Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 16/0543/TA, 15 juni 2016, beroep
Uitspraakdatum:15-06-2016

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 16/543/TA

betreft: [klager] datum: 15 juni 2016

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 67 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 5 februari 2016 van de beklagcommissie bij FPC Van der Hoeven Kliniek te Utrecht, verder te noemen de inrichting,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 3 mei 2016, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Amsterdam Over-Amstel, is klagers raadsman mr. B. Molenaar gehoord.
Klager heeft bij door hem ondertekende verklaring van 3 mei 2016 afstand van horen gedaan.
Het hoofd van de inrichting heeft schriftelijk bericht te zijn verhinderd ter zitting te verschijnen en heeft schriftelijk op het beroep gereageerd. Deze toelichting is aan klager en zijn raadsman gezonden.

Op grond van de stukken en haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft de beslissing dat klager geen printer op zijn kamer mag houden.

De beklagcommissie heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en het hoofd van de inrichting
Door en namens klager is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. De stelling van de inrichting dat klager de printer niet op zijn kamer heeft gehad is onjuist. De inrichting heeft de printer van zijn kamer
genomen en in de opslag geplaatst. De kabels, een instructieboekje en het piepschuim van de verpakking liggen nog op klagers kamer. In elk geval is klager eigenaar van de printer - dat wordt door de directie ook niet ontkend - en mag hij die niet op
zijn kamer hebben, zodat sprake is van een beslissing als bedoeld in artikel 56 Bvt inhoudende schending van het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 44 Bvt. De in dat artikel genoemde uitzonderingsgronden voor bezit op kamer van eigendommen doen zich
niet voor. Door de inrichting is ook niet gesteld dat een uitzonderingsgrond aan de orde is. De beklagcommissie concludeert dat een printer niet staat vermeld op de lijst van verboden goederen en ook niet valt onder het begrip ‘multimedia’. Voor de
toepassing van artikel 44 Bvt is verder niet relevant of klager belang heeft bij het bezit van de printer op zijn kamer. De omstandigheid dat klager geen computer heeft maakt ook niet dat klager geen belang heeft bij een printer op zijn kamer. Hij
heeft
ook geen computer nodig omdat hij alleen gebruik wil maken van de kopieerfunctie van de printer voor het kopiëren van stukken met betrekking tot een aantal beklag- en beroepszaken en twee kort-gedingzaken. Op de gekopieerde stukken wil hij
aantekeningen
ten behoeve van zijn advocaat maken.

Namens het hoofd van de inrichting is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Klager heeft geen printer op zijn kamer gehad, zodat geen sprake is van een beslissing als bedoeld in artikel 56 Bvt. Klager
heeft
nog steeds geen aanvraag voor plaatsing van een printer op zijn kamer ingediend bij de multimediacommissie.

3. De beoordeling
Klagers stelling dat de inrichting een printer van zijn kamer in beslag heeft genomen is niet aannemelijk nu de inrichting ontkent dat daarvan sprake is geweest en klager niet heeft aangetoond, bijvoorbeeld door overlegging van een bewijs van invoer
en/of toestemming voor het houden van een printer op zijn kamer, dat hij een printer op zijn kamer heeft gehad Klagers verklaring dat de bijbehorende kabels, een instructieboekje en het piepschuim van de verpakking nog op zijn kamer liggen overtuigt
niet, nu deze verklaring eerst ter zitting en niet al eerder in de schorsings- en beklagprocedure naar voren is gebracht.

Voor zover klager een printer heeft en deze wil invoeren om op zijn kamer te gebruiken voor het kopiëren van stukken, heeft de inrichting hem onder verwijzing naar de ‘Multimediagebruik gedragscode patiënten’ gevraagd een aanvraag in te dienen bij de
multimediacommissie. Deze commissie adviseert over het in gebruik nemen of bezit van multimedia, maar adviseert ook als twijfel bestaat of een apparaat op kamer kan worden toegestaan. De beklagcommissie heeft terzijde overwogen dat een printer naar
haar
oordeel niet per definitie valt onder het begrip ‘multimedia’. De beroepscommissie is er echter mee bekend dat moderne printers verscheidene functies hebben en over zend-/ontvangstmogelijkheden beschikken. De inrichting kan daarom in redelijkheid
klager
vragen een aanvraag in te dienen bij de multimediacommissie. Klager heeft tot op heden geen aanvraag ingediend, zodat geen beslissing is genomen.

Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie met aanvulling van gronden.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. N. Jörg, voorzitter, drs. C.W. van der Meer en mr. Drs. L.C. Mulder, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W. Bevaart, secretaris, op 15 juni 2016.

secretaris voorzitter

Naar boven