Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 22/26667/GB, 22 juni 2022, beroep
Uitspraakdatum:22-06-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer 22/26667/GB                     

Betreft [klager]

Datum 22 juni 2022

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

1. De procedure

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft op 9 maart 2022 beslist klager te plaatsen in het huis van bewaring (HVB) van de Penitentiaire Inrichting (PI) Ter Apel.

Klager heeft daartegen bezwaar ingesteld. Verweerder heeft op 24 maart 2022 het bezwaar ongegrond verklaard.

Klagers raadsman, mr. D. Fontein, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager beschikt niet over een rechtmatige verblijfsstatus en is daarvoor nog bezig met een beroepsprocedure. Het is dus niet zeker dat klager daadwerkelijk uitgezet zal worden. Mocht klager veroordeeld worden, dan zal hij een lange gevangenisstraf tegemoet zien. Het moment dat klager daadwerkelijk uitgezet zal worden, ligt dan ver in de toekomst. Zoals de beroepscommissie in een eerdere uitspraak al opmerkte, wordt het belang van een plaatsing van klager in de PI Ter Apel daarmee relatief gering (zie RSJ 1 juli 2021, 21/19437/GB).

Klagers persoonlijke omstandigheden zijn sinds voornoemde uitspraak niet gewijzigd. Klager vindt het bijzonder spijtig dat zijn vriendin en dochter nog niet op bezoek zijn geweest. Een reis met het openbaar vervoer is met een baby een flinke en kostbare onderneming, al helemaal in de tijd dat er de nodige beperkingen golden wegens het coronavirus. Klager videobelt wel elke dag met zijn vriendin en dochter. Een bezoek aan de PI Ter Apel zal met het openbaar vervoer veel moeilijker en duurder worden dan bijvoorbeeld een bezoek aan het Detentiecentrum (DC) Schiphol.

Tot slot was het beter geweest om te wachten met klagers daadwerkelijke overplaatsing naar de PI Ter Apel. De behandeling van klagers strafzaak staat gepland in juli 2022. Daarvoor zal klager nu verder moeten reizen.

Standpunt van verweerder

Naar aanleiding van de gegrondverklaring in klagers eerdere beroep (zie RSJ 1 juli 2021, 21/19437/GB), is klager overgeplaatst naar het DC Schiphol, zodat zijn vriendin en dochter op bezoek zouden kunnen komen. Na drie maanden in het DC Schiphol te hebben verbleven, heeft klager om dezelfde reden, het (makkelijker) kunnen ontvangen van bezoek van zijn vriendin en dochter, een overplaatsingsverzoek ingediend naar het Justitieel Complex (JC) Zaanstad. Dat verzoek is door verweerder afgewezen.

Klager heeft op 8 december 2021 een positieve beslissing ontvangen op zijn verzoek om relatiebevorderend bezoek (RBB) te mogen ontvangen. Als voorwaarde mocht klager geen rapport oplopen. Dit is wel gebeurd, op 20 december 2021, in verband met het invoeren van contrabande door zijn vriendin. Het RBB heeft daarom geen doorgang gevonden.

Hoewel klager aangeeft dat zijn vriendin niet genoeg financiële middelen heeft om klager te bezoeken, geeft zijn vriendin in een mail aan dat het DC Schiphol slechts acht kilometer van haar huisadres afligt. Bovendien was het kunnen ontvangen van bezoek van klagers vriendin de reden van de gegrondverklaring in RSJ 1 juli 2021, 21/19437/GB. Voornoemde kan daarom niet meer worden aangehaald als reden voor de overplaatsing vanuit de PI Ter Apel.

Daarnaast is klager nog niet veroordeeld, waardoor het belang om klager in de PI Ter Apel te plaatsen gering zou kunnen zijn. Dit hangt echter vaak nauw samen met het niet kunnen ontvangen van bezoek, door de lange reisafstand voor bezoekers. Nu klager zowel in het DC Schiphol als in de PI Lelystad geen bezoek heeft ontvangen, kan het niet ontvangen van bezoek geen reden tot overplaatsing meer vormen op dit moment. Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden waardoor klager in een andere PI dan de PI Ter Apel geplaatst zou moeten worden.

3. De beoordeling

Klager verbleef in het HVB van de PI Lelystad. Op 6 april 2022 is hij in het HVB van de PI Ter Apel geplaatst, omdat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en omdat hij in de inrichting waar hij verbleef (ook) geen bezoek bleek te ontvangen.

Op grond van artikel 20b, eerste lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) worden in een inrichting voor strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen (een VRIS-inrichting) gedetineerden geplaatst die geen rechtmatig verblijf hebben in Nederland (in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000) en die zijn gedetineerd op grond van:

-           voorlopige hechtenis (door een bevel van gevangenneming of gevangenhouding);

-           een vrijheidsstraf; of

-           een maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders.

Op grond van het derde lid van dit artikel kan hiervan worden afgeweken. Volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie moet daarvoor echter sprake zijn van uitzonderlijke omstandigheden.

De PI Ter Apel is op dit moment de enige reguliere VRIS-inrichting. Gesteld noch gebleken is dat klagers vreemdelingenrechtelijke beroepsprocedure met zich meebrengt dat hij, in afwachting van de uitkomst daarvan, rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Klager voldoet dus aan de eisen van artikel 20b, eerste lid, van de Regeling en moet dus in beginsel in de PI Ter Apel worden geplaatst.

De beroepscommissie heeft in een eerdere uitspraak geoordeeld dat de beslissing om klager in de PI Ter Apel te plaatsen onredelijk en onbillijk was, gelet op het feit dat hij hier geen bezoek kon ontvangen van zijn vriendin en pasgeboren dochter (zie RSJ 1 juli 2021, 21/19437/GB). Verweerder heeft vervolgens een nieuwe beslissing genomen en klager is op 16 juli 2021 conform zijn voorkeur overgeplaatst naar het DC Schiphol. Op 14 januari 2022 is klager op verzoek van de directeur van het DC Schiphol overgeplaatst naar de PI Lelystad, omdat er sprake was van een dreiging richting het personeel vanuit klager.

Klagers vriendin heeft aangegeven dat het DC Schiphol slechts acht kilometer van haar huisadres afligt. Desondanks is zij na de uitspraak van de beroepscommissie op 1 juli 2021 niet op bezoek geweest bij klager in het DC Schiphol. Daarbij komt dat klager op 20 december 2021 een disciplinaire straf opgelegd heeft gekregen, omdat hij met behulp van zijn vriendin een broek, met daarin verstopte cocaïne, wilde invoeren. Als gevolg daarvan mocht klagers vriendin gedurende drie maanden niet meer op bezoek komen. Dat klagers vriendin gedurende drie maanden niet op bezoek mocht komen, doet niets af aan het feit dat klagers vriendin vanaf juli 2021 tot medio december 2021 niet op bezoek is geweest bij klager (terwijl dit toen nog wel mocht). Hoewel de beroepscommissie op 1 juli 2021 van oordeel was dat dit niet aan klager tegengeworpen kon worden, gelet op het feit dat klagers vriendin in die periode eerst (hoog)zwanger was en vervolgens net was bevallen van hun dochter, gaat die redenatie in de huidige situatie niet meer op. Klager geeft daarover aan dat het, ondanks de geringe reisafstand, nog steeds een kostbare onderneming is voor klagers vriendin en dochter om op bezoek te komen. Het is de beroepscommissie dan ook niet duidelijk waarom klagers vriendin en dochter nu wel op bezoek zouden kunnen komen in bijvoorbeeld het DC Schiphol.

Wat klagers strafzaak betreft, geldt dat niet is gebleken dat klager door de overplaatsing naar de PI Ter Apel in zijn belang van een goede voorbereiding in zijn strafzaak wordt geschaad.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de beroepscommissie onvoldoende gebleken van uitzonderlijke omstandigheden. Bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing dan ook niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 22 juni 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. C. Fetter, voorzitter, F. van Dekken en mr. M.J. Stolwerk, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven