Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/3540/GB, 25 juli 2019, beroep
Uitspraakdatum:25-07-2019

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer:         R-19/3540/GB

Betreft:            […]      datum: 25 juli 2019

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van […], verder te noemen klager, gericht tegen een op 18 april 2019 genomen beslissing van de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister), en van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.  Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1.         De inhoud van de bestreden beslissing

De Minister heeft klagers verzoek tot plaatsing van klager in het huis van bewaring (h.v.b.) van de penitentiaire inrichting (p.i.) Almelo afgewezen.

2.         De feiten

Klager is sinds 19 januari 2019 gedetineerd. Hij verblijft sinds 11 maart 219 in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de p.i. Vught.

3.         De standpunten

3.1.      Klager heeft het beroep als volgt toegelicht. De beschikbare informatie klopt niet. Klager is op 11 maart 2019 in het PPC van de p.i. Vught geplaatst. Vanwege een positieve beoordeling is hij na tien dagen intern overgeplaatst. In het behandelingsplan van 25 maart 2019 stonden geen negatieve opmerkingen ten aanzien van een overplaatsing. Klager had toen alleen nog maar een intakegesprek gehad. Op 5 april 2019 kreeg hij van een psycholoog te horen dat zijn verzoek negatief werd beoordeeld, omdat hij vijandig zou (kunnen) zijn. Klager vindt dat niet leuk. Hij doet sinds 25 maart 2019 zijn best om te laten zien wie hij is. Hij is een rustig en eerlijk persoon. Hij is gemotiveerd en heeft aan alle gesprekken meegewerkt. De psychiater wil hem een pil geven om hem minder met het verleden bezig te laten zijn. Klager heeft een mooie relatie met mooie doelen, zoals trouwen en werken voor het gezin. In de NIFP-rapportage zitten fouten, vooral van de psychiater. Die heeft klager slechts eenmaal twee uur gezien. Daarna zou hij de fouten uit het stuk hebben gehaald, aan de hand van een telefoongesprek van twintig minuten, maar er staan nog steeds fouten in.

3.2.      Namens de Minister is de bestreden beslissing als volgt toegelicht. De PPC-indicatie is nog niet opgeheven. Daarom verblijft klager nog altijd in het PPC. De gedragsdeskundige acht het noodzakelijk de diagnostiek te verhelderen en de risico’s van een eventuele terugval goed in beeld te brengen.

4.         De beoordeling

4.1.      Klager verzoekt om uitplaatsing uit het PPC van de p.i. Vught. Aan zijn plaatsing in het PPC lag destijds een indicatiestelling ten grondslag. Uit het recente selectieadvies van het PPC blijkt dat klager zijn psychische problemen ontkent en dat het daarom moeilijk is een behandeling op te starten. Hij wordt nu onderzocht in het kader van de Pro Justitia-rapportage. De inrichting adviseert daarom negatief ten aanzien van het verzoek. De indicatiestelling is nog niet opgeheven.

4.2.      Nu er een indicatiestelling is, klager (sindsdien) nog niet is behandeld en hij ook nog beter moet worden onderzocht, is de beslissing om hem niet uit het PPC te plaatsen, niet onredelijk of onbillijk. De beroepscommissie zal het beroep dus ongegrond verklaren.

5.         De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter, J.G.A. van den Brand en mr. J.W. Wabeke, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. de Vries, secretaris, op 25 juli 2019.

 

            secretaris         voorzitter

Naar boven