Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 12/3414/TB, 4 april 2013, beroep
Uitspraakdatum:04-04-2013

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 12/3414/TB

betreft: [klager] datum: 4 april 2013

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. M.K. Rack, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een beslissing van 25 oktober 2012 van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verder te noemen de Staatssecretaris,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Ter zitting van de beroepscommissie van 8 februari 2013, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Amsterdam Over-Amstel, zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.K. Rack, en namens de Staatssecretaris [...], werkzaam bij de Dienst
Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Ter zitting van de beroepscommissie heeft de Staatssecretaris de wettelijke aantekening overgelegd. Een kopie hiervan is aan de raadsman van klager toegezonden die de gelegenheid
kreeg hierop te reageren. Van de raadsman is geen reactie ontvangen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Staatssecretaris heeft het verzoek van klager om overplaatsing naar FPC Oostvaarderskliniek afgewezen.

2. De feiten
Klager is bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak ter beschikking gesteld (tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege. Hij is bij beslissing van 5 november 2008 geplaatst in FPC De Rooyse Wissel. Op 9 oktober 2012 heeft klager, na twee
afwijzingen op eerdere verzoeken, verzocht om overplaatsing naar FPC Oostvaarderskliniek. De Staatssecretaris heeft dit verzoek bij brief van 25 oktober 2012 afgewezen.

3. De standpunten
Door en namens klager is het beroep als volgt toegelicht. De inschatting van FPC De Rooyse Wissel dat de weigering van klager mee te werken aan zijn behandeling hoort bij zijn problematiek is niet onderbouwd. Er zijn in de afgelopen jaren verschillende
pogingen ondernomen de weigerachtige houding van klager te doorbreken, hetgeen enkel heeft geresulteerd in een steeds hardnekkiger wordende houding van klager. Het ligt dan ook voor de hand klager over te plaatsen om de impasse te doorbreken in plaats
van verzet te bieden tegen de door noodzaak ingegeven wens van klager. Klager heeft de indruk dat het hardnekkig verzet daartegen van de inrichting te wijten is aan het gebrek aan voldoende deskundig inzicht in de persoon en de behandelbehoefte van
klager. Klager heeft de indruk dat het personeel van de De Rooyse Wissel hem wil dwarsbomen. Hij was aanvankelijk zeer gemotiveerd aan zijn behandeling begonnen, maar door enkele vervelende ervaringen is het vertrouwen in de nrichting afgenomen. De
dwang die nu wordt uitgeoefend, zal tot niets leiden. Door de Staatssecretaris zijn geen zwaarwegende argumenten aangevoerd om klager niet over te plaatsen.

Namens de Staatssecretaris is inzake het beroep het volgende standpunt naar voren gebracht. Het verzoek om overplaatsing is voorgelegd aan FPC De Rooyse Wissel, die over voldoende deskundigheid beschikt om dit verzoek te kunnen beoordelen. De
inrichting
heeft medegedeeld dat er op dit moment geen indicatie is voor overplaatsing van klager. Er is bij hem sprake van een forse persoonlijkheidsproblematiek, maar men ziet aanknopingspunten om klager in De Rooyse Wissel te behandelen. Van een
behandelimpasse
is volgens de inrichting geen sprake. De inrichting wenst de ingezette behandelpogingen met klager voort te zetten. Nu de weigering behandeling aan te gaan volgens de inrichting deel uitmaakt van klagers problematiek valt te verwachten dat hij in een
andere inrichting tegen dezelfde problemen zal aanlopen. Overplaatsing zal dus niet tot een verbetering van klagers situatie leiden.
Indien de inrichting geen verdere aanknopingspunten ziet voor een behandeling, wordt de Staatssecretaris hiervan op de hoogte gesteld.

4. De beoordeling
Bij de overplaatsing van ter beschikking gestelden dient de Staatssecretaris, op grond van artikel 11, tweede lid, van de Bvt in zijn overwegingen te betrekken:
a) de eisen die de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de ter beschikking gestelde voor de veiligheid van anderen dan de ter beschikking gestelde of de algemene veiligheid van personen of goederen stelt, en
b) de eisen die de behandeling van de ter beschikking gestelde gezien de aard van de bij hem geconstateerde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens stelt.

Uit de stukken, waaronder het verlengingsadvies van de inrichting van 20 juni 2012 en de wettelijke aantekeningen van 9 december 2012, komt naar voren dat de behandeling van klager moeizaam verloopt. Klager volgt steeds minder blokken teneinde
overplaatsing te realiseren. Bij klager is sprake van wantrouwen en achterdocht. Niettemin is de beroepscommissie van oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid heeft mogen afgaan op het standpunt van de inrichting dat men nog aanknopingspunten
ziet om klager in De Rooyse Wissel te behandelen en dat overplaatsing niet tot een verbetering van klagers situatie zal leiden. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.
De beroepscommissie gaat er vanuit dat de inrichting, als zij de mening is toegedaan dat klagers behandeling daadwerkelijk in een impasse is geraakt en verder behandeling in De Rooyse Wissel niet zinvol wordt geacht, tijdig een verzoek om overplaatsing
van klager naar een andere inrichting bij de Staatssecretaris zal indienen.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. A.M. van Woensel, voorzitter, mr. drs. L.C. Mulder en mr. R.S.T. Rossem-Broos, leden, in tegenwoordigheid van R. Kokee, secretaris, op 4 april 2013

secretaris voorzitter

Naar boven