Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 13/1870/TB, 20 september 2013, beroep
Uitspraakdatum:20-09-2013

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 13/1870/TB

betreft: [klager] datum: 20 september 2013

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door [...], namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een beslissing van 5 juni 2013 van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verder te noemen de Staatssecretaris,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Ter zitting van de beroepscommissie van 6 september 2013, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Amsterdam Over-Amstel, is gehoord [...], werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Klager heeft afstand gedaan van het recht om ter zitting te verschijnen. Zijn raadsvrouw is evenmin ter zitting verschenen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Staatssecretaris heeft beslist klager over te plaatsen naar FPC Dr. S. van Mesdag te Groningen.

2. De feiten
Klager is bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak ter beschikking gesteld (tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege. De Staatssecretaris heeft op 6 februari 2006 beslist klager te plaatsen in FPC Veldzicht te Balkburg. Bij verzoek van
22 april 2013 heeft FPC Veldzicht verzocht om klager over te plaatsen door middel van ruiling. Bij beslissing van 5 juni 2013 heeft de Staatssecretaris beslist klager over te plaatsen naar FPC Dr. S. van Mesdag. Deze overplaatsing is op 18 juni 2013
gerealiseerd.

3. De standpunten
Namens klager is het beroep als volgt toegelicht.
De overplaatsing is het gevolg van een beschuldiging door een medeverpleegde dat klager een seksueel delict jegens haar zou hebben gepleegd in augustus 2012. Klager is ter zake niet gehoord door de politie en de zaak is geseponeerd door de officier van
justitie met code 01, die inhoudt dat klager ten onrechte als verdachte is aangemerkt. De inrichting zou het opgeschorte verlof weer zo snel mogelijk opstarten, maar na het sepot heeft de inrichting een klacht ex artikel 12 van het Wetboek van
Strafvordering ingediend om klager alsnog vervolgd te krijgen. Hiervoor werd als reden opgegeven dat er zo meer duidelijkheid zou komen voor alle betrokkenen. Klager verwachtte juist steun van de inrichting. Klager begrijpt niet waarom, als het contact
tussen klager en de aangeefster ongewenst zou zijn, er niet voor gezorgd kan worden dat zij elkaar niet treffen. De signalen dat klager dreigende uitspraken in de richting van aangeefster heeft gedaan zijn dermate vaag dat dit geen reden kan zijn voor
overplaatsing; klager ontkent trouwens dreigende uitspraken te hebben gedaan. Klager heeft het er moeilijk mee om uit zijn vertrouwde omgeving te worden gehaald. Zijn behandeling zal achterstand oplopen door de overplaatsing.

Namens de Staatssecretaris is inzake het beroep het volgende standpunt ingenomen.
Uit het verzoek tot wederzijdse overplaatsing blijkt dat de behandeling van klager in FPC Veldzicht is vastgelopen. Het vertrouwen tussen klager en het behandelteam was zodanig dat behandeling in FPC Veldzicht niet langer zinvol was. Zijn jarenlange
verblijf in de inrichting is met pieken en dalen verlopen. Hij ontkent het indexdelict en heeft aangegeven dat hij geen trainingen nodig heeft. Zijn naam is genoemd met betrekking tot het leveren van contrabande en het ontvangen van onrechtmatige
betalingen. Over het uitstroomdoel bestaat geen overeenstemming. In FPC Veldzicht lukt het niet om met hem in het traject verder te komen. De huidige aantijging betreft een seksueel delict en er is te veel onduidelijkheid wat betreft de
risicofactoren.
Het is niet wenselijk dat het slachtoffer en klager in dezelfde inrichting verblijven. Het is wenselijk dat een andere inrichting de behandeling evalueert en vervolgt en dat klager een nieuwe behandelkans wordt geboden. Klager is in FPC Dr. S. van
Mesdag geplaatst, omdat zijn netwerk daar dichtbij woont: zijn vriendin en kind wonen in Drachten. Op die manier kan klager het contact met hen blijven onderhouden.

4. De beoordeling
Bij de overplaatsing van ter beschikking gestelden dient de Staatssecretaris, op grond van artikel 11, tweede lid, van de Bvt in zijn overwegingen te betrekken:
a) de eisen die de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de ter beschikking gestelde voor de veiligheid van anderen dan de ter beschikking gestelde of de algemene veiligheid van personen of goederen stelt, en
b) de eisen die de behandeling van de ter beschikking gestelde gezien de aard van de bij hem geconstateerde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens stelt.

Uitgangspunt van het op grond van het IBO II-rapport door de Staatssecretaris geformuleerde beleid is dat alle tbs-inrichtingen geoutilleerd zijn voor iedere ter beschikking gestelde, met uitzondering van een aantal speciale categorieën, te weten
vrouwen, zwakbegaafden en extreem beheers- en vluchtgevaarlijke ter beschikking gestelden. Daarnaast wordt onderscheiden naar de primaire psychopathologie: psychotische stoornis of persoonlijkheidsstoornis.

De Staatssecretaris heeft de beslissing tot overplaatsing van klager genomen op basis van het verzoek van 22 april 2013 tot ruiling met inachtneming van klagers geslacht, zijn intelligentie, de ten aanzien van hem gestelde diagnose en gegevens omtrent
het al dan niet bestaan van een beheers/vluchtrisico.

Uit de inlichtingen namens de Staatssecretaris verstrekt blijkt dat klagers behandeling in FPC Veldzicht is vastgelopen en dat er geen vertrouwen meer is tussen klager en het behandelteam. Om klager een tweede behandelkans te geven is beslist om hem
over te plaatsen naar FPC Dr. S. van Mesdag. Klager heeft geen zwaarwegende argumenten aangevoerd die zouden kunnen of moeten leiden tot het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet tot de bestreden overplaatsingsbeslissing heeft mogen
komen.
Het hiervoor overwogene in aanmerking genomen kan de beslissing klager over te plaatsen naar FPC Dr. S. van Mesdag, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt, te meer niet nu klager is
overgeplaatst naar een inrichting die dicht in de buurt is van zijn netwerk. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. N. Jörg, voorzitter, mr. J.M.L. Niederer en drs. J.E. Wouda, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.S. van Gemert, secretaris, op 20 september 2013

secretaris voorzitter

Naar boven