Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 01/2002/GA, 10 januari 2002, beroep
Uitspraakdatum:10-01-2002

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 01/2002/GA

betreft: [klager] datum: 10 januari 2002

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (PBW) heeft kennis genomen van een op 5 november 2001 bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

de directeur van het huis van bewaring (h.v.b.) Roermond,

gericht tegen een uitspraak d.d. 26 oktober 2001 van de beklagcommissie bij voormeld h.v.b., gegeven op een klacht van [...], verder te noemen klager,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 7 december 2001, gehouden in de penitentiaire inrichting Vught, zijn gehoord klager en de heer [...], unit-directeur bij eerder vermeld h.v.b..

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft een disciplinaire straf van zeven dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, met de bijkomende maatregel van verwijdering van de tv van de cel, wegens het weigeren van een urinecontrole.

De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van de directeur en klager
De unit-directeur heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Klager verblijft, tot voor kort als afdelingsreiniger, op een afdeling met relatief veel verslaafde gedetineerden, waar ook regelmatig in drugs wordt gehandeld. Het enkele feit dat hij niet eerder is betrapt op het gebruik vandrugs, is geen reden er van uit te gaan dat hij in het onderhavige geval ook niet gebruikt zou hebben.
In het h.v.b. wordt de urine afgenomen op de visitatie-afdeling. Wanneer een gedetineerde niet meteen urine kan afgeven, wordt hij tijdelijk ingesloten in een lege receptiecel, waar geen fraudemogelijkheden zijn. Als gevolg van de103% regeling was er in dit geval slechts een receptiecel beschikbaar, zodat er na klager nog een tweede gedetineerde in het kader van een urinecontrole in die ene receptiecel moest worden ingesloten. Klagers verzoek om op zijneigen cel geplaatst te worden tot hij in staat zou zijn urine te produceren is niet gehonoreerd, omdat hij daar de mogelijkheid zou hebben te frauderen.

Klager heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Ik had net geplast toen ze me kwamen halen voor de urinecontrole. Omdat het niet meteen lukte om urine te produceren werd ik in een receptiecel geplaatst. Tien minuten later werd er een andere gedetineerde bijgeplaatst. Omdat hijerg stonk heb ik gevraagd of ik nog een keer mocht proberen te plassen. Toen het wederom niet lukte vroeg ik of ik naar een andere cel mocht. Dat werd niet toegestaan. Vervolgens vroeg ik of ik naar mijn eigen cel mocht. Mij werdrapport aangezegd wegens weigering, als ik naar mijn eigen cel zou gaan. Ik ging toch naar mijn eigen afdeling. Ik heb nooit gebruikt en zal dat ook nooit doen.

3. De beoordeling
Hoewel de beroepscommissie het minder wenselijk acht dat er twee gedetineerden op een cel worden geplaatst, acht zij het in de onderhavige situatie, mede gelet op het doel en de mogelijke duur van het tijdelijke verblijf in dereceptiecel, niet zodanig onredelijk dat van klager niet verwacht kon worden dat hij in die cel zou blijven totdat hij tot urineren in staat zou zijn. Dat klager vanwege de onaangename lichaamsgeur van de bij hem op de celgeplaatste medegedetineerde niet langer met deze man op de cel wilde verblijven -wat daar overigens ook van zij- doet daaraan, gelet op de reden van zijn verblijf aldaar en het belang van klager bij een goed verloop van heturineonderzoek, niet af. Het beroep zal mitsdien gegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.J. van Oostveen, voorzitter, mr. G. de Jonge en mr. J.W.P. Verheugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Lispet, secretaris, op 10 januari 2002.

secretaris voorzitter

Naar boven