Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 07/1604/TR, 25 september 2007, beroep
Uitspraakdatum:25-09-2007

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 07/1604/TR

betreft: [klager] datum: 25 september 2007

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een via de beklagcommissie bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een beslissing van 10 mei 2007 van de Staatssecretaris van Justitie, verder te noemen de Staatssecretaris,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Ter zitting van de beroepscommissie van 28 augustus 2007, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Amsterdam, zijn gehoord klager, bijgestaan door mr. S. Bosma, kantoorgenoot van klagers raadsman mr. N.A. Heidanus, en namens de Staatssecretaris [...].
Als toehoorder namens de Staatssecretaris was daarbij aanwezig [...].

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Staatssecretaris heeft de machtiging tot het verlenen van begeleid verlof ingetrokken.

2. De feiten
Klager is bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak van 18 februari 2003 veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar onvoorwaardelijk, met aftrek, en ter beschikking gesteld (tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege. Klagers tbs is
op 17 juni 2003 aangevangen. Sinds 23 augustus 2004 verblijft klager in FPC Oldenkotte te Rekken (hierna: Oldenkotte). Op 17 juli 2006 heeft Oldenkotte de Minister van Justitie (Minister) verzocht om een machtiging voor het verlenen van begeleid verlof
in het kader van resocialisatie. De Minister heeft de machtiging met een geldigheidsduur van een jaar op 21 september 2006 verleend. Op 20 maart 2007 heeft Oldenkotte de Staatssecretaris verzocht de verlofmachtiging te verlengen, niet meer in het kader
van resocialisatie maar op basis van humanitaire overwegingen. Vervolgens heeft Oldenkotte op 27 april 2007 de Staatssecretaris verzocht de verlofmachtiging in te trekken. De Staatssecretaris heeft op 10 mei 2007 de verlofmachtiging ingetrokken.

3. De standpunten
Klager is het niet eens met de intrekking van de verlofmachtiging. Reden voor de intrekking is geweest dat klager positief op gebruik van cannabis is bevonden en regelmatig randpsychotische verschijnselen heeft vertoond, maar dit is voor hem
onbegrijpelijk. Deze door Oldenkotte genoemde omstandigheden waren reeds aanwezig voordat de verlofverlening was gestart en kunnen dan ook geen rechtvaardiging voor intrekking bieden. Klager is immers vanaf oktober 2006 overeenkomstig het verlofplan
begeleid verlof verleend, ondanks het feit dat hij in september en december 2005 alsmede in januari en juni 2006 positief op gebruik van cannabis is bevonden en ondanks het feit dat in de zomer van 2006 is geconstateerd dat hij randpsychotisch was.
Klager stelt zich welwillend en coöperatief op ten aanzien van zijn behandeling. De verloven zijn telkens goed verlopen. Nimmer heeft hij een voorwaarde of afspraak tijdens verlof geschonden. Tijdens de verloven is hij bovendien begonnen met herstel en
opbouw van contact met zijn zoon. Klager wil af en toe een jointje kunnen roken. Afspraak was dat hij niet naar buiten kon als hij positief op druggebruik werd bevonden en dat hij weer naar buiten mocht als de drugscontrole negatief was.
Klager weet zeker dat zijn verlof is ingetrokken vanwege het incident in Enschede. Alle verloven van patiënten van Oldenkotte zijn ingetrokken en heroverwogen. Een flink aantal patiënten, onder wie klager, heeft nimmer verlof teruggekregen. Klager
heeft
totaal geen schuld aan de verlofintrekking en wordt nodeloos door het incident in Enschede gedupeerd en benadeeld. De beslissing van de Staatssecretaris is onredelijk en onbillijk, nu deze een sterk politiek gemotiveerd ad hoc-karakter heeft en is
gebaseerd op algemene beleidsoverwegingen
De beslissing dient derhalve te worden vernietigd. De Staatssecretaris dient te worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Voorts dient klager een passende financiële tegemoetkoming te worden toegekend voor het ten onrechte niet kunnen genieten
van zijn begeleide verloven.

De Staatssecretaris heeft de bestreden beslissing als volgt toegelicht.
De verleende machtiging is op verzoek van Oldenkotte ingetrokken. Het is juist dat in maart 2007 verloven van patiënten van Oldenkotte zijn heroverwogen naar aanleiding van het incident in Enschede. In klagers geval liggen echter individuele
omstandigheden ten grondslag aan de intrekking van de verlofmachtiging. Het klopt dat klager verlof is verleend nadat hij eerder vier keer positief op druggebruik was bevonden. Maar de directe aanleiding voor Oldenkotte om het verzoek tot intrekking
van
de verlofmachtiging in te dienen, ligt in de omstandigheid dat klager op 24 april 2007 opnieuw positief op cannabisgebruik is bevonden, alsmede dat Oldenkotte geen behandelingsmogelijkheid meer ziet op dit punt, dat wel belangrijk is omdat klager door
druggebruik psychotisch kan worden. Klager is en blijft echter van mening dat softdruggebruik niet van invloed is op het ontstaan en in stand houden van psychoses. Klager is wel welwillend en er gaan dingen goed, maar hij stelt zich passief op en ziet
softdruggebruik, in tegenstelling tot Oldenkotte, niet als een probleem. Oldenkotte ziet niet meer hoe verlof verantwoord kan worden verleend en hoe behandeling op dit punt verder nog zou kunnen plaatsvinden. Oldenkotte zal klager dan ook voor
herselectie gaan voordragen.
Het beroep zal derhalve ongegrond moeten worden verklaard.

4. De beoordeling
De beslissing om de machtiging tot het verlenen van begeleid verlof in te trekken is naar het oordeel van de beroepscommissie in het onderhavige geval niet in strijd met de wet en kan, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, evenmin als
onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. De beslissing is immers genomen op uitdrukkelijk verzoek van Oldenkotte van 27 april 2007 wegens het volharden van klager in softdruggebruik in april 2007 en het niet inzien van het belang van het niet
gebruiken van softdrugs, terwijl dit door Oldenkotte als een belangrijk behandeldoel wordt gezien. Bij de aanvraag van de verlofmachtiging van 17 juli 2006 heeft Oldenkotte al aangegeven dat gebruik van onder meer softdrugs een delictgerelateerde
factor
in de diagnostiek van klager is, dat zijn zuchtigheid naar softdrugs een belemmerende factor in de behandeling is, maar dat klager heeft deelgenomen aan de Libermanmodule “omgaan met verslaving” en dat de verwachting is dat door begeleid verlof de
compliance van klager met de behandeling zal toenemen. Als verlofvoorwaarde is opgenomen dat klager geen middelen, waaronder softdrugs, gebruikt. In de heroverweging begeleid verlof van 20 maart 2007 is vervolgens aangegeven dat klager in februari 2007
positief op cannabisgebruik is bevonden en dat na zorgvuldige afweging is besloten te verzoeken het begeleide verlof voort te zetten uitsluitend op basis van humanitaire overwegingen. In het verlengingsadvies van 5 april 2007 is aangegeven dat klager
niet als betrouwbaar wordt gezien vanwege het feit dat hij in februari 2007 is betrapt op softdruggebruik en dit gebruik heeft ontkend ondanks de omstandigheid dat de postieve uitslag bij contra-expertise is bevestigd. Verder is daarin aangegeven dat
klager nog steeds van mening is dat softdrugsgebruik niet van invloed is op het ontstaan en in stand houden van zijn psychoses en dat hij drugs zal gebruiken als hij daartoe in de gelegenheid is.
Nu Oldenkotte vanwege klagers voortdurende druggebruik geen mogelijkheid meer ziet voor verantwoorde verlofverlening en behandeling op dit punt, heeft de Staatssecretaris in redelijkheid op verzoek van Oldenkotte de verlofmachtiging kunnen intrekken.
Klagers stelling dat dit uitsluitend van doen heeft met het incident in Enschede vindt in het licht van het vorenstaande onvoldoende grond in de stukken en het verhandelde ter zitting.
Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. A.M. van Woensel, voorzitter, mr. H. Heijs en mr. drs. T.A.M. Louwe, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W. Bevaart, secretaris, op 25 september 2007

secretaris voorzitter

Naar boven