Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 05/0418/GA, 7 juli 2005, beroep
Uitspraakdatum:07-07-2005

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Post  v

Uitspraak

nummer: 05/418/GA

betreft: [klager] datum: 7 juli 2005

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 21 februari 2005 van de beklagcommissie bij de locatie Noordsingel te Rotterdam,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 19 mei 2005, gehouden in de penitentiaire inrichtingen (p.i.) Amsterdam, is [...], unit-directeur bij de locatie Noordsingel gehoord.
Hoewel voor klagers vervoer naar de zitting was zorggedragen, heeft hij daarvan, zo blijkt uit de telefonische inlichtingen van het Bureau Selectie- en Detentiebegeleiding van de p.i. Rijnmond, geen gebruik willen maken.
Klager heeft het beroep bij brief van 12 juni 2005 nader toegelicht.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft het niet uitreiken van drie aan klager geadresseerde brieven, die door klagers vriendin in de zich in de bezoekruimte bevindende brievenbus zijn gedaan.

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Klager heeft zijn standpunt, zoals ingenomen tegenover de beklagcommissie, in beroep schriftelijk nader toegelicht. Een afschrift van die toelichting is aan deze uitspraak gehecht en de inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De directeur heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Tijdens de zitting van de beklagcommissie is door een collega van de directeur verklaard dat er in de bezoekruimte geen brievenbus voor de post voor gedetineerden zou staan. Dat is niet juist, er staat in de bezoekruimte een kastjemet het opschrift “POST”. Klagers vriendin zou de betreffende brieven in dat postkastje gedaan kunnen hebben. Eén van die drie door klager genoemde brieven is in ieder geval aangekomen. Van de andere twee door klager genoemdebrieven valt niet na te gaan of deze wel in die postkast zijn gedaan. De door klagers vriendin aangegeven wijze waarop één en ander is verlopen tijdens het bezoek, komt overeen met de in de locatie gehanteerde standaardprocedure.

3. De beoordeling
Nu de directeur in beroep heeft aangegeven dat - anders dan tegenover de beklagcommissie is aangevoerd - in de bezoekruimte een postkast staat waar het bezoek brieven voor gedetineerden in kan deponeren, welke brieven vervolgens aande gedetineerde worden uitgereikt, kunnen de door de beklagcommissie gehanteerde gronden de uitspraak niet dragen. Omdat evenwel onvoldoende aannemelijk is geworden dat klagers vriendin tijdens het bezoek daadwerkelijk drie aanklager gerichte brieven in de daarvoor bestemde postkast heeft gedeponeerd, komt de beroepscommissie tot het oordeel dat hetgeen in beroep naar voren is gebracht – voorzover één en ander is komen vast te staan – niet kan leiden toteen andere uitspraak dan die van de beklagcommissie. De uitspraak, waarvan beroep, zal daarom worden bevestigd, zij het onder wijziging van gronden.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie, met wijziging van de gronden.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. P.C. Vegter, voorzitter, mr. H. Heijs en dr. E. Rood-Pijpers, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 7 juli 2005.

secretaris voorzitter

Naar boven