Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/3781/GA, 13 mei 2020, beroep
Uitspraakdatum:13-05-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

 

Nummer          R-19/3781/GA             

           

Betreft [klager]            Datum 13 mei 2020

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen incorrecte bejegening door het afdelingshoofd van de inrichting (a) en tegen een disciplinaire straf van zeven dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie, vanwege fysieke en verbale agressie richting personeelslid en afdelingshoofd, ingaande op 19 februari 2019 (b) (Ta 2019-00043).

Het verzoek van klager om schorsing van de disciplinaire straf is bij uitspraak van de beroepscommissie van 26 februari 2019 afgewezen (S-19/1176/SGA).

De alleensprekende beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Ter Apel heeft op 14 mei 2019 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. A.F.M. Oudijk, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van de PI Ter Apel in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

a. Klager klaagt over incorrecte bejegening door het afdelingshoofd van de inrichting. Klager stelt dat het afdelingshoofd jegens hem fysiek geweld heeft gebruikt.

b. Klager klaagt daarnaast over de oplegging van de daarop volgende disciplinaire straf van 19 februari 2019 (uitgereikt op 20 februari 2019). Klager betwist een inrichtingsmedewerker te hebben geduwd en de cel met geweld te hebben verlaten. Weliswaar volgt uit de beslissing van de Commissie van Toezicht (hierna: CvT) dat klager ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht dat zijn klacht zich niet richt tegen de disciplinaire straf van 19 februari 2019, maar uit diezelfde beslissing volgt niet dat klager is gehoord in een voor hem begrijpelijke taal. Wellicht is het beklag van klager daardoor ter zitting verkeerd begrepen. Klager is van mening dat de CvT ook had moeten beslissen op het door hem ingediende beklag tegen de opgelegde disciplinaire straf. Aan de hoorplicht lijkt volgens het schriftelijk verslag te zijn voldaan, maar op grond van artikel 57, tweede lid, van de Pbw dient van het horen van de gedetineerde aantekening te worden gehouden. In het schriftelijk verslag staat niet vermeld dat klager is gehoord.

Standpunt van de directeur

Klager heeft nagelaten aan te geven dat de klacht zich ook richt tegen de oplegging van de disciplinaire straf. Klager is tijdens de beklagzitting gehoord met behulp van een telefonische (Engelse) tolk. Alvorens de disciplinaire straf is opgelegd is klager wel gehoord. In het schriftelijk verslag is ook opgenomen de regel: ‘Tijdens het horen gaf u aan dat u het personeelslid niet heb weggeduwd en dat u bent geslagen door het afdelingshoofd’. Voorts verwijst de directeur naar de gronden in zijn verweerschrift.

 

3. De beoordeling

a. Hetgeen in beroep is aangevoerd ten aanzien van de bejegening door het afdelingshoofd kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagrechter. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

b. De beroepscommissie stelt vast dat de beklagrechter niet heeft geoordeeld over de opgelegde disciplinaire straf, omdat klager tijdens de mondelinge behandeling naar voren zou hebben gebracht dat zijn klacht zich daar niet tegen richt. In het beroepschrift bestrijdt klager voornoemde gang van zaken en stelt hij dat mogelijk sprake is van een misverstand. Uit de beslissing van de beklagrechter volgt immers niet dat klager is gehoord in een voor hem begrijpelijke taal. Die stelling volgt de beroepscommissie niet, nu de directeur heeft aangegeven dat klager tijdens de beklagzitting is gehoord met behulp van een telefonische (Engelse) tolk.  De beroepscommissie is echter van oordeel dat, gelet op voorgaande gang van zaken, niet zonder meer vast is komen te staan dat klager heeft beoogd dit klachtonderdeel in te trekken en geeft hem daarom het voordeel van de twijfel. Zij zal om proceseconomische redenen dit beklagonderdeel in eerste en enige aanleg afdoen.

In het beroepschrift wordt aangevoerd dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 57, tweede lid, van de Pbw, waaruit volgt dat van het horen van de gedetineerde aantekening dient te worden gehouden. Gesteld wordt dat in het schriftelijke verslag niet staat vermeld dat klager is gehoord. De beroepscommissie stelt echter vast dat in de schriftelijke mededeling van de disciplinaire straf staat vermeld dat alvorens de disciplinaire straf is opgelegd, klager is gehoord en daarin is opgenomen de regel: “Tijdens het horen gaf u aan dat u het personeelslid niet hebt weggeduwd en dat u bent geslagen door het afdelingshoofd”. De beroepscommissie ziet in het voorgaande onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 57, tweede lid, van de Pbw.

Ten aanzien van de opgelegde disciplinaire straf overweegt de beroepscommissie als volgt. Uit het schriftelijk verslag en de inlichtingen van de directeur komt naar voren dat klager bij het openen van de celdeur een personeelslid opzij heeft geduwd en zonder toestemming zijn cel verlaten heeft. Klager is vervolgens naar het afdelingshoofd doorgelopen en heeft daar gesteld dat hij niet achter de deur hoeft tijdens het arbeidsblok. Het afdelingshoofd heeft geprobeerd uit te leggen wat de regels zijn, maar klager heeft hem niet uit laten praten en het afdelingshoofd geïntimideerd door te zeggen dat hij dan maar aan hem moest komen waarbij klager zichzelf op de borst sloeg. Op cel kwam klager opnieuw dreigend over, hij maakte hierbij een beweging alsof hij het afdelingshoofd zou aanvallen waarna de celdeur is gesloten. Na bovenstaand voorval heeft klager wederom een celoproep gedaan en heeft hij aangegeven de directeur te willen spreken. Nadat het afdelingspersoneel aangaf dat dit niet direct zou kunnen, begon klager weer dreigende woorden te spreken. De beroepscommissie ziet onvoldoende aanleiding aan de hierboven weergegeven gang van zaken te twijfelen.

De aard en de ernst van voornoemde gedragingen rechtvaardigen naar het oordeel van de beroepscommissie de opgelegde disciplinaire straf. De bestreden beslissing kan daarom niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beklag ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ten aanzien van onderdeel a. ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter.

 

De beroepscommissie verklaart het beklag ten aanzien van onderdeel b. ongegrond.

 

 

Deze uitspraak is op 13 mei 2020 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. A. van Holten, voorzitter, mr. A.M.G. Smit en mr. J.M.L. Niederer, leden, bijgestaan door mr. K. Kiela, secretaris.

      

secretaris        voorzitter

Naar boven