Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 14/2388/GA, 22 september 2014, beroep
Uitspraakdatum:22-09-2014

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 14/2388/GA

betreft: [klager] datum: 22 september 2014

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. J.W.G.M. Kral, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 4 juli 2014 van de alleensprekende beklagrechter bij de penitentiaire inrichtingen (p.i.) Zwolle

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

De beroepscommissie heeft de directeur van de p.i. Zwolle in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager alsmede zijn raadsman om het beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagrechter
Het beklag betreft de beslissing van de directeur van 3 april 2014 tot afwijzing van klagers verzoek tot het tijdelijk verlaten van de inrichting in het kader van algemeen verlof.

De beklagrechter heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Namens klager is het tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt in beroep als volgt toegelicht. De directeur is bij zijn afwijzende beslissing ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat de politie positief heeft geadviseerd ten aanzien van het
verlofadres, dat sprake is van een ongestoord detentieverloop, dat de advocaat-generaal in haar advies ten onrechte is uitgegaan van een weigerachtige houding van klager mee te werken aan een pro-justitia rapportage en dat naast het rapport van de
reclassering een pro-justitia rapportage van een gedragsdeskundige staat. Klager zal over niet al te lange tijd na een langdurige detentie terugkeren in de maatschappij. Daarop moet geanticipeerd worden door het verlenen van vrijheden. Klager is bereid
zich te houden aan voorwaarden. Overigens is klagers tweede verlofaanvraag gehonoreerd. Dit verlof is positief verlopen.

De directeur kan zich verenigen met de uitspraak van de beklagrechter en heeft in beroep gepersisteerd bij het standpunt zoals ingenomen tegenover de beklagrechter. Daaraan is in beroep toegevoegd dat het recidiverisico is ingeschat als hoog en dat
daarnaast sprake is van risico op letselschade en van risico op het onttrekken aan voorwaarden. Gelet hierop en nu de reclassering vanwege klagers ontkennende opstelling geen plan van aanpak ter vermindering van het recidiverisico kan opstellen, is de
verlofaanvraag afgewezen.

3. De beoordeling
Hetgeen in beroep is aangevoerd kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagrechter. De beroepscommissie neemt hierbij met name in aanmerking dat uit de stukken naar voren komt dat klager
thans
voor de derde keer een lange gevangenisstraf, van zeven jaar, ondergaat wegens zware mishandeling van een partner. Eerder is hij veroordeeld, wegens zware mishandeling van zijn (ex-)partners, tot zeven jaar in 2000 en vijf jaar in 2003. De reclassering
heeft op 28 februari 2014 ingeschat dat sprake is van een hoog recidiverisico en een hoog risico op letselschade. Als gevolg van klagers ontkennende opstelling is er geen plan van aanpak van de reclassering gericht op vermindering van het
recidiverisico. Ten tijde van de bestreden beslissing is (nog) onverminderd sprake van een hoog recidiverisico.
Gelet op voornoemde omstandigheden en op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 4 onder b van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, kan de beslissing van de directeur tot afwijzing van klagers eerste verlofaanvraag niet als onredelijk of
onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter met aanvulling van de gronden.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. U. van de Pol, voorzitter, mr. M. Boone en mr. R.S.T. van Rossem-Broos, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Groeneveld, secretaris, op 22 september 2014

secretaris voorzitter

Naar boven