Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/23747/GV, 31 maart 2022, beroep
Uitspraakdatum:31-03-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          21/23747/GV

    

           

Betreft [klager]

Datum 31 maart 2022

 

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van […] (hierna: klager)

 

1. De procedure

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft op 7 oktober 2021 klagers verzoek om kortdurend re-integratieverlof afgewezen.

Klagers raadsman, mr. H. Külcü, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

In het gevangeniswezen lijkt men te veronderstellen dat kortdurend re-integratieverlof voor het herstellen en bevorderen van familierelaties niet mogelijk is. Uit Kamerstukken II 2020/21, 35 122 J, p. 5 blijkt echter het tegendeel. Klager kan inmiddels bijna deelnemen aan een penitentiair programma (PP), maar het verzoek om verlof om invulling te geven aan zijn ouderrol is afgewezen. In klagers detentie- & re-integratieplan (D&R-plan) wordt het herstel van de familierelatie als een belangrijk onderdeel genoemd. Klager voldeed aan alle voorwaarden.

 

Standpunt van verweerder

Klager heeft geen duidelijk re-integratiedoel opgesteld ten aanzien van zijn sociale netwerk. Daarnaast is onduidelijk wat hij tijdens zijn detentie al heeft ondernomen om te werken aan dit re-integratiedoel. Daardoor kan niet worden bekeken of een kortdurend re-integratieverlof op klagers huisadres op dit moment een logische stap is. Daarom ontbreekt de noodzaak voor dit verlof.

Voor zover klager zijn verzoek tevens had bedoeld als verzoek om incidenteel verlof om zijn moeder te bezoeken, omdat zij niet tot reizen in staat zou zijn (‘omgekeerd bezoek’), geldt het volgende. Dit verlof was ten tijde van het verzoek medisch geïndiceerd. Verweerder is hier echter aan voorbijgegaan, omdat klager alleen had verzocht om kortdurend re-integratieverlof. Verweerder heeft nogmaals contact opgenomen met de medisch adviseur bij de afdeling Individuele Medische Advisering (hierna: de medisch adviseur). Op dit moment acht de medisch adviseur het verlof niet meer medisch geïndiceerd.

3. De beoordeling

Klager is sinds 30 december 2020 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van vijftig maanden met aftrek, wegens overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens & munitie. De einddatum van klagers detentie is momenteel bepaald op 24 december 2022.

Klager heeft verzocht om kortdurend re-integratieverlof om – zo blijkt uit zijn motivatiebrief – te oefenen met vrijheden, zich te herenigen met zijn vrouw en kind en te zorgen voor zijn moeder die een zware operatie heeft ondergaan en door haar revalidatie niet in staat is om naar de inrichting te komen. In het kader van dit laatste doel is ook een advies opgevraagd bij de medisch adviseur.

Klagers verzoek is afgewezen, omdat niet is gebleken welk concreet re-integratiedoel klager heeft op het gebied van zijn sociale netwerk en wat hij al heeft ondernomen om dat doel te bereiken. Daarnaast zou klager ook in de inrichting contact kunnen onderhouden met zijn moeder, partner en kind.

De beroepscommissie stelt voorop dat, hoewel kortdurend re-integratieverlof primair is bedoeld voor het regelen van praktische zaken om de terugkeer in de samenleving voor te bereiden, het niet is uitgesloten dat voor het herstellen of onderhouden van familiebanden ook kortdurend re-integratieverlof wordt verleend.

Het dient inzichtelijk te worden gemaakt op welke wijze het verzochte kortdurend re-integratieverlof bijdraagt of in dienst staat van de re-integratiedoelen die in het D&R-plan van de betreffende gedetineerde zijn vastgelegd. Dit brengt mee dat zijn re-integratiedoelen concreet moeten worden omschreven en dat duidelijk dient te zijn langs welke weg wordt beoogd het betreffende re-integratiedoel te bereiken. Dat kan eventueel met behulp van een verlofschema, indien een gedetineerde op grond van eenzelfde re-integratiedoel vaker voor het verlenen van (kortdurend) re-integratieverlof in aanmerking komt (vergelijk Stcrt. 2021, 28357, p. 14-15). Het voorgaande is ook van betekenis voor de beoordeling van het eventuele beklag en/of beroep van de gedetineerde tegen de afwijzing van zijn verzoek om re-integratieverlof.

In klagers geval moet worden vastgesteld dat (een gedeelte van) zijn D&R-plan niet is overgelegd en dat in het vrijhedenadvies niets staat vermeld over zijn re-integratiedoelen. Dat betekent dat de hierboven bedoelde informatie ontbreekt, terwijl die voor de beoordeling van klagers verzoek noodzakelijk is. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat een bezoek aan klagers moeder (en overige familie) op dit moment niet bijdraagt aan zijn re-integratie of dat dit niet passend is in het beoogde re-integratietraject.

Hierbij wordt overwogen dat de omstandigheid dat klager ook in detentie contact kan onderhouden met zijn familie er op zichzelf niet aan in de weg hoeft te staan dat klager, in de laatste fase van zijn detentie, tijdens een (kortdurend) re-integratieverlof zijn familie bezoekt. De enkele overweging dat in detentie contact kan worden onderhouden, kan een afwijzing van klagers verzoek dan ook niet rechtvaardigen. Wel is in dit kader van belang of klager zich daadwerkelijk inspant om tijdens zijn detentie contact met zijn familie te onderhouden, door middel van bijvoorbeeld bezoek, bellen en/of het schrijven van brieven. Daaruit kan immers zijn motivatie voor zijn re-integratie(doelen) blijken, waardoor ook eerder sprake kan zijn van een logische, gefaseerde opbouw van vrijheden (vergelijk RSJ 11 maart 2022, 21/23091/GV). Het is op basis van de stukken echter niet duidelijk of hiervan sprake is.

Gelet op het voorgaande is de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren en de bestreden beslissing vernietigen. Zij zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing. Zij draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. Zij kent klager geen tegemoetkoming toe.

 

 

Deze uitspraak is op 31 maart 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. D.W.J. Vinkes, voorzitter, F. van Dekken en mr. D. van der Sluis, leden, bijgestaan door mr. P. de Vries, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven