Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 20/16795/GA, 30 maart 2021, beroep
Uitspraakdatum:30-03-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          20/16795/GA

               

Betreft [klager]

Datum 30 maart 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

De directeur van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van het Justitieel Complex (JC) Zaanstad (hierna: de directeur) heeft op 28 december 2020 beslist dat klager wordt verplicht tot het ondergaan van een onvrijwillige geneeskundige behandeling, als bedoeld in artikel 46d, aanhef en onder a, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) (hierna: a dwangbehandeling), voor de duur van drie maanden.

Klager heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft klager, […], plaatsvervangend directeur van het PPC van het JC Zaanstad, en […], psychiater, digitaal gehoord op de zitting van 19 maart 2021 in de rechtbank Utrecht.

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager wil geen dwangmedicatie. Wanneer iemand geen medicatie wil, mag die persoon niet gedwongen worden medicatie te nemen.

Standpunt van de directeur

Klager is bekend met agressieve impulsdoorbraken als gevolg van psychotische klachten in het kader van schizofrenie waarbij het gebruik van middelen zijn herstel ernstig in de weg heeft gezeten. Klager is in 2016 met zijn ouderlijk gezin gevlucht uit Syrië. Hoewel in de voorinformatie geen melding wordt gemaakt van traumatische ervaringen en klager hier niet over spreekt, kunnen deze vooralsnog niet worden uitgesloten. Nadat klager twee keer brand had gesticht in zijn cel en fysieke agressie naar het personeel had geuit, is hij vanuit het PPC van de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Zwolle overgeplaatst naar het PPC van het JC Zaanstad. Tijdens eerdere opnames laat klager kenmerken van een psychose zien. Zo is sprake van wanen met demonen of aliens, heeft klager last van opdracht gevende stemmen en spreekt en lacht hij in zichzelf. Vanuit zijn psychose is klager dreigend naar medegedetineerden en personeel, maakt hij wapens, doet hij aan automutilatie en laat hij suïcidaliteit zien. In het PPC van het JC Zaanstad heeft klager een medewerker een vuistslag in het gezicht gegeven. Aanvankelijk nam klager vrijwillig medicatie in waarna duidelijk verbetering zichtbaar was, maar inmiddels staat klager niet meer open voor antipsychotica. Klager toont geen ziektebesef en weigert iedere medicatie. Uit klagers voorgeschiedenis komt naar voren dat bij afbouw of het stoppen van antipsychotica een toename van psychotische symptomen en geweldsincidenten te zien is. De verwachting van de toepassing van een a-dwangbehandeling is dat klagers toestandsbeeld zal verbeteren en dat hij minder gevaar zal vormen voor zichzelf en anderen.

3. De beoordeling

Op grond van artikel 46e, in verbinding met artikel 46d, aanhef en onder a, van de Pbw kan de directeur beslissen tot het toepassen van een a-dwangbehandeling, indien aannemelijk is dat het gevaar dat de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap de gedetineerde doet veroorzaken, zonder die behandeling niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen.

De directeur heeft de beslissing om klager te verplichten tot het ondergaan van een a dwangbehandeling gebaseerd op de verklaringen van de behandelend psychiater van klager (in de vorm van een uittreksel van klagers behandelingsplan) en van een psychiater die meer dan een jaar niet bij de behandeling van klager betrokken is geweest, maar hem kort tevoren heeft bezocht. De directeur heeft deze verklaringen conform artikel 46e, tweede lid, van de Pbw overgelegd.

Uit de door de directeur verstrekte inlichtingen komt het volgende naar voren.

Klager is gediagnosticeerd met schizofrenie en ernstig gebruik van cannabis. Klager heeft een geschiedenis in de GGZ en in de afgelopen jaren hebben diverse geweldsincidenten naar anderen plaatsgevonden ten tijde van een psychotisch toestandsbeeld, zo ook in het PCC van de PI Zwolle en het PPC van het JC Zaanstad. Nadat klager in het PPC van de PI Zwolle meermaals brand had gesticht en herhaaldelijk agressief gedrag naar personeel en medegedetineerden had vertoond, is hij overgeplaatst naar het PPC van het JC Zaanstad. Alhier heeft klager een medewerker een vuistslag op het hoofd gegeven en heeft hij wederom brand gesticht waarbij hijzelf brandwonden heeft opgelopen. Verder maakt klager een oninvoelbare en manipulatieve indruk, en geeft hij weinig inzicht in zijn belevingswereld. Ook is meermaals automutilatie waargenomen bij klager. Zo slaat klager zichzelf, slaat hij zijn hoofd tegen het bureau en snijdt hij zichzelf met een scheermes. Daarnaast komen waanideeën naar voren zoals somatische opvattingen over innerlijke krachten (hij is een avatar die vuur kan maken met zijn handen) en het opnemen van energie van anderen via zijn ogen (hij kijkt anderen indringend aan). Zodoende bestaat gevaar voor klager zelf, het opwekken van agressie van anderen naar klager zelf, en agressie naar derden. Uit klagers voorgeschiedenis wordt duidelijk dat zijn gedrag verbetert onder antipsychotica en dat bij afbouw of stoppen met antipsychotica, sprake is van een toename van psychotische symptomen en geweldsincidenten. Nu klager aanhoudend psychotische symptomen laat zien en hij niet meer openstaat voor vrijwillige inname van antipsychotica, wordt dwangmedicatie noodzakelijk geacht om gevaarlijke situaties, voortkomend uit zijn stoornis, af te wenden. Gelet op de aard van de aan het gevaar ten grondslag liggende stoornis, zijn er geen alternatieven voor de noodzakelijke behandeling met een effectief antipsychoticum. Klager heeft in afzondering en in een individueel programma verbleven, maar dit zijn geen adequate alternatieven. Medicamenteuze behandeling op vrijwillige basis is niet bespreekbaar met klager. Van antipsychotica mag worden verwacht dat deze bijdragen aan het in ernst doen verminderen van klagers psychotische symptomen, en van daaruit leiden tot een minder dreigende en agressieve houding jegens zichzelf en anderen.

Gelet op het voorgaande stelt de beroepscommissie vast dat volgens de psychiaters bij klager sprake is van een psychische stoornis. Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat klager vanuit die stoornis gevaar veroorzaakt en dat, zonder een geneeskundige behandeling, het gevaar dat de psychische stoornis klager doet veroorzaken, niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat de gekozen dwangbehandeling voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de beslissing van de directeur om bij klager a dwangbehandeling toe te passen dan ook niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 30 maart 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. A. van Holten, voorzitter, mr.dr. P. Jacobs en drs. C.D. Witsenburg, leden, bijgestaan door mr. S.C. Vogel, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven