Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/7905/GA, 8 juli 2022, beroep
Uitspraakdatum:08-07-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          R-20/7905/GA

    

           

Betreft [klager]

Datum 8 juli 2022

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

 

de directeur van de locatie Norgerhaven te Veenhuizen (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[…] (hierna: klager) heeft beklag ingesteld tegen een disciplinaire straf van zeven dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie, vanwege een bij een urinecontrole gemeten te hoge urinetemperatuur, ingaande op 25 maart 2020.

De beklagrechter bij de locatie Norgerhaven heeft op 17 augustus 2020 het beklag gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €52,50 (Nh 2020-000178). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft de directeur, klager en zijn raadsman mr. R.I. Kool in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

De beklagrechter heeft geoordeeld dat de door de locatie Norgerhaven voor de Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD) gehanteerde werkwijze voor de afname van urine niet dezelfde waarborgen biedt als de Regeling Urinecontrole penitentiaire inrichtingen (de Regeling), nu met een temperatuurmeting slechts een (weerlegbaar) vermoeden ontstaat dat de vloeistof direct door de gedetineerde in zijn eigen cel geproduceerde urine betreft. De onzekerheid waarop de beklagrechter doelt is echter minimaal, nu het – gelet op de middelen die gedetineerden tot hun beschikking hebben – praktisch onmogelijk is om de bewaarde urine precies op lichaamstemperatuur te krijgen. Bovendien heeft een personeelslid van de locatie Hoogvliet, waar dezelfde werkwijze voor het uitvoeren van urinecontroles wordt gehanteerd, te kennen gegeven dat het aantal pogingen tot fraude dankzij de nieuwe werkwijze fors lijkt terug te lopen vanwege de preventieve werking die ervan uitgaat. Uit de Staatscourant (1999, 128) volgt dat één van de uitgangspunten bij de vaststelling van de Regeling is dat de afname van urine ter wille van de bescherming van de gedetineerde op een zo discreet mogelijke wijze dient plaats te vinden. Nu gedetineerden met de nieuwe werkwijze in hun eigen cel kunnen urineren, vindt de afname op een meer menswaardige manier plaats. Gelet daarop biedt de door de locatie Norgerhaven voor de ISD gehanteerde werkwijze voor de afname van urine juist meer waarborgen dan de Regeling. Nu ook uit Penitentiaire beginselenwet (Pbw) volgt dat moet worden nagestreefd dat gedetineerden zo min mogelijk detentieschade lijden, lijkt de nieuwe werkwijze juist zeer geschikt. De wijziging van de wijze van uitvoeren van urinecontroles in de ISD is in het belang van de gedetineerden. Een afwijking van het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de Regeling lijkt onder deze omstandigheden alleszins redelijk en billijk, zeker ook nu deze nieuwe werkwijze voldoende betrouwbaar is.

 

Standpunt van klager

De beklagrechter heeft gemotiveerd dat in de Regeling minimumnormen worden gesteld aan urineafname in detentie. Indien daarvan wordt afgeweken, dienen daarbij dezelfde waarborgen als die de Regeling biedt in acht te worden genomen. Nog daargelaten dat de meting van temperatuur onvoldoende vermoeden oplevert dat de urine daadwerkelijk afkomstig is van de gecontroleerde gedetineerde, houdt deze werkwijze ook geen rekening met een natuurlijk verklaarbare afwijkende temperatuur. Klager heeft immers steeds gesteld dat hij bij de afname zeer waarschijnlijk een verhoogde lichaamstemperatuur had als gevolg waarvan de temperatuur van zijn urine eveneens verhoogd zou zijn en buiten de marge zou vallen. Zijn lichaamstemperatuur is evenwel niet gemeten.

Nu de toegepaste werkwijze voor de gedetineerde in nadelige zin afwijkt van de Regeling en het resultaat ook anders – zonder dat sprake was van fraude – kon worden verklaard, had het in de rede gelegen dat de directeur het resultaat had beoordeeld als ‘een vermoeden van fraude’ en klager nogmaals onder direct toezicht had laten urineren. Dit was (destijds) in de locatie Hoogvliet al gebruikelijk. Nu daartoe niet is overgegaan, is de beslissing om hem een disciplinaire straf op te leggen onvoldoende zorgvuldig. Namens klager wordt verzocht het beroep van de directeur ongegrond te verklaren en de uitspraak van de beklagrechter te bevestigen met dien verstande dat aan klager een tegemoetkoming van €70,- – in overeenstemming met de huidige standaardbedragen – wordt toegekend.  

 

3. De beoordeling

Opmerking vooraf

De beroepscommissie merkt allereerst op dat zij ernaar streeft om tijdig uitspraak te doen. Zij betreurt het dat de uitspraak op het onderhavige beroep door uiteenlopende omstandigheden zo lang op zich heeft laten wachten.

 

De procedure die de Regeling voorschrijft

De Regeling schrijft de wijze voor waarop een urinecontrole dient te worden uitgevoerd. In artikel 3 van de Regeling is de wijze voor afname van de urinemonsters beschreven. Hierin is, voor zover voor de beoordeling van het onderhavige beroep relevant, het volgende bepaald:

De gedetineerde urineert onder direct visueel toezicht van een ambtenaar of medewerker in een daartoe aan hem verstrekte opvangbeker. Indien de gedetineerde niet direct tot afgifte van de urine in staat is, wordt hij gedurende een periode van vier uur alsnog in de gelegenheid gesteld onder direct visueel toezicht urine af te staan. De gedetineerde verblijft gedurende deze periode bij voorkeur in een ruimte waarin geen mogelijkheden aanwezig zijn de resultaten van de analyse te beïnvloeden.

 

De gehanteerde procedure in de locatie Norgerhaven

De beroepscommissie begrijpt dat de procedure die in de locatie Norgerhaven op de ISD-afdeling wordt gevolgd, als volgt verloopt. De gedetineerde ontvangt de avond voor de urinecontrole een oproepformulier waarop is vermeld dat de volgende dag een urinecontrole zal worden uitgevoerd. De volgende ochtend ontvangt hij op het moment dat hij aangeeft te kunnen plassen een potje, dat hij zelf – in zijn eigen verblijfsruimte – dient te vullen met urine. Nadat de gedetineerde heeft geürineerd, dient hij dit direct te melden bij het afdelingspersoneel. Het afdelingspersoneel meet de temperatuur van de urine met behulp van een infraroodthermometer. De temperatuur van de urine dient tussen de 34 en 37,5 graden Celsius te zijn. Als de temperatuur van de urine buiten deze marge ligt, duidt dit erop dat de vloeistof geen recent geproduceerde urine betreft en dat sprake is van fraude. Er vindt dan geen nader urineonderzoek plaats.

De directeur is zich ervan bewust dat deze procedure afwijkt van de procedure die de Regeling voorschrijft, maar acht dit gerechtvaardigd nu het onder direct visueel toezicht van een medewerker afstaan van urine een aantasting van de privacy van de gedetineerde vormt.

 

Het oordeel van de beroepscommissie    

Niet weersproken is dat de procedure die in de locatie Norgerhaven op de afdeling waar klager verblijft is toegepast voor de afname van urine in het kader van een urinecontrole, afwijkt van de procedure die de Regeling – in het bijzonder artikel 3 – voorschrijft. Zo vinden het urineren en het afstaan van de urine niet plaats onder direct visueel toezicht van een ambtenaar of medewerker, maar in de eigen verblijfsruimte zonder toezicht van personeel. Bovendien verblijft de gedetineerde die niet direct tot afgifte van urine in staat is niet in een ruimte waarin geen mogelijkheden aanwezig zijn om de resultaten van de analyse te beïnvloeden, maar – zoals gezegd – in de eigen verblijfsruimte.

Uit de toelichting op artikel 3 van de Regeling  volgt – voor zover hier relevant – het volgende:

“De in dit artikel omschreven procedure bevat instructie en waarborgnormen voor een zorgvuldige afname van de urine, teneinde vergissingen zoveel mogelijk uit te sluiten.

(…)

Het derde lid bepaalt dat de afname in alle omstandigheden geschiedt onder direct visueel toezicht van een personeelslid. Op grond van artikel 30, tweede lid, juncto artikel 29, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet wordt het onderzoek op een besloten plaats en, voor zover mogelijk, door personen van hetzelfde geslacht als de gedetineerde verricht. Indien een gedetineerde niet direct na de oproep (voldoende) urine kan afstaan, dient hij alsnog gedurende een periode van vier uur in de gelegenheid te worden gesteld onder direct visueel toezicht urine af te staan. Teneinde mogelijkheden tot beïnvloeding van de uitslag te beperken, waaronder de inname van grote hoeveelheden vocht, verblijft de gedetineerde gedurende deze periode bij voorkeur in een ruimte alwaar geen mogelijkheden aanwezig zijn de controle te beïnvloeden. Dit zal in het algemeen betekenen dat de gedetineerde gedurende deze periode in een observatiecel wordt geplaatst.”     

De in de Regeling gegeven voorschriften strekken ertoe een zorgvuldig onderzoek te waarborgen. De wijze waarop de directeur de urinecontrole bij klager heeft uitgevoerd is in strijd met artikel 3 van de Regeling, nu klager niet onder direct visueel toezicht van een personeelslid urine heeft afgestaan en daartoe ook niet in de gelegenheid is gesteld. In de toelichting op deze bepaling zoals hiervoor weergegeven is opgenomen dat de afname in alle omstandigheden onder dergelijk toezicht dient te geschieden. Nu de door de directeur gehanteerde procedure voor het uitvoeren van de urinecontrole in strijd is met de Regeling, had de directeur niet tot het opleggen van een disciplinaire straf mogen overgaan.    

De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren en de uitspraak van de beklagrechter bevestigen met wijziging van de gronden. Van toekenning van een hogere tegemoetkoming – zoals namens klager is verzocht – kan geen sprake zijn, nu klager geen beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de beklagrechter.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter met wijziging van de gronden.

 

 

Deze uitspraak is op 8 juli 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. S. Djebali, voorzitter, F. van Dekken en mr. D.W.J. Vinkes, leden, bijgestaan door

Y.L.F. Schuren, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven