Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/4752/GA, 20 februari 2020, beroep
Uitspraakdatum:20-02-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

nummer:         R-19/4752/GA

betreft: [klager]            datum: 20 februari 2020

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van […], verder te noemen klager, gericht tegen een uitspraak van 29 augustus 2019 van de beklagcommissie bij de penitentiaire inrichting (p.i.) Achterhoek te Zutphen, en van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht. Ter zitting van de beroepscommissie van 18 december 2019, gehouden in de p.i. Lelystad is gehoord klager. De directeur van de p.i. Achterhoek heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijk laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1.         De inhoud van de klachten en de uitspraak van de beklagcommissie

De klachten betreffen (voor zover in beroep aan de orde):
a. de omstandigheid dat klager te laat heeft kunnen starten met de training Kiezen Voor Verandering (KVV-training) waardoor hij financiële schade heeft opgelopen
(OH-2019-57) en
b. de omstandigheid dat klager persoonlijke eigendommen mist in zijn fouillering (OH-2019-86).
De beklagcommissie heeft de klachten ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2.         De standpunten van klager en de directeur

Klager heeft het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
a. Klager verlangt twee wachtlijsten te zien: één waarop hij staat en één met daarop een medegedetineerde die later is binnengekomen in het huis van bewaring, maar eerder met de KVV-training heeft kunnen starten. De eventuele financiële schade is klager een rotzorg, hij wenst enkel de twee wachtlijsten te ontvangen. Ambtenaren zeggen iets te doen, maar doen dat niet. Het kan niet zo zijn dat iemand die later in het huis van bewaring wordt geplaatst, eerder begint met de KVV-training. Klager heeft nooit gezegd dat hij geen interesse meer had in de KVV-training.
b. Klager mist een haarelastiekje en meer. Hij wil een inventarisatielijst van september 2018 waaruit dat blijkt.
De directeur heeft het standpunt, zoals ingenomen tegenover de beklagcommissie, in beroep niet toegelicht.

3.         De beoordeling

a. Voor zover is geklaagd over de procedure bij de beklagcommissie gaat de beroepscommissie hieraan voorbij, nu het beklag in beroep opnieuw ten gronde wordt beoordeeld. Hetgeen in beroep is aangevoerd kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagcommissie. Ook in beroep is niet gebleken dat de casemanager onvoldoende voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van klagers aanmelding voor een KVV-training. De beroepscommissie begrijpt gelet op het verhandelde ter zitting dat klager zich (impliciet) wenst te beroepen op het gelijkheidsbeginsel, omdat een medegedetineerde, die later is binnengekomen in het huis van bewaring, eerder in aanmerking zou zijn gekomen voor de KVV-training. Dit beroep treft echter geen doel, nu dit op basis van de stukken niet is gebleken. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.
b. De beroepscommissie is met de beklagcommissie van oordeel dat klager onvoldoende specifiek is ten aanzien van de goederen die hij mist. Anders dan het uit sarcasme genoemde haarelastiekje heeft klager, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, ook in de beroepsprocedure niet gespecificeerd welke goederen missen in zijn fouillering. Klager zal daarom op grond van artikel 61, derde lid, van de Pbw alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag.

4.         De uitspraak
a. De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie.

b. De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart klager alsnog niet-ontvankelijk in zijn beklag.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. C. Fetter, voorzitter, U.P. Burke en drs. H. Heddema, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Smeijers, secretaris, op 20 februari 2020.

secretaris        voorzitter

Naar boven