Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 16/2480/GV, 2 september 2016, beroep
Uitspraakdatum:02-09-2016

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 16/2480/GV

betreft: [klager] datum: 2 september 2016

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. M. de Reus, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 12 juli 2016 genomen beslissing van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (de Staatssecretaris),

alsmede van de onderliggende stukken.

De beroepscommissie heeft de Staatssecretaris in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager alsmede zijn raadsman om het beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Staatssecretaris heeft klagers verzoek tot het tijdelijk verlaten van de inrichting in het kader van algemeen verlof afgewezen.

2. De standpunten
Namens klager is het beroep als volgt toegelicht. Klager heeft zich gedurende een voorwaardelijke invrijheidstelling niet gehouden aan de voorwaarden. De enkele omstandigheid dat klager deze voorwaarden heeft overtreden is onvoldoende om een verzoek
tot
algemeen verlof af te wijzen (RSJ 16 juni 2014, 13/4082/GA). Er wordt niet wezenlijk meer aangevoerd dan dat klager de voorwaarden heeft overtreden. Klager gedraagt zich naar behoren gedurende zijn detentie. Hij werkt als afdelingsreiniger, neemt deel
aan het plusprogramma en heeft nog geen disciplinaire straffen opgelegd gekregen. Zowel de politie als de directeur hebben positief geadviseerd op klagers verzoek, onder het stellen van een bijzondere voorwaarde in de vorm van elektronisch toezicht.
Onderhavig verzoek betreft het tweede verzoek tot algemeen verlof. De beklagcommissie heeft het klaagschrift met betrekking tot het eerste, afgewezen, verzoek gegrond verklaard en aan de directeur de opdracht gegeven een nieuwe beslissing te nemen. Als
onderbouwing van de bestreden beslissing is voorts aangevoerd dat geïndiceerd geachte interventies nog niet hebben plaatsgevonden. In dat verband is opmerkelijk dat klager op 22 december 2015 is ingesloten, dat hij met ingang van 21 april 2016 in
aanmerking kwam voor algemeen verlof en dat eerst op 12 april 2016 een aanmelding is gedaan bij De Waag, waar eind juli 2016 een intakegesprek gepland staat. Aan klager kan daarom niet worden tegengeworpen dat hij de betreffende interventies niet heeft
gevolgd.

Namens de Staatssecretaris is de bestreden beslissing als volgt toegelicht. Klager is in december 2015 ingesloten wegens een herroeping van de v.i. omdat hij zich niet aan afspraken heeft gehouden. Hij heeft zich diverse keren niet gemeld, is in
verboden gebied geweest, heeft drugs gebruikt en heeft geen aanwijsbare stappen gezet om inkomen uit arbeid te verkrijgen. De melding van de reclassering is van april 2015, maar klager heeft zich tot december 2015 onvindbaar gehouden voor politie en
justitie. Tijdens de v.i. diende klager verschillende interventies te volgen zoals een leefstijltraining en een ambulante behandeling, hetgeen niet is gebeurd. Er is geen vertrouwen in een goed verloop van verlof. Na deelname aan de ambulante
behandeling en/of de leefstijltraining zal duidelijk moeten worden of klager gemotiveerd is tot verandering van zijn (delict)gedrag. Op dit moment is sprake van risico op recidive, risico op onttrekking aan de voorwaarden en risico op onttrekking aan
detentie, waardoor het stellen van voorwaarden geen toegevoegde waarde heeft. Ten aanzien van het eerste verzoek om algemeen verlof heeft de directeur wederom een negatieve beslissing genomen.

Op klagers verlofaanvraag zijn de volgende adviezen uitgebracht.
De directeur van de locatie Zoetermeer heeft, gelet op klagers functioneren in de inrichting, positief geadviseerd ten aanzien van de verlofaanvraag, mits daaraan de bijzondere voorwaarde van elektronische detentie wordt verbonden.
Het openbaar ministerie heeft negatief geadviseerd ten aanzien van de verlofaanvraag omdat klager zich gedurende zijn v.i. niet aan de voorwaarden heeft gehouden en zijn enkelband gesaboteerd heeft, waardoor het gevaar voor recidive groot is.
De politie heeft positief geadviseerd ten aanzien van de verlofaanvraag.

3. De beoordeling
Klager is thans gedetineerd in verband met de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). De einddatum van zijn detentie is gesteld op 21 april 2017.

Het beroep richt zich tegen de afwijzing van klagers tweede verlofaanvraag. Hij kan in totaal zes verlofaanvragen indienen.

Uit de stukken komt naar voren dat klager zich gedurende zijn v.i. niet aan de voorwaarden, waaronder een meldplicht, een locatieverbod en een drugsverbod, heeft gehouden en zich vervolgens gedurende acht maanden onvindbaar heeft gehouden voor politie
en justitie. De beroepscommissie is van oordeel dat voornoemde omstandigheden een forse contra-indicatie vormen voor verlofverlening en dat deze, ondanks de positieve adviezen van de politie en de directeur, een afwijzing van klagers verlofaanvraag
rechtvaardigen. De beroepscommissie weegt ook mee dat klager gedurende zijn v.i. tevens geen aanvang heeft gemaakt met een leefstijltraining en een behandelverplichting, welke als bijzondere voorwaarden aan de v.i. waren verbonden. Gelet op het
bovenstaande kan de beslissing van de Staatssecretaris, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen en gelet op de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 4, onder a, b en d, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, niet als
onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. C.M. van der Bas, voorzitter, mr. M.M. Boone en mr. R.S.T. van Rossem-Broos, leden, in tegenwoordigheid van
mr. S. Blankenspoor, secretaris, op 2 september 2016.

secretaris voorzitter

Naar boven