Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/20116/TA, 03 augustus 2021, beroep
Uitspraakdatum:03-08-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          21/20116/TA

           

Betreft [klager]

Datum 3 augustus 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen:

a.  de beslissing van 2 december 2020 tot oplegging van een maatregel van afzondering (HK 2020/115);

b.  de beslissing van 14 december 2020 tot overplaatsing naar een individuele afdeling

(HK 2020/118);

c.  de beslissing van 28 december 2020 tot verlenging van de maatregel van afzondering (HK 2021/002).

De beklagcommissie bij FPC Van der Hoeven Kliniek te Utrecht (hierna: de instelling) heeft op 18 februari 2021 beklagonderdeel a formeel gegrond en materieel ongegrond verklaard, klager niet-ontvankelijk verklaard in beklagonderdeel b en beklagonderdeel c ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. J.P.C.M. van Es, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en […], plaatsvervangend hoofd van de instelling en […], juridisch medewerker, via een videoverbinding gehoord op de zitting van 23 juni 2021 op het secretariaat van de RSJ. Het hoofd van de instelling heeft op verzoek van de beroepscommissie nog nadere stukken overgelegd. Klager en zijn raadsman zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Op 29 juni 2021 is een reactie van klagers raadsman ontvangen. Het hoofd van de instelling is een termijn gegeven voor een nadere reactie. Hierop is geen reactie ontvangen.

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

De beklagcommissie is ten onrechte uitgegaan van de lezing van de instelling over wat zich heeft voorgedaan. Deze lezing is in hoofdzaak gebaseerd op hetgeen medepatiënten daarover hebben medegedeeld, zonder dat de instelling enig nader onderzoek heeft gedaan naar het waarheidsgehalte van deze mededelingen. Klager ontkent dat hij (seksueel) grensoverschrijdend gedrag heeft getoond. De medepatiënte is op 28 november 2020 kort op klagers kamer geweest waar zij alleen kort met elkaar hebben gesproken. De medepatiënte wilde dat klager allerlei zaken voor haar en voor derden zou halen: sigaretten, donuts en blikjes energy drank. Klager wilde hier niet aan meewerken. 

Het verhaal over wat zich zou hebben voorgevallen, is gaandeweg gewijzigd. In de beslissing van 2 december 2020 is te lezen dat klager de medepatiënte de uitgang uit haar kamer zou hebben belet en dat er een vermoeden zou zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag. In het verzoek om verlenging van 24 december 2020 wordt stellig betoogd dat klager zich te buiten is gegaan aan de handelingen waarvan hij (ten onrechte) wordt beschuldigd. Dat ontremde gedrag wordt nu ook regeloverschrijdend genoemd. Bovendien is sprake van nog niet eerder genoemde details. Klager zou aan zijn geslachtsdeel hebben gezeten, in het openbaar en in de gootsteen en in het eten hebben gespuugd, vrouwonvriendelijke uitspraken hebben gedaan, groepsgenoten onder druk hebben gezet en aangegeven te willen weglopen. Ook deze beschuldigingen worden door klager ontkend. Deze beschuldigingen zijn afkomstig van een groep patiënten die klager in een kwaad daglicht willen stellen. Klager meent dat het spugen in de gootsteen niet onsmakelijk is.

Klager is de facto maandag 30 november 2020 in de herstelkamer geplaatst. Hij ontving pas enkele dagen later bericht over de afzondering. De afzondering is dus eerder aangevangen dan uit de schriftelijke mededeling blijkt. Het verhaal van de medepatiënte klopt niet. Klager heeft niet aan zijn geslachtsdeel gezeten. Klager is overigens niet de enige verpleegde die door de betreffende medepatiënte is misbruikt en onder druk is gezet. Zij heeft gelogen tegenover het team en is niet betrouwbaar.

De aangifte dateert van 15 februari 2021 en er heeft die maand ook een gesprek plaatsgevonden met de politie dat niets heeft opgeleverd.

Klager mag dan wel overgeplaatst zijn naar een afdeling die niet kan worden aangemerkt als een intensieve zorgafdeling, zijn rechten door deze interne overplaatsing zijn beperkt. Op grond hiervan meent klager dat hij in zijn beklag had moeten worden ontvangen. Klager verwijst naar de uitspraak RSJ 22 juli 2008, 08/1770/STA.

De nader door de instelling overgelegde schriftelijke mededeling afzondering komt klager in het geheel niet bekend voor. Klager kan zich het horen alsmede het uitreiken van een schriftelijke mededeling twee dagen laten niet herinneren. Een handtekening van klager voor ontvangst ontbreekt. Uit de schriftelijke mededeling blijkt op geen enkele wijze dat het gaat om de verlenging van de afzondering en dat die na verkregen toestemming van het ministerie is opgelegd. De ingangsdatum ontbreekt en de periode waarvoor de maatregel geldt. Ook ontbreekt een motivering waarvoor de afzondering noodzakelijk wordt geacht.

Standpunt van het hoofd van de instelling

Op 30 november 2020 was nog geen sprake van een afzondering. Klager is op 1 december 2020 na het avondeten ingesloten op zijn kamer en op 2 december 2020 afgezonderd. Uit het verhaal van de medepatiënte kwam naar voren dat sprake was van seksueel grensoverschrijdend gedrag van klager. De instelling heeft dit als een ernstige zaak opgevat. Aan het gedrag van klager was ook merkbaar dat het minder goed met hem ging. Klager is overgeplaatst naar een andere afdeling. Deze individuele afdeling is geen afdeling voor intensieve zorg.

3. De beoordeling

a.

Hetgeen in beroep is aangevoerd inzake beklagonderdeel a kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagcommissie. Gelet op de beschuldiging van seksueel grensoverschrijdend gedrag door klager alsmede zijn gedrag en houding op de leefgroep, heeft het hoofd van de instelling in redelijkheid kunnen besluiten tot het plaatsen van klager in afzondering. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

b.

Ter zitting van de beroepscommissie heeft het hoofd van de instelling desgevraagd bevestigd dat de individuele afdeling waar klager op 14 december 2020 naar is overgeplaatst, geen afdeling voor intensieve zorg betreft als bedoeld in artikel 32 van de Bvt. Gelet hierop en artikel 56 van de Bvt heeft de beklagcommissie op goede gronden en met juistheid klager niet-ontvankelijk in zijn beklag verklaard. Klager heeft in beroep aangevoerd dat hij door de interne overplaatsing wordt beperkt in zijn rechten en dat hij op grond hiervan in zijn beklag had moeten worden ontvangen. Klager verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar RSJ 22 juli 2008, 08/1770/STA. Die zaak betrof een interne overplaatsing naar de toenmalige afdeling Grittenveld dat onderdeel uitmaakte van de PI De Grittenborgh. In uitspraak RSJ 19 december 2007, 07/155/TA heeft de beroepscommissie gewezen op het regime op deze afdeling die in sterke mate afweek van het regime in een reguliere tbs-instelling. Voor zover klager meent dat zijn plaatsing op de individuele afdeling hiermee vergelijkbaar is, kan hij hierin niet worden gevolgd. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

c.

Op grond van artikel 54, eerste lid, onder a in verbinding met artikel 53, eerste lid onder b van de Bvt ontvangt de verpleegde onverwijld een schriftelijke mededeling van de afzonderingsmaatregel. De bestreden beslissing is op 28 december 2020 genomen en blijkens de aantekening in de schriftelijke mededeling op 30 december 2020 en derhalve niet onverwijld aan klager uitgereikt. Dit is een formeel gebrek op grond waarvan het beroep gegrond moet worden verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie zal in zoverre worden vernietigd en het beklag zal alsnog gegrond worden verklaard. De beroepscommissie zal aan klager een tegemoetkoming toekennen van €12,50. Aan de overige procedurele vereisten is voldaan. In het bijzonder acht de beroepscommissie aannemelijk dat klager voorafgaand is gehoord en hem de schriftelijke mededeling ook is uitgereikt. Dit laatste blijkt uit klagers klaagschrift van 31 december 2020 waarin wordt verwezen naar de schriftelijke mededeling.

Bij de stukken is gevoegd een bericht van 24 december 2020 aan klager. Bij dit bericht is een afschrift is gevoegd van de aanvraag van de instelling aan de Minister van Justitie en Veiligheid tot toestemming voor verlenging van de afzondering. Hierin wordt door de instelling uitgebreid ingegaan op de overwegingen klagers afzondering te verlengen. De beroepscommissie merkt op dat het beter was geweest als de instelling in de schriftelijke mededeling had verwezen naar dit eerder aan klager uitgereikt document of delen hiervan had opgenomen in de schriftelijke mededeling zelf. In de schriftelijke mededeling wordt nu enkel verwezen naar klagers plaatsing op de individuele afdeling. De beroepscommissie meent echter dat gelet op het eerder met hem gedeelde document hij bekend kan worden verondersteld met de overwegingen die ertoe hebben geleid de afzonderingsmaatregel te verlengen.

Inhoudelijk overweegt de beroepscommissie dat het hoofd van de instelling zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verlenging van de afzonderingsmaatregel noodzakelijk is. Het beroep zal daarom om inhoudelijke redenen ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake de beklagonderdelen a en b ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie met aanvulling van de gronden.

Zij verklaart het beroep inzake beklagonderdeel c wegens vormverzuim gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag wegens vormverzuim alsnog gegrond.

Zij verklaart het beroep op inhoudelijke redenen ongegrond.

Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €12,50.

 

Deze uitspraak is op 3 augustus 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. drs. F. Bruggeman en mr. E. Lucas, leden, bijgestaan door mr. R. Kokee, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven