Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 02/0693/JA, 23 mei 2002, beroep
Uitspraakdatum:23-05-2002

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 02/693/JA

betreft: [klager] datum: 23 mei 2002

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 74, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) heeft kennis genomen van een op 26 maart 2002 bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak d.d. 19 maart 2002 van de alleensprekende beklagrechter bij de justitiële jeugdinrichting (j.j.i.) Jongerenhuis Harreveld te Harreveld,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 15 april 2002, gehouden in de j.j.i. 't Nieuwe Lloyd te Amsterdam, is gehoord mevrouw [...], directeur behandeling.

Klager is op behoorlijke wijze opgeroepen, maar is wegens verslapen niet ter zitting verschenen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagrechter
Het beklag betreft de weigering tot verlof voor het bijwonen van een personeelsfeest in Duitsland bij gebreke van machtiging van de Minister daartoe.

De beklagrechter heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Klager heeft zijn standpunt, zoals ingenomen tegenover de beklagrechter, in beroep niet toegelicht.

De directeur heeft in beroep het tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Klager verblijft in het kader van een p.i.j.-maatregel op een open afdeling van de inrichting, in een project met beperkte begeleiding in de laatste fase van behandeling. Hij werkt bij een bedrijf dat op 29 december 2001 eenpersoneelsfeest gaf in Duitsland. Bij schrijven van 3 december 2001 heeft de Minister het verzoek van de directeur d.d. 13 november 2001 tot machtiging voor verlof tot bijwoning van het personeelsfeest geweigerd met als motiveringdat het niet is toegestaan dat een jeugdige met een p.i.j.-maatregel in het buitenland verblijft tijdens de tenuitvoerlegging van zijn in Nederland opgelegde en te ondergane straf, ook als dit een incidenteel eendaags verlofbetreft. De ministeriële beslissing bevat slechts een standaardmotivering en is niet inhoudelijk onderbouwd. De directeur is van oordeel dat dit beleid niet is terug te vinden in wet- of regelgeving, maar stoelt op de persoonlijkevisie van een ambtenaar. In 1998 heeft de directeur meegewerkt aan de ontwikkeling van thans nog steeds geldende verlofrichtlijnen, welke rekening houden met de regeling in de Bjj. Een in het buitenland door te brengen verlof moetaan de Minister worden voorgelegd. De onderhavige ministeriële weigering staat haaks op het tot dan gevoerde beleid. De Minister heeft nimmer een op schrift gestelde wijziging van beleid aan de inrichting gestuurd. De bevoegdheidvan de directeur verlof te verlenen is onder genoemde omstandigheden een wassen neus. De inrichting gaat zorgvuldig om met verloftoekenning. In de vijftien jaar dat de inrichting zedendelinquenten behandelt zijn er twee recidivestijdens een opgelegde maatregel geweest, een gering aantal op 360 jeugdigen. Ook in gevallen dat de inrichting daaraan niet gehouden is, verwittigt zij de officier van justitie van verlof van een jeugdige. De gevolgen van het nieuweministeriële beleid zijn onevenredig groot voor de jeugdigen. Velen werken of lopen stage in het in de nabijheid van de inrichting gelegen Duitsland. De directeur blijft machtigingsverzoeken voor situaties als van klager indienen.

3. De beoordeling
Het beklag is gericht tegen de weigering van de directeur klager toestemming te verlenen om op 29 december 2001 met verlof te gaan voor het bijwonen van een personeelsfeest in Duitsland wegens het ontbreken van een machtiging van deMinister daartoe.
De directeur heeft krachtens artikel 30, eerste lid, Bjj bij brief van 13 november 2001 de Minister het verzoek tot machtiging gedaan voor het verlening van voornoemd verlof aan klager, welk machtigingsverzoek de Minister bij briefvan 3 december 2001 heeft geweigerd, omdat jeugdigen met een p.i.j.-maatregel niet in het buitenland mogen verblijven.

De beroepscommissie overweegt het volgende.
Voor de inwerkingtreding van de Bjj was met betrekking tot verlof slechts beklag mogelijk tegen een beslissing terzake van de directeur. Thans maakt artikel 77, tweede lid, Bjj het de jeugdige tevens mogelijk beroep in te stellenbij de beroepscommissie ex artikel 78, eerste lid tegen een verlofbeslissing, voorzover daartegen geen beklag ingevolge artikel 65, eerste en tweede lid, openstaat.
In gevallen waarin de directeur de Minister machtiging dient te vragen voor het verlenen van een verlof aan een jeugdige, zoals in het geval van klager, zal de Minister op grond van objectieve en subjectieve criteria beslissenomtrent het verlenen van de gevraagde machtiging. Ingeval van verstrekking van een ministeriële machtiging is het vervolgens aan de directeur om tot een zorgvuldige afweging te komen of en op welke wijze hij de jeugdige in degelegenheid stelt de inrichting bij wijze van verlof te verlaten. Onder meer tegen een zodanige beslissing van de directeur staat beklag krachtens artikel 65, eerste en tweede lid, Bjj open. Ingeval de Minister weigert de directeurte machtigen verlof aan een jeugdige te verlenen is in beginsel geen ruimte voor beslissingsbevoegdheid van de directeur met betrekking tot het beoogde tijdelijk verlaten door de jeugdige van de inrichting.
Gelet op de omstandigheden van het geval van klager komt de beroepscommissie tot de slotsom dat klager geen beklag had moeten instellen bij de beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij de j.j.i., doch ingevolge artikel 77,tweede lid, Bjj rechtstreeks beroep had moeten instellen bij de beroepscommissie als bedoeld in artikel 78, eerste lid, Bjj. Dit leidt ertoe dat de beklagrechter klager niet-ontvankelijk in het beklag had moeten verklaren.

4. De uitspraak
De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagrechter en verklaart klager alsnog niet-ontvankelijk in zijn beklag.

Deze uitspraak is gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.A.C. Bartels, voorzitter, prof. N.W. Slot en mr. R.H.J. de Vries, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. van der Waal-van der Linden, secretaris, op 23mei 2002.

secretaris voorzitter

Naar boven