Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 14/0025/SGA, 15 januari 2014, schorsing
Uitspraakdatum:15-01-2014

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer : 14/25/SGA
Betreft : [verzoeker] datum: 15 januari 2014

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift van

[...], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de locatie Zwaag.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde locatie van 31 december 2013, inhoudende de verlenging van een eerder op 20
december 2013 opgelegde ordemaatregel van plaatsing in afzondering in een andere verblijfsruimte dan een afzonderingscel voor de duur van veertien dagen. De verlenging is ingegaan op 1 januari 2014 om 16.30 uur en eindigt op 15 januari 2014, wegens –
kortweg – de herhaalde weigering om op de opgedragen wijze mee te werken aan een onderzoek aan lichaam en kleding na een overplaatsing uit een andere inrichting.

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het klaagschrift van 8 januari 2014 alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 8 januari 2014.

1. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en
beslist.
Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de
(verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval. Het niet meewerken aan een opdracht van het personeel - zoals in dit geval het niet meewerken aan een onderzoek aan lichaam en kleding na een
overplaatsing uit een andere inrichting - levert in beginsel een strafwaardige gedraging op. Voor een dergelijke strafwaardige gedraging dient in beginsel een disciplinaire straf opgelegd te worden en geen ordemaatregel van plaatsing in afzondering.
Weliswaar zijn situaties denkbaar waarbij ook de orde en veiligheid in het geding is, zoals een eerste, korte, periode, maar op enig moment kan dat niet meer worden volgehouden. De directeur heeft in de bestreden beslissing niet gemotiveerd waarom het
noodzakelijk is een ordemaatregel in plaats van een disciplinaire straf op te leggen. De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van de directeur komt derhalve voor schorsing in aanmerking en het verzoek zal daarom worden toegewezen en de
tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal met onmiddellijke ingang worden geschorst..

2. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van de directeur met onmiddellijke ingang tot het moment dat de beklagcommissie op het onderliggende beklag zal hebben beslist.

Aldus gedaan door mr. A.G. Coumans, voorzitter, in tegenwoordigheid van B.A. Bogaars, secretaris, op 15 januari 2014.

secretaris voorzitter

Naar boven