Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 03/2624/GV, 15 december 2003, beroep
Uitspraakdatum:15-12-2003

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 03/2624/GV

betreft: [klager] datum: 15 december 2003

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennis genomen van een op 17 november 2003 bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. J.W.de Bruin, namens

[klager], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 11 november 2003 genomen beslissing van de Minister van Justitie (de Minister),

alsmede van de onderliggende stukken.

De beroepscommissie heeft de Minister in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager alsmede zijn raadsman om zijn beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Minister heeft klagers verzoek tot het tijdelijk verlaten van de inrichting in het kader van strafonderbreking afgewezen.

2. De standpunten
Namens klager is aangevoerd dat zijn verzoek tot het tijdelijk verlaten van de inrichting ten onrechte is afgewezen Dit is als volgt toegelicht. De selectiefunctionaris heeft gesteld dat klager op schriftelijke wijze een toelichtingaan Gedeputeerde Staten kan geven en dat dit door gedeputeerde staten zelfs geadviseerd zou worden. Het klopt dat klager op het voornemen om over te gaan tot sluiting van zijn bedrijf schriftelijk kan reageren, maar indien klagerniet alsnog zijn verplichtingen nakomt, zal de provincie op korte termijn overgaan tot sluiting van klagers bedrijf. De selectiefunctionaris is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. De lopende bedrijfsvoering wordt zo goed en zokwaad als het gaat waargenomen door klagers net meerderjarige zoon. De zoon is echter niet in staat vergaande verantwoordelijkheden in goede orde te regelen en adequate maatregelen te treffen. De persoonlijke aanwezigheid en kennisvan klager op het punt van milieu is hiervoor vereist. Klager heeft weinig invloed op de nog openstaande strafzaak. Het betreft een veroordeling door de rechtbank van april 2002, waartegen door klager beroep is aangetekend. Dat dezaak nog niet op een zitting is ingepland kan niet aan klager worden verweten. Klager heeft overleg gevoerd met het CJIB, dat heeft aangegeven onder welke voorwaarden een betalingsregeling getroffen kon worden. Dit was voor klagerniet haalbaar en hij heeft op 7 augustus 2003 een tegenvoorstel gedaan. Helaas weigerde het CJIB bij brief van 22 augustus 2003 op het voorstel in te gaan. Het is derhalve niet aan klager te verwijten dat hij nog geen regeling heeftgetroffen met het CJIB met betrekking tot de ontnemingsmaatregel. Uit email met de provincie blijkt dat de fax van de raadsman d.d. 15 november 2003 blijkbaar niet is aangemerkt als zienswijze en dat de beschikking bestuursdwang zalworden opgesteld en ter fiattering voorgelegd zal worden aan Gedeputeerde Staten zodat sluiting van klagers bedrijf op korte termijn een feit dreigt te worden.

Namens de Minister is de bestreden beslissing als volgt toegelicht.
Klager voorlaatste verzoek tot strafonderbreking is door hem ingediend op 10 juli 2003. Dit verzoek is afgewezen en klagers beroep is door de beroepscommissie ongegrond verklaard. Redenen die ten grondslag liggen aan klagers nieuweverzoek tot strafonderbreking zijn verzekeringstechnische verplichtingen en ter voorkoming dat middels bestuursdwang het bedrijf van klager zal worden gesloten. Volgens klagers raadsman is klagers persoonlijke aanwezigheid enpersoonlijk ingrijpen noodzakelijk. De inrichting, waar klager verblijft, geeft aan dat er gedragsmatig geen bezwaren zijn tegen strafonderbreking. Klager heeft een openstaande strafzaak bij het hof Den Bosch en er is eenontnemingsmaatregel, waarvan het vonnis is ontvangen, maar waarvoor klager geen regeling heeft getroffen. Klagers advocaat zou klager uitstekend kunnen vertegenwoordigen bij een gesprek met de Boelaars & Lambert Groep BV, diegevraagd hebben of een gesprek met klager op korte termijn tot de mogelijkheden behoort. De noodzaak van klagers aanwezigheid is niet aangetoond. In het schrijven van de provincie Noord Brabant, Gedeputeerde Staten, d.d. 11september 2003 worden allerlei omstandigheden aangedragen die aan klager kunnen worden verweten en waartegen hij voor zijn detentie niet adequaat is opgetreden. Klager wordt geadviseerd om schriftelijk te reageren. Klager heeft indecember 2002 tot januari 2003 een schorsing preventieve hechtenis gehad, waarbij hij heeft nagelaten een bekwame zaakwaarnemer voor zijn bedrijf aan te stellen, juist om deze situatie te voorkomen tijdens zijn detentie. Bovendienkan klager als een zogenaamde notoire recidivist gezien worden, gelet op zijn detentieverleden. Daarbij komt dat er een strafzaak tegen klager openstaat.

Op klagers verlofaanvraag is het volgende advies uitgebracht.
De directeur van de locatie Dordtse Poorten heeft aangegeven dat er gedragsmatig geen bezwaren zijn tegen verlening van strafonderbreking.

3. De beoordeling
Klager ondergaat gevangenisstraffen van drie jaar en 22 maanden, met aftrek, wegens handelen in strijd met artikel 13 van de Wet wapens en munitie, opzettelijke overtreding van artikel 3 van de Opiumwet, heling en opzetheling. Dewettelijk vroegst mogelijke v.i.-datum valt op of omstreeks 9 april 2005. Aansluitend dient hij eventueel een subsidiaire hechtenis van 122 dagen op grond van een ontnemingsmaatregel te ondergaan.

Krachtens artikel 34 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (d.d. 24 december 1998, nr. 733726/98/DJI), kan strafonderbreking worden verleend wegens zodanige bijzondere omstandigheden in de persoonlijke sfeer dat nietkan worden volstaan met een andere vorm van verlof.

Op grond van artikel 38 van voornoemde Regeling kan eenmalig strafonderbreking worden verleend in verband met dringende omstandigheden van zakelijke aard. De gedetineerde dient aan te tonen dat zijn persoonlijke aanwezigheidnoodzakelijk is en dat de zakelijke belangen al voor aanvang van de detentie bestonden.

De beroepscommissie stelt het volgende vast. Klager heeft sinds 1974 justitiële contacten en heeft meerdere detenties ondergaan. Van 20 december 2002 tot 3 januari 2003 is klagers voorlopige hechtenis geschorst, teneinde hem in degelegenheid te stellen orde op zaken te stellen. Klager ondergaat momenteel langdurige vrijheidsstraffen en er staat nog een strafzaak tegen klager open. Terzake van een ontnemingsvordering is vonnis gewezen en klager heeft geenregeling kunnen treffen met het CJIB. Daarbij komt dat uit de stukken niet is gebleken dat klagers persoonlijke aanwezigheid voor het behartigen van zakelijke belangen noodzakelijk is en dat hij dit niet kan overlaten aan zijnadvocaat of aan een andere belangenbehartiger.

Gelet op het voorvermelde komt de beroepscommissie tot het oordeel dat de afwijzing van klagers verzoek tot strafonderbreking niet in strijd is met de wet en, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, evenmin alsonredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

03/2624/GV

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. U. van de Pol, voorzitter, mr. A.G. Bosch en mr. J.M.M. van Woensel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.S. van Gemert, secretaris, op 15 december 2003

secretaris voorzitter

Naar boven