Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 05/2465/GM, 10 januari 2006, beroep
Uitspraakdatum:10-01-2006

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 05/2465/GM

betreft: [klager] datum: 10 januari 2006

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 30 van de Penitentiaire maatregel (Pm) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen medisch handelen door of namens de inrichtingsarts verbonden aan de penitentiaire inrichting (p.i.) Rijnmond te Rotterdam,

alsmede van de overige stukken, waaronder het verslag van 20 september 2005 van de bemiddeling door de medisch adviseur bij het ministerie van Justitie.

Ter zitting van de beroepscommissie van 6 december 2005, gehouden in de locatie Zoetermeer, is klager gehoord. De inrichtingsarts verbonden aan de p.i. Rijnmond heeft schriftelijk laten weten verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beroep
De klacht, zoals neergelegd in het door de medisch adviseur op 20 juli 2005 ontvangen verzoek om bemiddeling, betreft het verstrekken van een bril met een verkeerde correctiewaarden en de klachten daaromtrent niet serieus nemen.

2. De standpunten van klager en de inrichtingsarts
Klager heeft het volgende aangevoerd. Klager kreeg in april 2005 via de inrichting een nieuwe bril geleverd. Toen hij aangaf dat hij daar niet goed door kon zien, kreeg hij te horen dat hij er maar een weekje aan moest wennen. Dat lukte niet, klager
bleef alles scheef zien. Klager is nadien bij de oogarts geweest en deze gaf aan dat zijn bril niet goed was. De in de bril geplaatste glazen hadden een verkeerde correctiewaarde. Nadat klager bij de oogarts is geweest heeft hij geen contact meer gehad
met de opticien. Voor klager staat vast dat de betreffende bril door de opticien niet is gemaakt overeenkomstig het recept. Klager is van mening dat zijn zicht door deze problemen verslechterd is en dat de inrichtingsarts zijn klachten ten onrechte als
niet serieus heeft beoordeeld.

De inrichtingsarts heeft zijn standpunt, zoals ingenomen tegenover de medisch adviseur, niet nader toegelicht. Dit standpunt luidt als volgt.
Klager heeft nieuwe glazen aangemeten gekregen en kreeg daarbij het advies om de nieuwe bril – ter gewenning – tenminste één week te dragen. Binnen een week heeft hij de onderhavige klacht ingediend.

3. De beoordeling
De beroepscommissie stelt vast dat klager blijkens het medische dossier meerdere malen geklaagd heeft over de nieuwe bril en dan met name over de het feit dat hij daarmee niet goed zou kunnen zien, maar dat hij alles schuin zag door die bril. Inmiddels
is die bril door een oogarts onderzocht en deze heeft vastgesteld dat die bril niet voldeed. Dat maakt dat klager op zich terecht heeft geklaagd over de hem door de medische dienst verstrekte bril en over het feit dat het lang heeft geduurd alvorens er
daadwerkelijk actie is ondernomen om na te gaan of klagers bril inderdaad niet voldeed aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld. In zoverre is het handelen van de inrichtingsarts c.q. de medische dienst van de inrichting onzorgvuldig geweest.
De beroepscommissie is het voorgaande in samenhang en onderling verband bezien van oordeel dat het handelen van de inrichtingsarts moet worden aangemerkt als in strijd met de in artikel 28 Pm neergelegde norm. Het beroep zal derhalve gegrond worden
verklaard.

Klager dient deswege een tegemoetkoming te worden toegekend. De beroepscommissie zal de hoogte van die tegemoetkoming vaststellen op € 25,=.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond.
Zij bepaalt de aan klager ten laste van de p.i. Rijnmond toekomende tegemoetkoming op € 25,-.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. Chr.M. Aarts, voorzitter, drs. J.G.J. de Boer en drs. M.F. van Brederode - Zwart, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 10 januari 2006

secretaris voorzitter

Naar boven