Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 16/2719/GV, 12 september 2016, beroep
Uitspraakdatum:12-09-2016

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 16/2719/GV

betreft: [klager] datum: 12 september 2016

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. J.T. Willemsen, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 29 juli 2016 genomen beslissing van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (de Staatssecretaris),

alsmede van de onderliggende stukken.

De beroepscommissie heeft de Staatssecretaris in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager, alsmede zijn raadsman, om het beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Staatssecretaris heeft klagers verzoek tot het tijdelijk verlaten van de inrichting in het kader van strafonderbreking afgewezen.

2. De standpunten
Door en namens klager is het beroep – zakelijk weergegeven – als volgt toegelicht.
Het strafbare feit betrof een persoonlijke vete, waarbij het slachtoffer (de ex-schoonmoeder) om het leven is gekomen. Er is daarom geen sprake van recidiverisico. Momenteel is de raadsman in afwachting van een rapportage van het Pieter Baan Centrum en
deze rapportage kan het vorenstaande onderbouwen. Bovendien verblijft de ex-partner op een geheim adres, waardoor de kans op recidive aanzienlijk is ingedamd. De bestreden beslissing is nauwelijks gemotiveerd. Met betrekking tot het recent opgemaakte
risicotaxatie wordt opgemerkt dat de inhoud daarvan niet is te controleren, nu deze taxatie niet openbaar is gemaakt aan klager en zijn raadsman. Het is niet mogelijk hiertegen verweer te voeren. Ook klagers belangen van resocialisatie en vrijheid
moeten worden meegewogen. Naar Nederlands recht zou klager in mei 2016 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Hiervoor wordt verwezen naar het arrest van het Gerechtshof, waaruit blijkt dat klager erop mag vertrouwen dat
hij
zou vrijkomen op de v.i.-datum. Het feit dat klager de Belgische nationaliteit heeft en tot ongewenst vreemdeling is verklaard, wordt nu op onevenredige wijze aan klager doorbelast. Klager komt wel in aanmerking voor strafonderbreking onder de
voorwaarde dat hij niet terugkeert naar Nederland. Klager zal aan deze voorwaarde voldoen. Hiervoor zou eventueel samengewerkt kunnen worden met een Belgische reclasseringsorganisatie. Overigens wil klager zijn medewerking verlenen aan een
psychisch/psychiatrisch onderzoek indien dit noodzakelijk is voor zijn vrijheid. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum van 23 februari 2006 blijkt dat het recidivegevaar niet bekend is.

Namens de Staatssecretaris is de bestreden beslissing als volgt toegelicht.
Klager is tot ongewenst vreemdeling verklaard. Hij valt daarom niet onder de voorwaardelijke invrijheidstellingsregeling. De advocaat-generaal heeft verwezen naar een risicotaxatie van de Nationale politie. Het risico van geweld wordt hoog getaxeerd.
Voorts blijkt dat de familie van het slachtoffer erg angstig is voor wat er kan gebeuren als klager vrijkomt. Recentelijk is in het kader van een WOTS-verzoek geïnformeerd naar de bereidheid van klager om medewerking te verlenen aan een gesprek met een
psycholoog. Klager heeft aangegeven daar niet bereid toe te zijn, noch mee te willen werken aan bijzondere voorwaarden die het recidiverisico zouden kunnen beperken. Op basis van de ontvangen informatie zijn er redenen die zich verzetten tegen het
verlenen van strafonderbreking. De belangen van de slachtoffers/nabestaanden dienen zwaarder te wegen dan die van het verlenen van strafonderbreking. Klager wenst niet mee te werken aan nader onderzoek om het recidiverisico te beoordelen en geeft geen
openheid over zijn gevoelens ten opzichte van de slachtoffers/nabestaanden. Dit maakt het onmogelijk om een actuele inschatting van de risico’s te maken. Bij een eventuele terugkeer naar België is het van belang dat er in nauwe afstemming met de
autoriteiten daar wordt gekeken naar de begeleiding en toezicht op de risico’s. Dit is vooralsnog niet aan de orde omdat er geen actuele inschatting van de risico’s voorhanden is.

Op klagers verzoek zijn de volgende adviezen uitgebracht.
De directeur van de penitentiaire inrichting (p.i.) Middelburg heeft zich onthouden van advies. Hierbij is aangegeven dat de ex-vrouw en kinderen op een geheim adres woonachtig zijn. Klager heeft aangegeven dat hij geen afstand neemt van zijn handelen.
Klager blijft vaag op de vraag of hij contact gaat opzoeken met de nabestaanden. Het is moeilijk om een inschatting te maken van de risico’s.
De advocaat-generaal bij het ressortparket te Den Haag heeft –zakelijk weergegeven – geïnformeerd dat klager met een vuurwapen naar het huis van zijn ex-schoonmoeder is gegaan, met het vooropgezette plan om haar eerst te doden, dan zijn echtgenote en
vervolgens zichzelf. Nadat hij eerst de neef van zijn echtgenote levensgevaarlijk had verwond door op hem te schieten, heeft hij op zijn invalide schoonmoeder geschoten, waardoor zij overleed. Klager heeft zijn echtgenote niet kunnen doden, omdat zij
het huis heeft kunnen ontvluchten. Klagers ex-vrouw en zijn kinderen lopen een groot risico om lastiggevallen (belaagd) te worden en het risico van geweld wordt hoog getaxeerd. Dit blijkt uit de risicotaxatie door een recherche-psycholoog van de
Nationale Politie. Er is daarom bezwaar tegen het verlenen van strafonderbreking.
Uit navraag bij de afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen blijkt dat klager meerdere malen heeft verzocht om zijn verdere straf in België te ondergaan. De verzoeken zijn afgewezen. Klager heeft uiteindelijk aangegeven dat hij geen gebruik
wil
maken van deze zogenoemde WOTS-regeling.

3. De beoordeling
Klager is sinds 16 september 2005 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van zestien jaren, wegens – kort gezegd – moord, poging tot moord meermalen gepleegd, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en belaging. Klager is daarnaast
veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen (Terwee vorderingen) van € 8.044,32 en € 10.000,=. Bij gebreke van betaling is de vervangende hechtenis 70 dagen en 80 dagen. De einddatum van de detentie valt op of omstreeks 9 februari 2022. De eerst
mogelijke datum voor strafonderbreking is 11 oktober 2016.

Klager behoort tot de categorie strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland. Artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi) bepaalt dat aan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in
Nederland heeft strafonderbreking voor onbepaalde tijd kan worden verleend. Indien een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaren is opgelegd, kan strafonderbreking worden verleend nadat tenminste de helft van de straf is ondergaan. Aan deze
strafonderbreking is de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert.

Met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling overweegt de beroepscommissie als volgt. De opneming van de mogelijkheid van strafonderbreking aan vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland vloeit voort uit de wijziging van de
regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (Stb. 2011, 545). Op grond van artikel 15, derde lid, onder c, van het Wetboek van Strafrecht komen veroordeelde vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben in de zin van artikel 8
van de Vreemdelingenwet 2000 niet (langer) in aanmerking voor de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Uit de nota van toelichting bij artikel 40a Rtvi wordt duidelijk dat er redenen kunnen zijn die zich tegen het verlenen van een strafonderbreking verzetten. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld de belangen van de slachtoffers en de mate waarin
de rechtsorde was geschokt door het door de vreemdeling gepleegde delict (Stcrt. 11 april 2012, 7141).

Klager komt in beginsel in aanmerking voor strafonderbreking op of na 11 oktober 2016. Uit het advies van de p.i. Middelburg blijkt dat slachtoffers en nabestaanden (klagers ex-vrouw en kinderen) nog steeds op een geheim adres woonachtig zijn.
Bovendien
blijft klager vaag op de vraag of hij contact gaat zoeken met de slachtoffers en nabestaanden. Daarnaast wilde klager in het kader van een WOTS-verzoek geen medewerking verlenen aan een gesprek met een psycholoog en wil hij niet meewerken aan
bijzondere
voorwaarden die het recidiverisico zouden kunnen beperken. Uit het advies van de advocaat-generaal blijkt dat het risico van geweld tegen c.q. het belagen van de ex-vrouw en de kinderen als hoog getaxeerd wordt. Gelet op het vorenstaande in combinatie
met het feit dat klager nog aanzienlijke schadevergoedingsmaatregelen heeft open staan, kan de beslissing van de Staatssecretaris, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen en met name het slachtofferbelang, niet als onredelijk of onbillijk
worden aangemerkt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. C.M. van der Bas, voorzitter, mr. M.M. Boone en mr. R.S.T. van Rossem-Broos, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Dwarka, secretaris, op 12 september 2016.

secretaris voorzitter

Naar boven