Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 18/1033/TA, 11 juli 2018, beroep
Uitspraakdatum:11-07-2018

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer:         18/1033/TA

Betreft:            [klager]            datum: 11 juli 2018

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift  ingediend door mr. S.C. Scherpenhuijsen, namens […], verder te noemen klager, gericht tegen een op 28 mei 2018 genomen beslissing van het hoofd van FPC Oostvaarderskliniek te Almere, verder ook te noemen de inrichting, alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Ter zitting van de beroepscommissie van 4 juli 2018, gehouden in het justitieel complex Zaanstad, zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.C. Scherpenhuijsen, en namens het hoofd van de inrichting […], juridisch medewerker bij FPC Oostvaarderskliniek.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1.         De inhoud van de bestreden beslissing

Het beroep betreft de beslissing van het hoofd van de inrichting van 28 mei 2018, inhoudende dat klager wordt verplicht tot het ondergaan van een geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 16b, aanhef en onder a, van de Bvt (verder: a-dwangbehandeling) voor een periode van drie maanden.

2.         De standpunten

Door klager is het beroep als volgt toegelicht.

Er is geen sprake van een psychose. Het gaat slechts om meningsverschillen en kritische geluiden van klager. Zijn recht op vrijheid van meningsuiting staat onder druk. Hij levert alleen chronisch kritiek. Als hij binnenpretjes heeft,  rondjes loopt, een lage frustratietolerantie heeft en/of aanstoot neemt aan de verkeerde praktijken van zijn moeder, wil dat nog niet zeggen dat hij psychotisch is. Dit terwijl zijn moeder het kankergezwel van Europa is. Zij vermoordt gewoon mensen. Zij doet mensen pijn maar dat is niet klagers probleem. Hij is voor het laatst agressief geweest in 2012. Hij gebruikt momenteel geen cannabis maar hij gebruikt het wel recreatief. Hij vindt dit heerlijk maar doet het rustig aan. Hij handelt niet impulsief maar heel berekenend. Klager vraagt zich af wat cognitieve gedragstherapie voor toegevoegde waarde zou kunnen hebben. Hij hoort alleen oude koek. Klager heeft niet gezegd dat hij de voorzitter van de RSJ een oog wilde uitsteken. Hij heeft wel tegen een sociotherapeut gezegd dat hij al tien jaar antipsychotica inneemt, die al tien jaar niet werkt en dat hij onder die omstandigheden, als er iemand met een spuit aankomt, die persoon een oog mag uitsteken. Sinds 2008 wordt hij continu gesedeerd met diazepam en antipsychotica. Hij voelt zich aangevallen wanneer hem dwangmedicatie wordt toegediend. Een kat in het nauw maakt rare sprongen. Hij mag zich verdedigen als hij geen andere keuze heeft.

Hij wil weten wanneer uitspraak door de beroepscommissie zal worden gedaan en wil een resultaatsverplichting.

Namens klager is het beroep als volgt toegelicht. Er is geen volstrekte noodzaak voor de toediening van dwangmedicatie. Klager ontkent psychotisch te zijn en dit veroorzaakt de stagnatie in zijn behandeling. Hetgeen in de verklaring van de behandelend psychiater wordt beschreven met betrekking tot ernstige beperkingen in empathie en coping in het verleden wordt niet beschreven in de huidige verslagen of in het behandelplan. Oude rapportages zijn niet bijgevoegd. Uit de wettelijke aantekeningen volgt geen reden voor de toediening van dwangmedicatie. Bij de opname van klager was er wel sprake van enige vijandigheid maar er hebben geen incidenten plaatsgevonden. Er is sprake van verbetering. Klager sluit meer aan bij de groep en staat meer open voor een gesprek. Hij heeft een correcte manier van omgaan met medeverpleegden. Medicatie voor verbetering van de situatie is niet nodig. Bovendien is er geen dringende reden voor acuut ingrijpen met een dwangmedicatie aangezien de omstandigheid dat verzoeker al langere tijd geen medicatie meer inneemt niet tot escalaties in die periode heeft geleid. Voor wat betreft de stagnatie in klagers behandeling wordt opgemerkt dat direct bij binnenkomst in de inrichting al werd overwogen om klager dwangmedicatie toe te dienen. Klager wordt nu sinds zo’n een tot twee weken dwangmedicatie toegediend.

Namens het hoofd van de inrichting is de bestreden beslissing als volgt toegelicht. Klager is bekend met psychiatrische problemen. Sedert 2010 wordt gesproken over een schizoaffectieve stoornis. Klagers voorgeschiedenis kenmerkt zich door dreiging met geweld, therapieontrouw en ontbrekend ziekte-inzicht en -besef. Hij verblijft sinds juni 2017 in de inrichting. Vanaf het begin is zijn houding afstandelijk en vijandig richting personeel en verpleegden. Van meet af aan is met hem geen overeenstemming te bereiken over de inhoud van de diagnose en het behandelplan. In de afgelopen periode is hij chronisch psychotisch geweest. Ondanks de geboden structuur en de begeleiding op de afdeling zag het behandelteam verzoeker afglijden. In verwarde staat trok hij zich meer terug op zijn kamer en liet hij zich weinig zien op de afdeling. Wanneer hij wel van zijn kamer af was, liep hij rondjes in de binnentuin, voerde hij gesprekken in zichzelf en had hij binnenpretjes. Verzoeker ontkent psychotische kenmerken. Zijn behandeling stagneert door de psychose. De verwardheid resulteerde in zowel persoonlijke vervuiling als vervuiling van de leefomgeving. Schimmelende etensresten bleven achter op zijn kamer en zijn kleding werd helemaal niet meer gewassen. Hij waste zich niet meer en trok geen schone kleding aan. Door het gebrek aan ziekte-inzicht en -besef en het niet meewerken aan behandeling stagneert de behandeling. In het verleden is klager bekend met een ernstig gestoorde frustratietolerantie, agressie- en impulsregulatie alsmede ernstige beperkingen in empathie en coping. Hij weigert antipsychotische medicatie in te nemen en staat enkel open voor benzodiapines die echter een verslavende werking hebben en niet effectief zijn voor het behandelen van een psychose. Het begeleiden van klager met structuur, het geven van psycho educatie en cognitieve gedragstherapie hebben niet geleid tot verbetering van het beschreven beeld. Zijn toestand vloeit voort uit de psychose die leidt tot vervuiling, teloorgang en stagnatie/het niet tot stand komen van de behandeling. Nu de niet-medicamenteuze therapieën niet hebben geleid tot verbetering, rest voor de behandeling slechts antipsychotische medicatie in de vorm van een dwangbehandeling. 

Na afwijzing van het schorsingsverzoek wordt klager inmiddels dwangmedicatie toegediend. Vlak na de uitspraak heeft klager gezegd dat hij een vork in het oog van de schorsingsvoorzitter wilde steken en heeft hij seksuele grensoverschrijdende uitspraken gedaan naar sociotherapie. De psychotische symptomen nemen inmiddels af.

3.         De beoordeling

Op grond van artikel 16c in verbinding met artikel 16b, onder a, Bvt kan het hoofd van de inrichting beslissen tot het toepassen van a-dwangbehandeling, indien aannemelijk is dat zonder die behandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de verpleegde doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. De a-dwangbehandeling is er vooral op gericht te voorkomen dat een verpleegde langdurig in een inrichting moet verblijven. Er behoeft geen sprake te zijn van een acuut dreigend gevaar zoals bij de overige vormen van dwangbehandeling als bedoeld in artikel 26 Bvt en artikel 16b, onder b, Bvt.

Het hoofd van de inrichting heeft de beslissing tot toepassing van a-dwangbehandeling gebaseerd op de verklaringen van de behandelend psychiater van klager en van een psychiater die niet bij klagers behandeling betrokken is, maar klager kort tevoren heeft onderzocht. Het hoofd van de inrichting heeft de verklaringen van de twee psychiaters overgelegd. Die verklaringen voldoen aan de vereisten als neergelegd in artikel 16c, tweede lid, Bvt. Voorts heeft het hoofd van de inrichting het behandelingsplan overgelegd, waarin de mogelijkheid tot toepassing van a-dwangbehandeling is vermeld.

Uit de verklaringen van de psychiaters, het behandelingsplan alsmede de mededeling van de bestreden beslissing blijkt het volgende.

Bij klager is sprake van een schizo-affectieve stoornis. In de periode voorafgaand aan de toediening van dwangmedicatie is klager chronisch psychotisch geweest. Hij vertoonde boosheid, verward gedrag, vervuilde en het behandelteam zag klager telkens meer afglijden. Zijn behandeling stagneerde door het gebrek aan ziekte-inzicht en -besef en het niet willen meewerken. In het verleden is klager bekend met een ernstig gestoorde frustratietolerantie, agressie- en impulsregulatie. Klager ontkent psychotisch te zijn en weigert om antipsychotische medicatie in te nemen. Getracht is om klager met veel structuur te begeleiden en psycho (cognitieve) educatie te geven maar dit heeft niet geleid tot een verbetering. De toediening van dwangmedicatie wordt noodzakelijk geacht om te kunnen komen tot een behandeling van klager.

Gelet op klagers voorgeschiedenis alsmede de verklaringen van de psychiaters over klagers stoornis en zijn daaruit voortvloeiende gedrag en opstelling, kon naar het oordeel van de beroepscommissie in redelijkheid de inschatting worden gemaakt dat er bij het laten voortduren van de situatie geen enkel perspectief bestond op behandeling, laat staan resocialisatie, met als gevolg dat een langdurig verblijf in een tbs-inrichting (en uiteindelijk mogelijk een longstay voorziening) dreigt. Daarmee is naar het oordeel van de beroepscommissie sprake van het gevaar van maatschappelijke teloorgang. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de beroepscommissie aannemelijk worden geacht dat zonder een medicamenteuze behandeling het gevaar – in dit geval het gevaar van maatschappelijke teloorgang – dat de stoornis van de geestvermogens klager voor zichzelf doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Gelet op de informatie uit de verklaringen van de psychiaters en het behandelingsplan (zoals hierboven is weergegeven) is de beroepscommissie voorts van oordeel dat de a-dwangbehandeling voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

4.         De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. A. van Holten, voorzitter, mr. drs. L.C. Mulder en drs. M.J. Selnick Marzullo, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.S. van Gemert, secretaris, op 11 juli 2018.

     

            secretaris         voorzitter

 

Naar boven