Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 05/0591/GM, 22 juli 2005, beroep
Uitspraakdatum:22-07-2005

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 05/591/GM

betreft: [klager] datum: 22 juli 2005

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 30 van de Penitentiaire maatregel (Pm) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen medisch handelen door of namens de inrichtingsarts verbonden aan de Gevangenis Veenhuizen,

alsmede van de overige stukken, waaronder het verslag van 10 maart 2005 van de bemiddeling door de medisch adviseur bij het ministerie van Justitie.

Ter zitting van de beroepscommissie van 16 juni 2005, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Amsterdam, is gehoord klager met behulp van een tolk in de Duitse taal. De inrichtingsarts verbonden aan de Gevangenis Veenhuizen heeftschriftelijk laten weten verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beroep
De klacht, zoals neergelegd in de verzoeken om bemiddeling van 9 en 10 februari 2005 aan de medisch adviseur, betreft het bieden van onvoldoende medische zorg voor de rugklachten.

2. De standpunten van klager en de inrichtingsarts
Klager heeft zijn klacht als volgt toegelicht. De inrichtingsarts heeft zijn rugklachten niet serieus genomen en alleen gezegd dat hij te dik was. Volgens de inrichtingsarts is er niet veel bijzonders aan de hand en er zijn geenblokkades in de wervelkolom. De klachten in de rug worden volgens klager wel verzoorzaakt door blokkades in de wervelkolom. Klager had deze klachten al in Duitsland en tijdens zijn verblijf in het huis van bewaring te Roermond. Ditblijkt uit het medisch dossier uit Roermond. Klager verwijst naar twee door hem overgelegde kopieën van brieven van Duitse specialisten. Blokkades kan men niet op een röntgenfoto ontdekken omdat het niet om de stand van dewervelkolom gaat, maar om de beweeglijkheid van de wervels. De inrichtingsarts had hem op z’n minst door een orthopeed of een fysiotherapeut moeten laten onderzoeken. Zij hadden de blokkades direct kunnen vaststellen en kunnenbehandelen. Hij krijgt momenteel medicijnen tegen de hoofdpijn.

De inrichtingsarts heeft het volgende standpunt ingenomen. Van de (Duitse) orthopeed naar wie klager verwijst, is geen specifieke informatie ontvangen. Het lichamelijk onderzoek en het radiodiagnostisch onderzoek leveren geenafwijkende bevindingen op.

3. De beoordeling
Aannemelijk is geworden dat de inrichtingsarts in verband met de rugklachten van klager het nodige heeft gedaan. Klager is voor zijn klachten lichamelijk door de inrichtingsarts onderzocht en is verwezen naar de radioloog voorradiodiagnostisch onderzoek. Uit beide onderzoeken en overigens ook uit de door klager overgelegde brieven van Duitse specialisten, zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen van afwijkingen aan de rug.
De beroepscommissie is het voorgaande in samenhang en onderling verband bezien van oordeel dat het handelen van de inrichtingsarts niet kan worden aangemerkt als in strijd met de in artikel 28 Pm neergelegde norm. Dat de rugklachtenvan klager desondanks niet zijn weggenomen, maakt het handelen van de inrichtingsarts nog niet onzorgvuldig. Maatstaf is immers dat er voldoende zorg moet zijn verleend, hetgeen het geval is. Het beroep zal derhalve ongegrond wordenverklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. Chr.M. Aarts, voorzitter, drs. M.F. van Brederode-Zwart en prof.dr. W.J. Schudel, leden, in tegenwoordigheid van R. Kokee, secretaris, op 22 juli 2005.

secretaris voorzitter

Naar boven