk van een onzorgvuldige bestudering van het vrijhedenadvies. Bovenstaande informatie wordt hierin namelijk vermeld. Het kortdurend re-integratieverlof moet als doel hebben dat de gedetineerde in staat wordt gesteld om stapsgewijs zijn herintreding in de maatschappij te verwezenlijken, waarbij hij op een positieve en stimulerende wijze begeleid moet worden. De positieve adviezen dienen bij de beslissing een rol te spelen. Daarnaast staat in klagers detentie- & re-integratieplan (D&R-plan) in ieder geval per november het re-integratiedoel ‘contact familie’ opgenomen. 

Klager heeft gepoogd om zijn dochter in de inrichting te erkennen en had de daarvoor benodigde documenten aangeleverd. Op dat moment kon dit echter in de inrichting geen doorgang vinden, omdat ambtelijk bezoek in verband met de coronamaatregelen niet was toegestaan.

Standpunt van verweerder
Verweerder heeft bij beslissing van 27 december 2021 klagers verzoek tot kortdurend re-integratieverlof voor het voeren van een sollicitatiegesprek toegewezen. Dat eerste re-integratieverlof is goed verlopen, waardoor de directeur van de inrichting op grond van artikel 18, tweede lid, sub b., van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) thans bevoegd is om te beslissen op verzoeken om kortdurend re-integratieverlof. Dit maakt dat klager geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, omdat het niet kan leiden tot de door klager gewenste situatie. Verweerder is immers niet meer bevoegd om te beslissen op klagers verzoeken om kortdurend re-integratieverlof. Verzocht wordt klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep. 

3. De beoordeling
Klager is sinds 17 maart 2021 (in Nederland) gedetineerd. Hij ondergaat op dit moment een gevangenisstraf van zes jaar en vijf maanden met aftrek, wegens handelen in strijd met de Opiumwet. Daarnaast dient hij een gevangenisstraf van twee jaar te ondergaan. Volgens klagers registratiekaart zijn (de resterende gedeelten van) deze straffen op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties overgedragen aan de Nederlandse justitiële autoriteiten. De einddatum van klagers detentie is momenteel bepaald op 8 mei 2024.

Ontvankelijkheid
De omstandigheid dat verweerder een opvolgend verzoek van klager om kortdurend re-integratieverlof heeft toegewezen, waarna de bevoegdheid om te beslissen op de directeur van de inrichting is overgegaan, doet niet af aan de bevoegdheid van verweerder en klagers mogelijkheid daartegen beroep in te stellen (zie nader RSJ 1 juni 2022, 21/23867/GV). 

De beroepscommissie zal het beroep, gelet op het voorgaande, inhoudelijk beoordelen. 

De wet- en regelgeving
In artikel 15 van de Regeling staat dat re-integratieverlof alleen wordt verleend voor een re-integratiedoel dat is vastgelegd in het D&R-plan. Bij de beslissing tot het verlenen van re-integratieverlof, worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
-    de mate waarin en de manier waarop de gedetineerde, door zijn gedrag gedurende de gehele detentie, een bijzondere geschiktheid heeft laten zien voor een terugkeer in de samenleving;
-    de mogelijkheid om de risico’s die aan het verlof zijn verbonden te beperken en te beheersen;
-    de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen, in ieder geval met betrekking tot het eerste verzoek om onbegeleid re-integratieverlof (als de gedetineerde is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 51e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering);
-    de inspanningen die de gedetineerde heeft geleverd om de schade te vergoeden die het strafbare feit heeft veroorzaakt.

In artikel 19, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat kortdurend re-integratieverlof niet langer duurt dan noodzakelijk voor het realiseren van het doel waarvoor dit verlof wordt verleend en dat dit verlof begint en eindigt op dezelfde dag.

In het tweede en derde lid is bepaald vanaf welk moment een gedetineerde voor dit verlof in aanmerking komt (op basis van de hoogte van de opgelegde straf, het gedeelte dat hij heeft ondergaan en het gedeelte dat hij nog moet ondergaan). Volgens het vierde lid kan worden afgeweken van het tweede en derde lid, op grond van zwaarwegende redenen die zien op de re-integratie van de gedetineerde.

De bestreden beslissing
Klagers verzoek om kortdurend re-integratieverlof is afgewezen, omdat niet duidelijk is wat klagers re-integratiedoelen zijn en hoe het verlof bijdraagt aan zijn re-integratie. Klager ontvangt bezoek en van een noodzaak om zijn familie in het kader van dit verlof thuis te bezoeken is niet gebleken. Het aangeven van een kind kan ook schriftelijk gebeuren. 

De overwegingen van de beroepscommissie
De beroepscommissie stelt vast dat klager op grond van artikel 19, derde lid, van de Regeling in aanmerking kan komen voor kortdurend re-integratieverlof. 

Klager heeft verzocht om kortdurend re-integratieverlof voor het erkennen van een van zijn dochters en om dit daarna met zijn andere kinderen te vieren. De beroepscommissie stelt voorop dat bij een verzoek om kortdurend re-integratieverlof inzichtelijk moet worden gemaakt op welke wijze het kortdurend re-integratieverlof bijdraagt aan of in dienst staat van de re-integratiedoelen die in het D&R-plan van de betreffende gedetineerde zijn vastgelegd. Dit brengt met zich mee dat de re-integratiedoelen van de gedetineerde concreet moeten worden omschreven en dat duidelijk dient te zijn op welke manier wordt beoogd de betreffende re-integratiedoelen te bereiken. 

De beroepscommissie maakt uit klagers D&R-plan op dat ‘contact familie’ is opgenomen als re-integratiedoel. De hieruit voortvloeiende activiteiten betreffen bellen, contact via Skype en beeldbellen. Het erkennen van een van zijn dochters volgt niet als activiteit uit zijn D&R-plan en daarnaast is de beroepscommissie van oordeel dat onduidelijk is op welke wijze het erkennen van een van klagers dochters kan bijdragen aan zijn re-integratie in de samenleving. Dit is door klager niet onderbouwd. De beroepscommissie is dan ook van oordeel dat het erkennen van een van klagers dochters in dit geval geen reden is om kortdurend re-integratieverlof te verlenen. 

Ten overvloede merkt de beroepscommissie op dat het verlenen van kortdurend re-integratieverlof is bestemd voor re-integratieactiviteiten die niet binnen de muren van de inrichting kunnen worden verricht. Tegen deze achtergrond mag van klager worden verlangd dat hij toelicht waarom zijn persoonlijke aanwezigheid buiten de inrichting in redelijkheid noodzakelijk is om zijn re-integratiedoel te doen slagen. Uit de stukken maakt de beroepscommissie op dat klager klaarblijkelijk in een eerder stadium alle benodigde documenten heeft verzameld teneinde zijn dochter in de inrichting te kunnen erkennen. Klager geeft hierbij aan dat dit toen, vanwege de geldende coronamaatregelen, niet mogelijk was. Op grond van de stukken is de beroepscommissie dan ook van oordeel dat de noodzaak voor het verlaten van de inrichting op dit moment onvoldoende aannemelijk is geworden. 

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is op 14 september 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. D. van der Sluis, voorzitter, mr. A. Pahladsingh en mr. S. Djebali, leden, bijgestaan door mr. A. Back, secretaris.
 
 
secretaris    voorzitter
 

Naar boven