Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 15/2709/GM, 3 november 2015, beroep
Uitspraakdatum:03-11-2015

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 15/2709/GM

betreft: [klager] datum: 3 november 2015

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 30 van de Penitentiaire maatregel (Pm) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen medisch handelen door of namens de inrichtingsarts verbonden aan de locatie De Schie te Rotterdam,

alsmede van de overige stukken, waaronder het verslag van 30 juli 2015 van de bemiddeling door de medisch adviseur bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Ter zitting van de beroepscommissie van 13 oktober 2015, gehouden in de p.i. Amsterdam Over-Amstel, zijn klager noch de inrichtingsarts van voormelde locatie verschenen om te worden gehoord in het beroep.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beroep
De klacht, zoals neergelegd in het verzoek om bemiddeling aan de medisch adviseur van 19 uni 2015, betreft het niet arbeidsongeschikt verklaren terwijl klager chronische schouder- en hoofdpijnklachten heeft.

2. De standpunten van klager en de inrichtingsarts
Klager heeft zijn standpunt in beroep niet toegelicht. Tegenover de medisch adviseur heeft hij aangegeven dat hij sinds zijn geboorte last heeft van een beschadigde schouderspier, waardoor hij veel pijn heeft. Ook heeft hij veel last van hoofdpijn,
waarvoor hij medicatie krijgt. Klager begrijpt niet waarom hij niet arbeidsongeschikt wordt verklaard

De inrichtingsarts heeft zijn standpunt, zoals ingenomen tegenover de medisch adviseur, niet nader toegelicht. Dit standpunt luidt – zakelijk weergegeven – als volgt. Klager heeft sinds zijn geboorte een beschadigde schouderspier en regelmatig last van
hoofdpijn. Volgens klager nemen de hoofdpijnklachten toe naarmate hij zijn schouder meer belast. Hij is gezien door de arts en deze heeft medicatie (amitryptiline) voorgesteld. Klager wil dat niet. Klager wil slechts zijn schouder ontzien en niet
werken.

3. De beoordeling
Vast staat dat klager schouder- en hoofdpijnklachten heeft. Ten aanzien van de schouderklachten geldt dat de daarvoor geëigende therapie is het regelmatig maken van afwisselende bewegingen, hetgeen ook aan klager is geadviseerd en waartoe hem in het
kader van de arbeid ook de gelegenheid wordt geboden. Ten aanzien van klagers hoofdpijnen geldt dat – voor zover een en ander uit het medisch dossier van klager kan worden afgeleid – hem daarvoor medicatie is voorgeschreven die niet afwijkt van hetgeen
in soortgelijke gevallen wordt voorgeschreven.

De beroepscommissie is daarom, het voorgaande in samenhang en onderling verband bezien, van oordeel dat het handelen van de inrichtingsarts niet kan worden aangemerkt als in strijd met de in artikel 28 Pm neergelegde norm. Het beroep zal daarom
ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. N. Jörg, voorzitter, dr.ing. C.J. Ruissen en drs. J.H.A.M.C. Schoenmaeckers, leden, in tegenwoordigheid van
mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 3 november 2015.

secretaris voorzitter

Naar boven