Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 14/0988/GA, 15 juli 2014, beroep
Uitspraakdatum:15-07-2014

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 14/988/GA

betreft: [klager] datum: 15 juli 2014

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. H.M.W. Daamen, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 10 maart 2014 van de alleensprekende beklagrechter bij de locatie De Kruisberg Doetinchem,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 7 juli 2014, gehouden in de locatie De Karelskamp te Almelo, is klager, bijgestaan door een kantoorgenoot van zijn raadsman, mevrouw mr. B.A.M. Hendrix, gehoord.
De directeur van de locatie De Kruisberg heeft op 24 juni 2014 bericht verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen en is niet ter zitting verschenen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagrechter
Het beklag betreft het feit dat klager onvoldoende momenten voor zijn persoonlijke verzorging (pv-momenten) worden geboden.

De beklagrechter heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Door en namens klager is in beroep het tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt als volgt – zakelijk weergegeven – toegelicht. De beklagcommissie heeft klager ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag nu de algemene regel waarover
hij klaagt in strijd is met hogere regelgeving. Het pv-moment was niet als afzonderlijk moment ingepland, maar vond plaats in combinatie met het sport- of bezoekmoment. Klager sportte niet en hij ontving niet ieder bezoekmoment bezoek. Klager kon
douchen tijdens de recreatie, maar de recreatie bedroeg niet meer dan het wettelijk minimum van zes uur per week. Indien klager deze uren ook nog moet gebruiken voor zijn persoonlijke verzorging, komt het aantal uren recreatie onder het wettelijk
minimum. De beroepscommissie heeft eerder bepaald dat het mogelijk is recreatie met het pv-moment te combineren, maar dan dient wel voldoende tijd voor de recreatie over te blijven. Klager verwijst daartoe naar de uitspraak van de beroepscommissie van
12 juli 2007, nr. 07/0526/GA. Het aantal aangeboden pv-momenten is in strijd met artikel 44, vierde lid, van de Pbw. Klager verzoekt om toekenning van een tegemoetkoming. Per 1 maart 2014 is een nieuw dagprogramma ingevoerd.

De directeur heeft zijn standpunt, zoals ingenomen tegenover de beklagrechter, in beroep niet toegelicht.

3. De beoordeling
Artikel 44, vierde lid, van de Pbw bepaalt dat de directeur zorg draagt dat de gedetineerde in staat wordt gesteld zijn uiterlijk en lichamelijk hygiëne naar behoren te verzorgen. Door de wetgever is geen minimum aantal uur verbonden aan bovengenoemd
recht. Uit de Memorie van toelichting op artikel 44, vierde lid, van de Pbw volgt dat ‘naar behoren’ erop duidt dat dit binnen redelijke grenzen dient te geschieden.

In artikel 49, eerste lid, van de Pbw is het recht van de gedetineerde op recreatie neergelegd. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de directeur zorgdraagt dat de gedetineerde in de gelegenheid wordt gesteld tot deelname aan recreatieve
activiteiten, gedurende ten minste zes uren per week.

Op grond van 4.4. van de Regeling model huisregels heeft klager het recht minimaal twee keer per week te douchen.

Voor de beoordeling van het beroep is allereerst van belang of de beklagrechter klager al dan niet op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag. Met de beklagrechter is de beroepscommissie van oordeel dat het aantal geboden
pv-momenten geen (concrete) door of namens de directeur jegens klager genomen beslissing betreft als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw. Nu klager echter klaagt over een algemene regel die in strijd is met een wettelijk voorschrift van
hoger
orde, zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagrechter reeds hierom vernietigen en klager alsnog ontvankelijk verklaren in zijn beklag.

Door klager is onweersproken aangevoerd dat het pv-moment was gekoppeld aan het bezoek- en sportmoment en hij, aangezien hij niet deelnam aan het sportmoment en niet ieder bezoekmoment bezoek ontving, ook geen gelegenheid had om te douchen. De
beroepscommissie is van oordeel dat klager hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn recht op persoonlijke verzorging onvoldoende werd gerealiseerd. De omstandigheid dat klager eveneens tijdens de recreatie gelegenheid had voor zijn
persoonlijke verzorging zorg te dragen doet aan het voorgaande niet af nu door klager onweersproken is aangevoerd dat de recreatie zes uur bedroeg en er derhalve door de recreatie met het pv-moment te combineren onvoldoende zelfstandige tijd voor
recreatie overbleef. Gelet op het voorgaande zal het beklag alsnog gegrond worden verklaard. De beroepscommissie kent klager een tegemoetkoming toe van € 10,=.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter, verklaart klager alsnog ontvankelijk in zijn beklag en verklaart dit beklag gegrond.
Zij bepaalt dat aan klager een tegemoetkoming toekomt van € 10,=.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. A. van Holten, voorzitter, drs. R.K. Boelens en J.G.A. van den Brand, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Koster, secretaris, op 15 juli 2014

secretaris voorzitter

Naar boven