Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 14/2532/TA, 12 januari 2015, beroep
Uitspraakdatum:12-01-2015

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 14/2532/TA

betreft: [klager] datum: 12 januari 2015

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. A.L. Louwerse, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een beslissing van 21 juli 2014 van het hoofd van FPC Dr. S. van Mesdag te Groningen, verder te noemen de inrichting,

alsmede van de onderliggende stukken.

Bij brief van 23 september 2014 zijn klager, diens raadsvrouw en het hoofd van voormelde inrichting opgeroepen voor de behandeling van het beroep ter zitting van de beroepscommissie van 10 oktober 2014. Op verzoek van klager heeft de beroepscommissie
beslist de behandeling van het beroep aan te houden.
Bij brief van 30 oktober 2014 zijn klager, diens raadsvrouw en het hoofd van voormelde inrichting opgeroepen voor de behandeling van het beroep ter zitting van de beroepscommissie van 19 november 2014. Op 3 november 2014 heeft de raadsvrouw om
aanhouding van de behandeling van het beroep verzocht, vanwege klagers somatische toestand.
Op 6 november 2014 heeft de beroepscommissie, nadat de inrichting om een reactie was gevraagd, beslist het beroep niet op de zitting van 19 november 2014 te behandelen en de zaak verder schriftelijk af te handelen. Bij brieven van 7 november 2014 zijn
klager, diens raadsvrouw en het hoofd van de inrichting hiervan op de hoogte gesteld. De beroepscommissie heeft het hoofd van de inrichting in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager alsmede zijn raadsvouw om het beroep
schriftelijk nader toe te lichten. Klagers raadsvrouw en de inrichting hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Op grond van de stukken en haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van de bestreden beslissing
Het beroep betreft de beslissing van het hoofd van de inrichting van 21 juli 2014, inhoudende dat klager wordt verplicht tot het ondergaan van een geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 16b, aanhef en onder a, van de Bvt (hierna:
a-dwangbehandeling).

2. De beoordeling
Bij uitspraak van 24 juli 2014 (kenmerk 14/2531/STA) heeft de schorsingsvoorzitter de tenuitvoerlegging – die op dat moment nog niet was aangevangen – van de bestreden beslissing geschorst. Op 6 november 2014 heeft de juridisch medewerker van de
inrichting bericht dat de somatische behandeling van klager voorgaat op de a-dwangbehandeling en dat eerst met het toepassen van a-dwangbehandeling zal worden gestart als klager somatisch voldoende stabiel is.

Nu de a-dwangbehandeling niet is gestart en de inrichting voor onbepaalde tijd afziet van daadwerkelijke toepassing van de a-dwangbehandeling, is de beroepscommissie van oordeel dat klager geen belang (meer) heeft bij zijn beroep. Zij zal klager om die
reden niet-ontvankelijk in zijn beroep verklaren.

Overigens overweegt de beroepscommissie het volgende. Gevolg van het hiervoor overwogene is dat het hoofd van de inrichting niet meer op grond van zijn beslissing van 21 juli 2014 tot daadwerkelijke toepassing van a-dwangbehandeling ten aanzien van
klager kan overgaan. Indien het hoofd van de inrichting op een later moment
– na stabilisatie van klagers somatische toestand – toepassing van a-dwangbehandeling alsnog noodzakelijk acht, dient hij hiertoe een nieuwe beslissing, gebaseerd op actuele verklaringen van de behandelend en een onafhankelijk psychiater, te nemen.

3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. N. Jörg, voorzitter, drs. W.A.Th. Bos en mr. R.M. Maanicus, leden, in tegenwoordigheid van
mr. F.A. Groeneveld, secretaris, op 12 januari 2015.

secretaris voorzitter

Naar boven