Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/2838/GB (hersteluitspraak), 16 december 2019, beroep
Uitspraakdatum:16-12-2019

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

                                       

Nummer:        R-19/2838/GB (hersteluitspraak)

Betreft:            [klager]            datum: 16 december 2019

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van […], verder te noemen klager. Op 5 juni 2019 heeft de beroepscommissie klagers beroep (met kenmerk R-19/2838/GB) gericht tegen een op 6 februari 2019 genomen beslissing van de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister) ongegrond verklaard. Nadien is gebleken dat het beroep gericht tegen deze beslissing geregistreerd is onder kenmerk R-19/2839/GB. Voorts is gebleken dat het beroep met kenmerk R-19/2838/GB gericht is tegen een beslissing van de Minister van 21 januari 2019, waarin klagers bezwaar gericht tegen de plaatsing in de afdeling voor Beheersproblematische gedetineerden (BPG) van de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught ongegrond is verklaard. Deze misslag wordt in deze hersteluitspraak hersteld. De beroepscommissie heeft kennisgenomen van de beslissing waarvan beroep alsmede van de overige stukken in het dossier. Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1.         De inhoud van de bestreden beslissing
De Minister heeft klagers bezwaar tegen de plaatsing in de BPG van de p.i. Vught ongegrond verklaard.

2.         De feiten
Klager is sinds 8 maart 2014 gedetineerd. Hij verbleef in het Justitieel Complex (JC) Zaanstad. Op 20 november 2018 is hij overgeplaatst naar de BPG van de p.i. Vught. Sinds 14 oktober 2019 verblijft hij in de BPG van de locatie De Schie te Rotterdam.

3.         De standpunten
3.1.      Klager heeft het beroep als volgt toegelicht.
Klager is na een discussie en een corrigerende tik overgeplaatst naar de BPG, terwijl dit alleen mag wanneer er sprake is van geweld, een wapen of een vechtpartij. Volgens de wet moeten de mogelijkheden van detentiefasering elke zes weken besproken worden in het multi disciplinair overleg (MDO) om te kijken of overplaatsing mogelijk is. Dat is niet gebeurd. Klager heeft hiervan ook geen stukken uitgereikt gekregen. Uiteindelijk is er wel een beslissing genomen tot uitplaatsing uit de BPG. De afspraak zou zijn dat klager binnen twee weken na de beslissing overgeplaatst zou worden naar een normaal beveiligde inrichting. Ook is uit het persoonlijkheidsonderzoek niet gebleken dat klager kampt met een geestelijke stoornis of gedragsproblemen, wat de beslissing tot uitplaatsing ondersteunt. Een maand na deze selectiebeslissing krijgt klager een nieuwe selectiebeslissing waarin staat dat hij wordt overgeplaatst naar de BPG van de locatie De Schie, terwijl hij heeft verzocht om een overplaatsing naar de p.i. Krimpen aan den IJssel of een reguliere afdeling van de locatie De Schie. Klager ontvangt al langere tijd geen bezoek meer en heeft ook bijna geen telefonisch contact met zijn familie, omdat hij maar €12,00 per week te besteden heeft, wat hij voornamelijk gebruikt voor de inrichtingswinkel.

3.2.      De Minister heeft de bestreden beslissing als volgt toegelicht.
Uit het selectieadvies van het JC Zaanstad van 16 november 2018 volgt dat klager in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) verbleef, maar omdat er geen zorgindicatie is waargenomen bij hem is klager, na overleg tussen behandelaren, teruggeplaatst op een afdeling waar er wel zorg is voor klagers verstandelijke beperking. Gezien het feit dat klager ook op de lijst van gedetineerden met een vlucht- /maatschappelijk risico (GVM-lijst) staat met als status ‘hoog’, is klager in de BPG geplaatst. In het selectieadvies wordt geen melding gemaakt van een discussie en corrigerende tik, zoals klager stelt. Dit is dan ook niet de reden voor klagers terugplaatsing in de BPG. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Pbw verblijft een gedetineerde in een regime van beperkte gemeenschap, tenzij plaatsing in een individueel regime noodzakelijk is. Ook op grond van artikel 11 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (de Regeling) kan een gedetineerde in een individueel regime worden geplaatst wanneer hij op grond van zijn persoonlijkheid, gedrag of andere persoonlijke omstandigheden een ernstig beheersrisico vormt en als gevolg daarvan ongeschikt is voor een regime met beperkte gemeenschap. Nadat de zorgindicatie werd opgeheven, kon klager niet langer in het PPC verblijven. De redenen waarom klager eerder in een individueel regime was geplaatst, waren nog steeds van kracht. Klagers terugplaatsing in de BPG van de p.i. Vught was daarom niet onredelijk of onbillijk. Tot op heden is klager nog niet geschikt bevonden voor een verblijf in een regulier regime, zodat hij nog altijd in een individueel regime verblijft (op dit moment de BPG van de locatie De Schie).

4.         De beoordeling
4.1.      Uit klagers registratiekaart blijkt dat hij per 14 oktober 2019 is overgeplaatst naar de BPG van de locatie De Schie en derhalve niet langer verblijft in de BPG van de p.i. Vught. Klager zou daarom in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep, omdat daarmee het belang aan zijn beroep is komen te ontvallen. Nu klagers beroepschrift vanwege een misslag niet eerder is behandeld, zal de beroepscommissie het beroep alsnog inhoudelijk beoordelen.

4.2.      Uit het dossier blijkt dat klager door het Hof te Curaçao is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 jaar wegens – kortgezegd – moord op twee personen. Uit veiligheidsoverwegingen is hij overgeplaatst naar Nederland. Klagers einddatum is thans bepaald op 7 september 2031. Uit het selectieadvies van het JC Zaanstad van 16 november 2018 blijkt dat de directeur van het PPC de zorgindicatie heeft opgeheven omdat er geen PPC-zorgindicatie is waargenomen bij klager. Om die reden kon klager niet langer in het PPC verblijven en is hij, gelet op zijn verstandelijke beperking, zijn gedrag en zijn plaatsing op de GVM-lijst, in de BPG van de p.i. Vught geplaatst. Nu voor klager geen zorgindicatie was afgegeven en hij dus niet langer in het PPC kon verblijven en gelet op het feit dat klager - die sinds zijn detentie enkel heeft verbleven in een individueel regime - vanwege bovenstaande omstandigheden niet geschikt wordt geacht voor plaatsing in een regulier regime, heeft de Minister naar het oordeel van de beroepscommissie in redelijkheid kunnen beslissen tot plaatsing van klager in de BPG van de p.i. Vught. De beroepscommissie zal het beroep derhalve ongegrond verklaren.

5.         De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. M.J. Stolwerk, voorzitter, drs. M.R. van Veen en mr. J.W. Wabeke, leden, in tegenwoordigheid van J.A. van der Veen, secretaris, op 16 december 2019.

 

            secretaris        voorzitter

 

 

Naar boven