Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 15/3774/GV, 6 januari 2016, beroep
Uitspraakdatum:06-01-2016

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 15/3774/GV

betreft: [klager] datum: 6 januari 2016

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 10 november 2015 genomen beslissing van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (de Staatssecretaris),

alsmede van de onderliggende stukken.

De beroepscommissie heeft de Staatssecretaris in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager alsmede zijn raadsman mr. S.A.S. Jansen om het beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Staatssecretaris heeft klagers verzoek tot het tijdelijk verlaten van de inrichting in het kader van algemeen verlof afgewezen.

2. De standpunten
Door en namens klager is het beroep als volgt toegelicht. De GRIP-rapportages zijn gebaseerd op beeldvorming, aannames en sterke geruchten en dus niet op harde feiten en concreet bewijs. De betrokken personen waarnaar wordt verwezen, zijn niet door de
politie gehoord. Ook klager is niet gehoord. Volgens een betrouwbare informant zou klager het voornemen hebben personen aan te pakken die enkele jaren geleden tegen hem hebben verklaard. Dat is onzin. Klager zou zijn v.i. niet in gevaar brengen
hiervoor. Bovendien is het hem dat niet waard. Klager koestert geen wrok. Klagers opmerking via Facebook richting zijn vriendin is niet bedoeld als bedreiging, maar is een uitdrukking waarmee hij wil zeggen dat hij niets meer met haar te maken wilt
hebben. Klager zou haar nooit iets aandoen. Zij is de moeder van klagers enige zoon. Ook in het tweede GRIP-rapport staan aantoonbare leugens. Het was niet slim om in de inrichting kleding te verkopen. Klager heeft nooit iemand bedreigd of afgeperst.
Het GRIP-onderzoek is nog steeds niet klaar.
Als reden voor de plaatsing van klager op de GVM-lijst wordt genoemd klagers lidmaatschap van een criminele organisatie en voortgezet crimineel handelen, en het onderzoek naar de geldstromen. Het enkele feit dat klager is veroordeeld voor lidmaatschap
van een criminele organisatie maakt niet automatisch dat hij nog immer deel uitmaakt van dezelfde criminele organisatie. Er is geen sprake van een samenwerkingsverband en een duidelijke structuur. Thans wordt klager ook niet vervolgd hiervoor. In de
huidige inrichting van verblijf, de p.i. Lelystad, is vastgesteld dat er geen sprake is van voortgezet crimineel handelen of het onderdrukken van gedetineerden. Deze informatie is in tegenstelling tot de informatie van het GRIP gebaseerd op recente
informatie en eigen waarneming. De Staatssecretaris baseert zich op gedateerde GRIP-informatie. Er dient rekening te worden gehouden met de voorbereiding op een terugkeer in de maatschappij.

Namens de Staatssecretaris is de bestreden beslissing als volgt toegelicht. Bij de beslissing op het verzoek om algemeen verlof zijn alle ingewonnen informatie en adviezen in overweging genomen. Het Openbaar Ministerie adviseert negatief omdat er
feiten
en omstandigheden bekend zijn die maken dat er sprake is van dreiging en intimidatie jegens derden. Het Openbaar Ministerie acht bij het toekennen van verlof een onaanvaardbaar risico op een confrontatie met bepaalde betrokkenen aanwezig. Het GRIP
adviseert eveneens negatief, omdat er een verhoogd risico ten aanzien van gemeen-en vluchtgevaar bestaat. Het GRIP concludeert dat er sprake is van voortgezet crimineel handelen tijdens detentie en dat er thans een onderzoek naar betrokkene loopt. De
vrijhedencommissie van de inrichting adviseert positief mits aan het algemeen verlof de voorwaarde wordt verbonden van elektronisch toezicht. Op basis van voormelde adviezen meent de Staatssecretaris dat er sprake is van een ernstig risico van
ongewenste confrontatie met slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij het door klager gepleegde misdrijf. Het feit dat klager op korte termijn in vrijheid wordt gesteld, doet hier niet aan af.

Naast voormelde adviezen heeft ook de politie positief geadviseerd omtrent het verlofadres. Reclassering Nederland heeft op 21 november 2015 positief geadviseerd omtrent het toekennen van vrijheden onder gecontroleerde omstandigheden.

3. De beoordeling
Klager ondergaat een gevangenisstraf van negen jaar met aftrek, wegens mishandeling, valsheid in geschrifte, afpersing, openlijke geweldpleging, handel/bezit van cocaïne, deelname aan een criminele organisatie en bezit/handel van wapens. Aansluitend
dient hij 24 dagen tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te ondergaan, alsmede 160 dagen vervangende hechtenis op grond van de wet Terwee. De einddatum van zijn detentie valt op of omstreeks 3 juni 2016.

Het beroep richt zich tegen de afwijzing van klagers tweede verlofaanvraag. Hij kan in totaal zes verlofaanvragen indienen.

De Staatssecretaris verwijst ter onderbouwing van zijn afwijzende beslissing naar klagers plaatsing op de GVM-lijst en de adviezen van het Openbaar Ministerie en het GRIP. Daaruit zou volgen dat sprake is van voortgezet crimineel handelen door klager.
Klager hield zich tijdens zijn verblijf in de vorige inrichting bezig met het handelen in kleding en het afpersen van medegedetineerden. Het Openbaar Ministerie meent dat het toekennen van verlof een onaanvaardbaar risico op confrontatie met derden,
zoals getuigen, medeverdachten en zijn partner, kan opleveren. In het GRIP-rapport van 22 september 2015 wordt een toelichting gegeven over de achtergronden van klagers strafzaak, klagers gedrag in de p.i. Leeuwarden en enkele als verdacht aangemerkte
geldstortingen en betalingen via de rekening-courant van klager.

De beroepscommissie is van oordeel dat voornoemde omstandigheden een contra-indicatie vormen voor verlofverlening en dat deze, ondanks de positieve adviezen van de directeur van de p.i. Lelystad, de politie en de reclassering, vooralsnog een afwijzing
van klagers verlofaanvraag rechtvaardigen. Derhalve kan de beslissing van de Staatssecretaris, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen en gelet op de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 4 onder g van de Regeling tijdelijk verlaten
van de inrichting, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

De beroepscommissie merkt nog op dat naarmate de einddatum van klagers detentie nadert, zijn belang om zijn invrijheidsstelling voor te bereiden door middel van vrijheden aan gewicht zal toenemen. Bij volgende verlofaanvragen zal daarom klagers
positieve gedrag in de p.i. Lelystad alsmede het positieve advies van de reclassering moeten worden meegenomen in de beoordeling door de Staatssecretaris. Ook zal naar het oordeel van de beroepscommissie dan meer duidelijkheid moeten komen over de
resultaten van het onderzoek naar het voortgezet crimineel handelen door klager, zoals aangegeven in het GRIP-rapport.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. U. van de Pol, voorzitter, mr. M. Boone en mr. R.S.T. van Rossem-Broos, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kokee, secretaris, op 6 juni 2016

secretaris voorzitter

Naar boven