Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/2998/GB, 20 mei 2019, beroep
Uitspraakdatum:20-05-2019

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer:     R-19/2998/GB

Betreft:            [klager]            datum: 20 mei 2019

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. C.G.J.E. Lut, namens […], verder te noemen klager, gericht tegen een op 25 februari 2019 genomen beslissing van de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister), en van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1.         De inhoud van de bestreden beslissing

De Minister heeft het bezwaarschrift van klager gericht tegen de beslissing over te plaatsen van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) Vught naar de gevangenis van de locatie Norgerhaven ongegrond verklaard.

2.         De feiten

Klager is sinds 20 april 2018 gedetineerd. Hij verbleef in de gevangenis van de locatie Norgerhaven. Op 27 februari 2019 is hij geselecteerd voor de gevangenis van de locatie Roermond, waar hij op dit moment verblijft.

3.         De standpunten

3.1.      Namens klager is het beroep als volgt toegelicht.

Klager betwist dat een verblijf in de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught onmogelijk is door een verstoorde relatie met personeel. Klager heeft in zijn ergernis een uitlating gedaan aan de telefoon met zijn ex-partner. Dit was een uitlating om te ventileren en hiermee bedoelde klager niets. Het was zeker geen vooraankondiging van enig handelen. Na deze uitlating is klager overgeplaatst naar PPC Vught en bestond kennelijk geen enkele belemmering voor een voortzetting van een verblijf binnen de p.i. Vught. Waarom die belemmering thans wel zou bestaan, blijkt niet uit de stukken. Ten tweede meent klager dat hij verstoken raakt van bezoek. Hij meent ten derde dat zijn re-integratietraject in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) wel degelijk gevaar loopt middels zijn verblijf in de locatie Norgerhaven. Meerdere v.i.-periodes zijn na korte tijd geëindigd, omdat die toen vrijwel in het geheel niet waren voorbereid. Om een herhaling van zetten te voorkomen, heeft klagers raadsvrouw nauw contact met de casemanager van de p.i. Vught. Inmiddels is sprake van een instelling die zich bereid heeft verklaard om huisvesting te regelen voor klager gedurende een v.i. Feit is wel dat klager met deze instelling in Eindhoven kennis dient te maken en praktische zaken dient te regelen in die regio van herkomst. De reistijd vanuit de locatie Norgerhaven maakt dit onmogelijk. Aan dit gegeven is de Minister in het geheel voorbij gegaan. De motivering van de beslissing getuigt niet van enig onderzoek naar de stand van zaken van de re-integratie, zie daarvoor RSJ 15 januari 2019, R-18/1835/GB. Klager verzoekt om een tegemoetkoming voor de periode dat hij ten onrechte in de locatie Norgerhaven heeft verbleven.

3.2.      Namens de Minister is de bestreden beslissing als volgt toegelicht.

Op 27 februari 2019 is klager geselecteerd voor de locatie Roermond. Nu klager binnen de regio Eindhoven wordt geplaatst, heeft hij geen belang meer bij inhoudelijke beoordeling van het beroep.

4.         De beoordeling

4.1.      Klager is op 27 februari 2019, conform zijn voorkeur, geselecteerd voor een gevangenis in de regio Eindhoven. In beginsel zou hij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep, omdat daarmee het belang aan het beroep is komen te ontvallen. Nu in beroep echter is verzocht aan klager een tegemoetkoming toe te kennen, zal de beroepscommissie het beroep alsnog inhoudelijk beoordelen.

4.2.      Blijkens de bestreden beslissing was klager niet conform zijn voorkeur geplaatst, omdat klagers plaatsing in de p.i. Vught ongewenst was vanwege een incident met een personeelslid in de p.i. Vught. Uit het dossier blijkt dat klager op 3 oktober 2018, in een telefoongesprek een doodsbedreiging heeft geuit jegens een personeelslid. De beroepscommissie heeft ook kennisgenomen van de informatie in het selectieadvies, waaruit naar voren komt klagers agressieve gedrag, zijn intimideren en niet gehoorzamen en de kennelijk noodzakelijke plaatsingen in afzondering, straf- en isoleercelen. Klager laat bovendien onweersproken dat hij zich met bedreigende woorden heeft uitgelaten, al had hij daarvoor een uitleg.

4.3.      Gelet op de ernst van het incident, klagers detentiegeschiedenis en rekening houdend met de beschikbare celcapaciteit, is de beslissing om klager over te plaatsen naar de gevangenis van de locatie Norgerhaven niet onredelijk of onbillijk. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

5.         De uitspraak.

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.W. Wabeke, voorzitter, mr. A.T. Bol en J.G.A. van den Brand, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Smeijers, secretaris, op 20 mei 2019.

            secretaris         voorzitter

 

Naar boven