Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 13/3367/GA, 4 februari 2014, beroep
Uitspraakdatum:04-02-2014

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 13/3367/GA

betreft: [klager] datum: 4 februari 2014

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 26 september 2013 van de alleensprekende beklagrechter bij de locatie Tafelbergweg te Amsterdam,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 7 januari 2014, gehouden in de penitentiaire inrichtingen (p.i.) Over-Amstel te Amsterdam, is klager gehoord.
De directeur van voornoemde locatie is zonder voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen.
Van deze zitting is een verslag opgemaakt welke aan deze uitspraak is gehecht.
Op 10 januari 2014 is de directeur verzocht een reactie te geven op hetgeen ter zitting is besproken.
Tevens is op 10 januari 2014 aan klager verzocht nadere informatie te verstrekken. Hierop heeft klager bij brief van 17 januari 2014 geantwoord.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagrechter
Het beklag betreft het controleren van advocatenpost op contrabande buiten de aanwezigheid van klager.

De beklagrechter heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Klager heeft in beroep zijn tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt toegelicht als opgenomen in het aangehechte verslag.

De directeur heeft zijn standpunt, zoals ingenomen tegenover de beklagrechter, in beroep niet toegelicht.

3. De beoordeling
Ter zitting heeft klager, onder meer, verklaard dat hij bij terugkomst in de inrichting een envelop van zijn advocaat bij zich had met daarin zijn dossier. Klager wilde niet dat deze envelop gecontroleerd zou worden door het inrichtingspersoneel nu
deze
van zijn advocaat afkomstig was. Om die reden heeft hij het dienstdoende personeel verzocht de envelop in zijn kluis te plaatsen, zodat hij deze de volgende dag weer mee naar buiten kan nemen. Het personeel heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven en
heeft de desbetreffende envelop opengemaakt en gecontroleerd buiten de aanwezigheid van klager.
De directeur heeft, hoewel meermaals in de gelegenheid te zijn gesteld, niet gereageerd op deze verklaring van klager. Nu overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die strijdig zijn met de lezing van klager, neemt de beroepscommissie de
juistheid hiervan als uitgangspunt voor haar oordeel.

Op grond van artikel 36, tweede lid, van de Pbw is de directeur bevoegd enveloppen of andere poststukken, afkomstig van of bestemd voor gedetineerden, op aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen te onderzoeken en deze hiertoe te openen. Indien de
enveloppen of andere poststukken afkomstig zijn van of bestemd zijn voor de in artikel 37, eerste of tweede lid, genoemde personen of instanties, geschiedt dit onderzoek in aanwezigheid van de betrokken gedetineerde. Nu de envelop afkomstig was van
klagers advocaat had deze slechts gecontroleerd mogen worden in het bijzijn van klager. Nu dit is geschied buiten de aanwezigheid van klager heeft de directeur in strijd met de wettelijke bepalingen gehandeld. Gelet hierop zal de beroepscommissie het
beroep gegrond verklaren en de uitspraak van de beklagrechter vernietigen. De beroepscommissie acht termen aanwezig om aan klager een tegemoetkoming van € 10,= toe te kennen.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter en verklaart het beklag alsnog gegrond.
Zij bepaalt dat aan klager een tegemoetkoming toekomt van € 10,=.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. U. van de Pol, voorzitter, J.G.A. van den Brand en prof. dr. mr. L.M. Moerings, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Nauta, secretaris, op 4 februari 2014

secretaris voorzitter

Naar boven