Onderwerp: Bezoek-historie

Arbeidsomstandighedenregeling
Publicatiedatum:01-08-2020Geldigheid:01-08-2020 t/m Versie:vergelijk
Vergelijk versie 20200801 met:
Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

Paragraaf 1.1 Definities

Artikel 1.1 Definities algemeen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. besluit:

het Arbeidsomstandighedenbesluit;

b. de minister:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 1.1a Certificatie

Artikel 1.1a Jaarverslag

In het jaarverslag van een certificerende instelling, bedoeld in artikel 1.5eb, eerste lid, van het besluit worden ten minste de volgende onderwerpen behandeld:

  • a.de door de instelling afgegeven, ingetrokken, geschorste dan wel geweigerde certificaten;relaties0
  • b.wijzigingen in de op het werkveld van de instelling betrekking hebbende accreditaties, reglementen en procedures;relaties0
  • c.wijzigingen in de op het werkveld van de instelling betrekking hebbende taakverdeling;relaties0
  • d.wijzigingen in de bestuurssamenstelling;relaties0
  • e.wijzigingen in de statuten of het huishoudelijk reglement;relaties0
  • f. uitbesteding van werkzaamheden aan onderaannemers of uitvoering door dochterondernemingen;relaties0
  • g.structurele knelpunten op het werkveld van de instelling die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan;relaties0
  • h.het gevoerde overleg en de samenwerking op het werkveld met andere certificerende instellingen;relaties0
  • i.door de instelling ontvangen klachten en de wijze van afhandeling daarvan;relaties0
  • j.tegen de beslissingen van de instelling ingediende bezwaren en ingestelde beroepen en de wijze van afhandeling daarvan;relaties0
  • k.een financieel verslag betreffende de activiteiten waarvoor de instelling is aangewezen.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 1.1b Vergoeding extra kosten certificatie en wijze van betalen

  • 1. Voor zover ten gevolge van een verzoek of handeling dan wel nalaten van de aanvrager van een certificaat als bedoeld in deze regeling, extra kosten worden gemaakt in verband met de afgifte van het certificaat, worden deze kosten doorberekend aan de aanvrager.relaties0
  • 2. De kosten verbonden aan de afgifte van een certificaat worden bij de aanvraag voldaan overeenkomstig de aanwijzingen van de instelling.relaties0
relaties0
relaties0

Paragraaf 1.1b Persoonsregistratie

Artikel 1.1c Inrichting register

relaties0

Artikel 1.1d Verzoek om registratie of herregistratie

  • 1. De persoon die zich wil laten registeren of herregistreren in een register als bedoeld in artikel 1.1c, tweede lid, doet de verwerker van dit register de gegevens, bedoeld in artikel 1.1c, tweede lid, toekomen. De persoon die zich wil laten registeren of herregistreren in een register als bedoeld in artikel 1.1c, derde lid, doet de verwerker van dit register tevens het gegeven, bedoeld in artikel 1.1c, derde lid, toekomen.relaties0
  • 2. De verwerker van het register kan bepalen dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, een of meer gegevens als bedoeld in artikel 1.1c, tweede en derde lid, in digitale vorm verstrekt. Daartoe zorgt de verwerker voor een permanent bereikbare en volgens de stand van de techniek beveiligde website.relaties0
  • 3. De persoon, bedoeld in het eerste lid, legitimeert zich bij de verwerker zodanig dat deze zijn identiteit kan vaststellen.relaties0
  • 4. De verwerker verstrekt de geregistreerde of geherregistreerde een bewijs van registratie of herregistratie.relaties0
relaties0

Artikel 1.1e Verzoek om informatie of inzage

  • 1. De administratie van het register is zodanig ingericht dat op verzoek van:
    • a.de geregistreerde of geherregistreerde tijdig aan hem de gegevens, bedoeld in het artikel 1.1c, tweede lid en voor zover van toepassing het derde lid, worden verstrekt ten behoeve van controle op juistheid en volledigheid;relaties0
    • b.de werkgever van een werknemer, de opdrachtgever van een zelfstandige tijdig of de door de werkgever of opdrachtgever gemachtigde aan hem meegedeeld wordt of de door hem in zijn verzoek vermelde persoon in het register is opgenomen, en zo ja met welke status en voor welk werkveld of welke werkvelden;relaties0
    • c.een andere direct betrokkene tijdig aan hem meegedeeld wordt of de door hem in zijn verzoek vermelde persoon in het register is opgenomen en zo ja met welke status en voor welk werkveld of welke werkvelden; enrelaties0
    • d.de toezichthouder tijdig aan hem de gegevens, bedoeld in artikel 1.1c, tweede en derde lid, worden verstrekt die voor de naleving van de bij en krachtens de wet gegeven voorschriften van belang zijn.relaties0
    relaties0
  • 2. De personen, bedoeld in het eerste lid, legitimeren zich bij de verwerker zodanig dat deze kan vaststellen dat zij geregistreerde of geherregistreerde, werkgever, opdrachtgever, gemachtigde, andere direct betrokkene of toezichthouder zijn.relaties0
relaties0

Artikel 1.1f Aanpassing gegevens op verzoek geregistreerde of geherregistreerde

relaties0

Artikel 1.1g Informeren geregistreerde of geherregistreerde

De minister informeert de geregistreerde of geherregistreerde desgevraagd over:

  • a.door hem genomen besluiten betreffende een verzoek om informatie of inzage als bedoeld in artikel 1.1e, eerste lid, onder b, c en d; enrelaties0
  • b.door hem anders dan op verzoek van de geregistreerde of geherregistreerde in dat register aangepaste gegevens dan wel uit het register verwijderde gegevens.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 1.1h Misbruik of zoekraken van het bewijs van registratie of herregistratie

  • 1. De geregistreerde of geherregistreerde voorkomt misbruik en het zoekraken van het bewijs van registratie of herregistratie door derden.relaties0
  • 2. De constatering van misbruik en het zoekraken van het bewijs van registratie of herregistratie meldt de geregistreerde of geherregistreerde binnen tien dagen schriftelijk of digitaal aan de minister.relaties0
relaties0
relaties0

Paragraaf 1.2 Algemene bepalingen over opleidingen

Artikel 1.2 Algemeen

Voor zover in deze regeling regels zijn gesteld over opleidingen zijn de artikelen 1.3 tot en met 1.8 van toepassing.

relaties0relaties0

Artikel 1.3 Materiaal

De opleiding wordt gegeven aan de hand van aan de cursisten ter beschikking gesteld overzichtelijk schriftelijk opleidingsmateriaal van voldoende didactische kwaliteit.

relaties0relaties0

Artikel 1.4 Docenten

De docenten beschikken voor de onderwerpen die zij tijdens de opleiding behandelen aantoonbaar over ruime theoretische, praktische en didactische kennis of vaardigheden.

relaties0relaties0

Artikel 1.5 Faciliteiten

  • 1. De opleidingsinstelling beschikt over adequate opleidingsfaciliteiten.relaties0
  • 2. De opleidingsinstelling biedt de opleiding ten minste twee maal per jaar aan en voert haar ten minste eenmaal per jaar uit.relaties0
  • 3. De opleidingsinstelling legt de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van alle betrokkenen bij de opleiding schriftelijk vast.relaties0
  • 4. De opleidingsinstelling treft adequate maatregelen om de veiligheid van de cursisten zoveel mogelijk te waarborgen.relaties0
relaties0

Artikel 1.6 Toetsing eindtermen

  • 1. De toetsing van de eindtermen vindt plaats door middel van een examen.relaties0
  • 2. De opleidingsinstelling neemt de examens af aan de hand van een deugdelijk en op schrift gesteld examenreglement.relaties0
relaties0

Artikel 1.7 Diploma

De opleidingsinstelling overhandigt de cursist die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, een op naam gesteld schriftelijk bewijs, getekend door twee leden van de examencommissie dan wel het hoofd van de opleidingsinstelling.

relaties0relaties0

Artikel 1.7a Buitenlandse getuigschriften en kwalificaties van vakbekwaamheid [Vervallen per 01-10-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 1.8 Administratie

De opleidingsinstelling voert een deugdelijke administratie waarin de persoonlijke gegevens van de cursist en de datum waarop het schriftelijk bewijs, bedoeld in artikel 1.7 is uitgereikt in ieder geval zijn opgenomen en waarin de periode is bepaald gedurende welke de examenopgaven en de uitwerkingen daarvan worden bewaard.

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 1.3 Erkenning EU-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele dienstverrichting

Artikel 1.9 Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

relaties0relaties0

Artikel 1.9aa Taken en bevoegdheden certificerende instelling

De taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5, 6, 8, 11, 12, 13, 17, 19, 22, 23, 27, 28, 29, 30, 30a, 31, 31b, 32a, 34 en 35 van de wet worden indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit heeft aangewezen, uitgeoefend door die certificerende instelling.

relaties0relaties0

Artikel 1.9a Erkenning EU-beroepskwalificaties

  • 1. Het verzoek om registratie of herregistratie, bedoeld in artikel 1.5j, vijfde lid, van het besluit, dan wel om een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 1.5h van het besluit, wordt ingediend bij de minister, of indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5a van het besluit heeft aangewezen, bij die instelling, onder verstrekking van de volgende documenten:
    • a.de documenten betreffende nationaliteit en verblijf, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de wet;relaties0
    • b.een gewaarmerkte kopie van een in een betrokken staat verkregen opleidingstitel of bekwaamheidsattest waarop de aanvrager zich beroept;relaties0
    • c.in voorkomend geval een bewijs van zijn beroepservaring, waarbij in ieder geval inzicht wordt verschaft in de duur van deze beroepservaring en de onderdelen en inhoud waaruit de beroepswerkzaamheden hebben bestaan;relaties0
    • d.een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of een met die verklaring overeenkomend document als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet, of een attest waaruit blijkt van een verklaring onder ede of plechtige verklaring als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet indien een dergelijke verklaring ook van eigen onderdanen wordt vereist;relaties0
    • e.een document inzake gezondheid als bedoeld in artikel 15 van de wet indien een dergelijk document ook van eigen onderdanen wordt vereist; enrelaties0
    • f.indien het verzoek en de in de onderdelen b, c, d en e bedoelde documenten in een andere dan de Nederlandse taal zijn gesteld, wordt op verzoek van de minister, dan wel de door hem aangewezen instelling, bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, zo nodig een vertaling in het Nederlands overlegd die is opgesteld door een beëdigd vertaler. Indien de minister of hiervoor genoemde instelling daarmee instemt, kan een vertaling van de documenten in een andere taal dan het Nederlands worden overlegd.relaties0
    relaties0
  • 2. De minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, stelt in het kader van de erkenning van beroepskwalificaties vast of de verzoeker beschikt over het beroepskwalificatieniveau, bedoeld in de artikelen 6 en 9 van de wet en met inachtneming van de termijnen, genoemd in artikel 19 van de wet.relaties0
  • 3. Met inachtneming van artikel 11 van de wet stelt de minister of indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, de verzoeker op de hoogte van de eis van het met goed gevolg afleggen van een compenserende maatregel.relaties0
  • 4. De kosten verbonden aan het in behandeling nemen van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, en aan het afleggen van een compenserende maatregel als bedoeld in artikel 11 van de wet, worden doorberekend aan de verzoeker. Deze kosten worden bij de verzoek voldaan overeenkomstig de aanwijzingen van de certificerende instelling.relaties0
  • 5. In geval op grond van artikel 11 van de wet aan de verzoeker de eis wordt gesteld dat hij een aanpassingsstage volgt:
    • a.wordt de verzoeker geïnformeerd over:
      • 1°.de ontbrekende kennis, vaardigheden en competenties waarop de aanpassingsstage betrekking heeft;relaties0
      • 2°.de duur van de aanpassingsstage;relaties0
      • 3°.overige eisen die het kader van de aanpassingsstage worden gesteld; enrelaties0
      relaties0
    • b.verricht de verzoeker tijdens deze periode werkzaamheden onder verantwoordelijkheid en begeleiding van een deskundige die is geregistreerd of geherregistreerd in het voor het desbetreffende vakgebied wettelijk verplicht gestelde register dan wel, in de overige gevallen, die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid op het desbetreffende vakgebied.relaties0
    relaties0
  • 6. In geval op grond van artikel 11 van de wet aan de verzoeker de eis wordt gesteld dat hij een proeve van bekwaamheid aflegt, wordt de verzoeker geïnformeerd over:
    • a.de ontbrekende kennis, vaardigheden en competenties waarop de proeve van bekwaamheid betrekking heeft;relaties0
    • b.de kosten; enrelaties0
    • c.overige eisen die in het kader van de proeve van bekwaamheid worden gesteld.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 1.9b Meldingsplicht en te verstrekken documenten bij tijdelijke en incidentele dienstverrichting

  • 1. Voorafgaand aan de eerste dienstverrichting doet de dienstverrichter, die een beroep uitoefent als genoemd in de artikelen 3.5h, derde lid, 4.8, tweede en derde lid, 4.9, tweede lid, 4.54d, vijfde en zevende lid, 6.16, derde en zesde lid, en 7.32, eerste lid, van het besluit, melding aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, en verstrekt daarbij de volgende documenten:
    • a.een schriftelijke verklaring waaruit blijkt welk gereglementeerd beroep de dienstverrichter in Nederland komt verrichten en waarin gegevens zijn opgenomen betreffende de verzekeringsdekking of soortgelijke bescherming tegen financiële risico’s van beroepsaansprakelijkheid;relaties0
    • b.de documenten betreffende nationaliteit en verblijf, bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdeel a, van de wet;relaties0
    • c.een bewijs van beroepskwalificaties;relaties0
    • d.een bewijs dat de dienstverrichter gerechtigd is om het betreffende beroep uit te oefenen in een andere betrokken staat dan Nederland;relaties0
    • e.een document dat niet ouder dan drie maanden is, waaruit blijkt dat ten aanzien van de aanvrager geen maatregel berustend op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing van kracht is, op grond waarvan de rechten op de uitoefening van het betreffende beroep in het land waar de beslissing is gegeven, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend zijn verloren;relaties0
    • f.indien de aanvrager houder is van een opleidingstitel die is afgegeven in een ander land dan de betrokken staat van vestiging, een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de opleidingstitel door het daarvoor bevoegd gezag van de betrokken staat van vestiging is erkend;relaties0
    • g.Indien het beroep dat of de opleiding van de aanvrager die leidt tot toegang tot of tot uitoefening van het beroep, niet is gereglementeerd in de betrokken staat van vestiging, een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager in de tien jaar voorafgaand aan de dienstverrichting in Nederland gedurende ten minste een jaar het betreffende beroep heeft uitgeoefend in de betrokken staat van vestiging; enrelaties0
    • h.een document inzake gezondheid als bedoeld in artikel 15 van de wet indien een dergelijk document ook van eigen onderdanen wordt vereist.relaties0
    relaties0
  • 2. De dienstverrichter verstrekt de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde verklaring een maal per jaar indien hij voornemens is gedurende dat jaar in Nederland diensten te verrichten. Daarbij verstrekt de dienstverrichter opnieuw de documenten, genoemd in het eerste lid, voor zover zich daarin een wijziging heeft voorgedaan.relaties0
  • 3. Indien de documenten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c, d, e, f, g en h, in een andere taal dan de Nederlandse taal zijn gesteld, wordt op verzoek van de minister, dan wel de door hem aangewezen instelling, bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, zo nodig een vertaling in het Nederlands overlegd die is opgesteld door een beëdigd vertaler. Indien de minister of de hiervoor genoemde instelling daarmee instemt, kan een vertaling van de documenten in een andere taal dan het Nederlands worden overlegd. Afschriften van deze documenten zijn gewaarmerkt.relaties0
relaties0

Artikel 1.9c Controle beroepskwalificaties bij tijdelijke en incidentele dienstverrichting voor beroepen die verband houden met de volksgezondheid of openbare veiligheid

  • 1. Voorafgaand aan de eerste dienstverrichting controleert de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, op grond van artikel 27 van de wet de beroepskwalificaties van de dienstverrichter, bedoeld in artikel 1.9b.relaties0
  • 2. In aanvulling op de documenten, genoemd in artikel 1.9b, eerste lid, verstrekt de dienstverrichter de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, desgevraagd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.9b, derde lid, de volgende documenten:
    • a.het programma van de opleiding tot het desbetreffende beroep, onderverdeeld in theorie en praktijkvakken, met opgave van de duur van het onderwijs in die vakken, afkomstig van de instelling waarbij de dienstverrichter de opleidingstitel heeft behaald;relaties0
    • b.cijferlijsten en beoordelingen van studieresultaten, praktijkperiode of stages van de dienstverrichter; enrelaties0
    • c.bewijsstukken van eventuele beroepservaring en aanvullend onderwijs.relaties0
    relaties0
  • 3. De minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, beslist met inachtneming van de termijnen, genoemd in artikel 28 van de wet.relaties0
  • 4. In geval van constatering van wezenlijke verschillen als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de wet, biedt de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, de dienstverrichter de mogelijkheid om door middel van een proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 1.9d, aan te tonen dat hij over de ontbrekende kennis, vaardigheden of competenties beschikt.relaties0
  • 5. De dienstverrichter ontvangt van de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit heeft aangewezen, die instelling, een schriftelijke verklaring in de vorm van een bewijs van toetsing indien op grond van de controle de beroepskwalificaties voldoende zijn voor tijdelijke en incidentele dienstverrichting in Nederland.relaties0
relaties0

Artikel 1.9d Proeve van bekwaamheid bij tijdelijke en incidentele dienstverrichting

  • 1. De dienstverrichter, bedoeld in artikel 1.9b, wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, in de gelegenheid gesteld de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 1.9c, vierde lid, af te leggen. Artikel 1.9a, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.relaties0
  • 2. Na het afleggen van de proeve van bekwaamheid zendt de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, een bewijs van toetsing aan de dienstverrichter indien het resultaat van de proeve van bekwaamheid voldoende is voor tijdelijke en incidentele dienstverrichting in Nederland.relaties0
  • 3. Indien het resultaat van de proeve van bekwaamheid onvoldoende is, heeft de dienstverrichter het recht nogmaals een proeve van bekwaamheid af te leggen.relaties0
relaties0

Artikel 1.9da Geldigheidsduur opname in register, certificaat van vakbekwaamheid en bewijs van toetsing

  • 1. Registratie of herregistratie als bedoeld in artikel 1.5j, vijfde lid, van het besluit, een certificaat dat op grond van artikel 1.5h van het besluit is afgegeven, en een bewijs van toetsing dat op grond van de artikelen 1.9c of 1.9d is afgegeven, ten behoeve van tijdelijke en incidentele dienstverrichting, hebben een geldigheidsduur die gelijk is aan de geldigheidsduur van de registratie of herregistratie in het register, genoemd in artikel 1.5j, eerste lid, van het besluit, dan wel van het persoonscertificaat dat op grond van artikel 20 van de wet, bedoeld in artikel 1.5f van het besluit, vereist is voor de uitoefening van hetzelfde beroep.relaties0
  • 2. De geldigheid van het bewijs van toetsing, bedoeld in het eerste lid, kan door de minister worden beperkt of beëindigd naar aanleiding van controles die zijn uitgevoerd in het kader van toezicht.relaties0
relaties0

Artikel 1.9e Registratie [Vervallen per 04-10-2016]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 1.4 Melding beroepsziekten

Artikel 1.10 Gegevens arbeidsongevallen [Vervallen per 01-01-2007]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 1.11 Gegevens beroepsziekten

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder beroepsziekte: een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden.relaties0
  • 2. De mededeling van een beroepsziekte, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet omvat ten minste de volgende, niet tot een individuele natuurlijke persoon herleidbare, gegevens:
    • a.de diagnose;relaties0
    • b.het geslacht en het geboortejaar van de werknemer;relaties0
    • c.de aard en de mate van de belasting in arbeid of arbeidsomstandigheden;relaties0
    • d.de aard van de werkzaamheden ten tijde van het ontstaan van de beroepsziekte;relaties0
    • e.het beroep van de werknemer ten tijde van de blootstelling, enrelaties0
    • f.de economische activiteit van de werkgever ten tijde van de blootstelling.relaties0
    relaties0
  • 3. De in het tweede lid bedoelde gegevens worden verstrekt overeenkomstig de aanwijzingen van de instelling, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet.relaties0
relaties0

Artikel 1.12 Vergoeding uitvoeringskosten aangewezen instelling als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet

  • 1. De minister en de door de minister aangewezen instelling, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet leggen jaarlijks de afspraken over de uitoefening van de taken door de aangewezen instelling en de samenwerking vast in uitvoeringsafspraken.relaties0
  • 2. Op verzoek van en in overleg met de minister dient de aangewezen instelling uiterlijk 1 december van enig kalenderjaar een jaarplan in voor het daaropvolgende kalenderjaar. Het jaarplan bevat een begroting. De minister beslist over de goedkeuring van het jaarplan.relaties0
  • 3. Op verzoek van de minister en in overleg met de aangewezen instelling kunnen gedurende het kalenderjaar wijzigingen in het jaarplan worden aangebracht indien deze verband houden met nadere afspraken die in het verlengde liggen van de gemaakte uitvoeringsafspraken, bedoeld in het eerste lid. De minister beslist over de goedkeuring van een wijziging in het jaarplan.relaties0
  • 4. De minister en de aangewezen instelling voeren jaarlijks ten minste tweemaal overleg over de voortgang en uitvoering van het jaarplan.relaties0
  • 5. Enkel daadwerkelijk door de aangewezen instelling binnen de goedgekeurde begroting gemaakte kosten worden door de minister vergoed. De aangewezen instelling voert een gescheiden en op het jaarplan aansluitende administratie met betrekking tot de daadwerkelijk gemaakte kosten en verrichte activiteiten.relaties0
  • 6. De aangewezen instelling dient uiterlijk voor 1 april van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het jaarplan betrekking heeft een verantwoording van het jaarplan in. De verantwoording bestaat uit:
    • a.een inhoudelijk verslag met het oog op de beoordeling van de resultaten van de verrichte activiteiten;relaties0
    • b.een financiële verantwoording die aansluit bij de goedgekeurde begroting, enrelaties0
    • c.een verklaring van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid, van die wet.relaties0
    relaties0
  • 7. Na acceptatie van de eindverantwoording verricht de minister de eindbetaling. Indien de activiteiten niet binnen de vastgestelde termijn zijn verricht op een wijze die aan de uitvoeringsafspraken voldoet, kan een bedrag in mindering worden gebracht.relaties0
  • 8. In afwijking van het tweede lid geldt voor het jaar 2018 dat het jaarplan over dat jaar uiterlijk 15 januari 2018 wordt ingediend.relaties0
relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 2 Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie, deskundigen en arbodiensten

Paragraaf 2.1 Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie

Artikel 2.0 Veiligheidsbeheerssysteem

In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit komen ten minste de elementen aan de orde, genoemd in bijlage I bij deze regeling.

relaties0relaties0

Artikel 2.0a Procedures risico-inventarisatie en -evaluatie

  • 1. De procedures voor de systematische identificatie van de ongewenste gebeurtenissen en de evaluatie van de risico’s van zware ongevallen, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, onder a, van het besluit, hebben betrekking op:
    • a.het verrichten van systematisch onderzoek naar de aan een installatie verbonden risico’s van een zwaar ongeval tijdens het ontwerp, de bouw, het gebruik en het onderhoud van de installatie, alsmede bij voorgenomen wijzigingen daarvan;relaties0
    • b.de criteria voor het bepalen van de methoden voor het onderzoek als bedoeld onder a;relaties0
    • c.de methode voor de evaluatie van de risico’s van zware ongevallen.relaties0
    relaties0
  • 2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde onderzoeksmethode is afgestemd op de in dat lid, onderdeel a, bedoelde fasen.relaties0
  • 3. De methode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is geschikt om vast te stellen welke maatregelen nodig zijn ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan.relaties0
relaties0

Artikel 2.0b Beschrijving van scenario’s

  • 1. De beschrijving van de scenario’s, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, onder b, van het besluit, heeft betrekking op de onderdelen van installaties die de grootste risico’s van een zwaar ongeval met zich meebrengen. De identificatie van de betreffende onderdelen van de installaties vindt plaats op basis van een gedocumenteerde methode.relaties0
  • 2. Bij de beschrijving van de scenario’s, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste in aanmerking genomen welke van de volgende voorvallen deze scenario’s op gang kunnen brengen: corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk, onderdruk, lage temperatuur, hoge temperatuur, trillingen, menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud.relaties0
  • 3. Van elk scenario wordt aangegeven wat de waarschijnlijkheid en het effect is en welke maatregelen getroffen zijn om te voorkomen dat het scenario zich voordoet.relaties0
  • 4. Voorts wordt van elk scenario, met inachtneming van de reeds getroffen maatregelen, een samenhangend inzicht geboden in:
    • a.de resterende kans dat een zwaar ongeval geschiedt;relaties0
    • b.de ernst van de gevolgen die het ongeval in dat geval zal hebben;relaties0
    • c.welke verdere maatregelen technisch mogelijk zijn om de kans op een zwaar ongeval verder te verkleinen tot een daarbij aan te geven niveau;relaties0
    • d.een indicatie van de kosten die verbonden zouden zijn aan het treffen van de maatregelen, bedoeld in onderdeel c.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 2.0c Intern noodplan

Het intern noodplan, bedoeld in artikel 2.5c van het besluit, bevat ten minste de gegevens en de beschrijvingen, bedoeld in bijlage II bij deze regeling.

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 2.2 Taken van deskundigen en arbodiensten

Artikel 2.1 Risico-inventarisatie en -evaluatie

relaties0

Artikel 2.2 Ziekteverzuimbegeleiding

Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de wet ondersteunt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst de werkgever bij het adequaat begeleiden van werknemers die door ziekte niet in staat zijn om hun arbeid te verrichten teneinde een verantwoorde werkhervatting te bevorderen. Voor het uitvoeren van deze taak legt de bedrijfarts of de arbodienst vast:

  • a.op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;relaties0
  • b.op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens over het verzuim van werknemers;relaties0
  • c.op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen is gewaarborgd. relaties0
relaties0relaties0

Artikel 2.3 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek

Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet legt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast:

  • a.op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;relaties0
  • b.op welke wijze de periodiciteit en de inhoud van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek zijn geregeld;relaties0
  • c.hoe met bedrijven afspraken worden gemaakt over de wijze waarop werknemers van het recht op het arbeidsgezondheidskundig onderzoek gebruik kunnen maken;relaties0
  • d.op welke indicaties groepsgewijze arbeidsgezondheidskundige onderzoeken plaats kunnen vinden;relaties0
  • e.op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens die uit arbeidsgezondheidskundige onderzoeken voortvloeien;relaties0
  • f.op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen is gewaarborgd.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 2.4 Aanstellingskeuring

Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet legt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast:

  • a.op welke wijze de aanstellingskeuring wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;relaties0
  • b.op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens die uit het onderzoek in het kader van de aanstellingskeuring voortvloeien;relaties0
  • c.op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen wordt gewaarborgd. relaties0
relaties0relaties0

Artikel 2.5 Arbeidsomstandighedenspreekuur [Vervallen per 01-01-2007]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.6 Melding wijziging organisatievorm

De arbodienst meldt een wijziging van zijn organisatievorm terstond aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bedoeld in artikel 2.7.

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 2.3 Certificatie

Artikel 2.7 Aanwijzing certificerende instelling

Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.14, eerste en tweede lid, van het besluit, kan worden aangewezen een instelling die voldoet aan de eisen vastgelegd in Deel 2 van het Certificatieschema Arbodiensten dat is vastgesteld door de Stichting Beheer Certificatieregeling Arbodiensten op 9 november 2018 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 5 december 2018, Stcrt. 2018, 68321.

relaties0relaties0

Artikel 2.8 Eisen aan de arbodienst

Een certificaat arbodienst als bedoeld in artikel 2.14, eerste en tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een instelling heeft aangewezen als bedoeld in artikel 2.7, door die instelling afgegeven indien wordt voldaan aan de eisen vastgelegd in Deel 1 van het Certificatieschema Arbodiensten dat is vastgesteld door de Stichting Beheer Certificatieregeling Arbodiensten op 9 november 2018 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 5 december 2018, Stcrt. 2018, 68321.

relaties0relaties0

Artikel 2.9 Klachtenprocedure [Vervallen per 01-07-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.10 Verrichten controle [Vervallen per 01-07-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.11 Afgifte certificaat arbodienst [Vervallen per 01-04-2013]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.12 Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat externe arbodienst [Vervallen per 01-04-2013]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.12a [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.12b [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.13 Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat interne arbodienst [Vervallen per 01-04-2013]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.14 Eisen voor de aanwijzing als certificerende instelling op het werkveld arbodeskundigen

Een aanwijzing als certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van het besluit, kan geschieden indien de aanvragende instelling voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifieke document voor Aanwijzing en Toezicht op de certificatieinstellingen belast met persoonscertificatie op het gebied van Arbeids- en Organisatiedeskundige, Arbeidshygiënist en Hogere Veiligheidskundige, document: WDAT-ARBO, zoals opgenomen in bijlage IIc bij de regeling.

relaties0relaties0

Artikel 2.15 Afgifte certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne

Een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het persoonscertificaat Arbeidshygiënist, document: WSCS-AH, zoals opgenomen in bijlage IId bij de regeling.

relaties0relaties0

Artikel 2.16 Afgifte certificaat van vakbekwaamheid veiligheidskundige

Een certificaat van vakbekwaamheid veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het persoonscertificaat Hogere veiligheidskundige, document: WSCS-HVK, zoals opgenomen in bijlage IIe bij de regeling.

relaties0relaties0

Artikel 2.17 Afgifte certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en organisatiekunde

Het certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en organisatiekunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen vastgelegd in het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het persoonscertificaat Arbeids- en Organisatiedeskundige, document: WSCS-AO, opgenomen in bijlage IIf bij de regeling.

relaties0relaties0

Artikel 2.18 Verstrekken gegevens certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, arbeidshygiëne, veiligheidskunde en arbeids- en organisatiekunde [Vervallen per 03-12-2004]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 2.4 EG-verklaring [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 2.19 Aanvraag [Vervallen per 01-01-2009]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.20 Vereisten [Vervallen per 01-01-2009]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.21 Afgifte [Vervallen per 01-01-2009]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.22 Proeve van bekwaamheid en aanpassingsstage [Vervallen per 01-01-2009]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 2.5 Vrijstelling [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 2.23 Vrijstelling bijstand arbodienst bij ziekteverzuim [Vervallen per 01-07-2005]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.24 Vrijstelling bijstand arbodienst bij risico-inventarisatie en -evaluatie [Vervallen per 01-07-2005]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.25 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 2.26 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 3 Winningsindustrieën met behulp van boringen

Paragraaf 3.1 Bouwproces [Vervallen per 01-07-2012]

Artikel 3.1 Model kennisgeving [Vervallen per 01-07-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 3.2 Winningsindustrieën met behulp van boringen

Artikel 3.2 Definities

In deze paragraaf en paragraaf 3.3 wordt verstaan onder:

a. risico-analyse:

systematisch onderzoek van risico's voor de veiligheid en de gezondheid op basis waarvan een beoordeling van die risico's wordt gemaakt als bedoeld in artikel 5 van de wet;

b. acceptatiecriteria:

de grenzen waarbinnen risico's aanvaardbaar zijn;

c. prestatienormen:

duidelijke en meetbare parameters ten aanzien van die prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen, die direct bijdragen aan de verwezenlijking van veiligheids- en gezondheidsdoelstellingen;

d. mijnbouwwerk:

een werk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet;

e. mijnbouwinstallatie:

een installatie als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, onderdeel f, van het besluit;

f. richtlijn:

richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178);

g. veiligheids- en gezondheidszorgsysteem:

een systeem als bedoeld in de artikelen 2.42e, eerste lid, en 2.42k, tweede lid, van het besluit;

h. veiligheids- en gezondheidsdocument:

een document als bedoeld in de artikelen 2.42f, eerste lid, en 2.42k, eerste lid, van het besluit.

relaties0relaties0

Artikel 3.2a Bepaling risico’s en grenzen

  • 1. De risico’s in het kader van de risico-analyse, bedoeld in artikel 3.2, onderdeel a, worden kwalitatief en, voor zover mogelijk, kwantitatief bepaald.relaties0
  • 2. De grenzen in het kader van bepaling van de acceptatiecriteria, bedoeld in artikel 3.2, onderdeel b, worden, voor zover mogelijk, kwantitatief bepaald. Voor zover dit niet mogelijk is, worden deze grenzen kwalitatief bepaald.relaties0
relaties0

Artikel 3.3 Veiligheids- en gezondheidszorgsysteem

Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem is gebaseerd op een procesgerichte internationaal erkende norm voor de beheersing van veiligheid, gezondheid, kwaliteitszorg of milieu.

relaties0relaties0

Artikel 3.4 Vastlegging veiligheids- en gezondheidszorgsysteem

  • 1. Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt schriftelijk vastgelegd.relaties0
  • 2. In de beschrijving van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt aangegeven wat de onderdelen van dit systeem inhouden en hoe de samenhang is tussen deze onderdelen. relaties0
relaties0

Artikel 3.5 Doorlichting veiligheids- en gezondheidszorgsysteem

  • 1. Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt regelmatig doorgelicht op basis van internationaal erkende normen voor het doorlichten van zorgsystemen.relaties0
  • 2. De aard en de frequentie van de doorlichting wordt zodanig gekozen dat de doeltreffendheid van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem telkens na een periode van drie jaar kan worden bepaald. relaties0
relaties0

Artikel 3.6 Veiligheids- en gezondheidsdocument

  • 1. Er wordt een veiligheids- en gezondheidsdocument opgesteld voor de volgende mijnbouwwerken:
    • a. ieder mijnbouwwerk op het land;relaties0
    • b. iedere vast opgestelde mijnbouwinstallatie;relaties0
    • c. iedere als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, enrelaties0
    • d. iedere andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat worden uitgevoerd;relaties0
    relaties0
  • 2. Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, is op de mijnbouwwerken, bedoeld in het eerste lid, aanwezig. relaties0
relaties0

Artikel 3.7 Veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden

  • 1. Voor zover niet reeds bij het opstellen van het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, hiermee rekening is gehouden, wordt er een veiligheids- en gezondheidsdocument opgesteld voor de volgende bijzondere werkzaamheden:
    • a. het boren van een boorgat;relaties0
    • b. het uitvoeren van werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat, enrelaties0
    • c. het gelijktijdig uitvoeren van werkzaamheden op een mijnbouwwerk of op of in de nabijheid van een mijnbouwinstallatie, indien het gelijktijdig uitvoeren van deze werkzaamheden een gevaar voor de veiligheid en de gezondheid vormt.relaties0
    relaties0
  • 2. Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, is bij de uit te voeren werkzaamheden aanwezig. relaties0
relaties0

Artikel 3.8 Onderdelen veiligheids- en gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken

relaties0

Artikel 3.9 Inhoud veiligheids- en gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken

Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, bevat:

  • a. een duidelijke en nauwkeurige beschrijving van het mijnbouwwerk alsmede van de werkzaamheden die op het mijnbouwwerk worden uitgevoerd, met inbegrip van een aanduiding van de voorzieningen die in het ontwerp van het mijnbouwwerk zijn opgenomen ter uitsluiting of vermindering van de risico's;relaties0
  • b. in aanvulling op onderdeel a, de informatie, bedoeld in bijlage IV bij deze regeling;relaties0
  • c. de informatie, bedoeld in bijlage V bij deze regeling, met betrekking tot het brandbestrijdingsplan;relaties0
  • d. de informatie, bedoeld in onderdeel c, is gebaseerd op de opgave, bedoeld in artikel 2.42f, eerste lid, onder a, van het besluit;relaties0
  • e. een opgave van de acceptatiecriteria;relaties0
  • f. een lijst van alle geïdentificeerde en geanalyseerde risico's, inclusief een samenvatting van het onderzoek dat in dit kader is verricht voor het mijnbouwwerk op het land of de vast opgestelde mijnbouwinstallatie als bedoeld in bijlage VI bij deze regeling of voor de als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie of een andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd, bedoeld in bijlage VII bij deze regeling;relaties0
  • g. een specificatie van de bronnen, die zijn gebruikt bij het identificeren, analyseren en evalueren van de risico's, met inbegrip van een beschrijving van de wijze waarop de geschiktheid en betrouwbaarheid van de bronnen is vastgesteld;relaties0
  • h. een beoordeling van de doeltreffendheid en geschiktheid van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem voor het mijnbouwwerk met inbegrip van de resultaten en de noodzakelijk bevonden wijzigingen of aanvullingen van dat zorgsysteem;relaties0
  • i. een samenvatting, in niet-technische terminologie, van het onderzoek, bedoeld in bijlage VI en VII bij deze regeling, dat is verricht in het kader van het opstellen van het veiligheids- en gezondheidsdocument;relaties0
  • j. een opgave van de noodzakelijk geachte risicoverminderende maatregelen, inclusief een samenvatting van al het onderzoek dat in dit kader is verricht;relaties0
  • k. een opgave van de prestatienormen;relaties0
  • l. de grenzen waarbinnen de op het mijnbouwwerk gebruikte apparatuur en beheerssystemen normaal kunnen functioneren;relaties0
  • m. een actieplan met tijdpad voor de realisatie van de maatregelen, bedoeld in onderdeel j;relaties0
  • n. een toetsing van de vermelde risico's aan de acceptatiecriteria;relaties0
  • o. een toetsing van de prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen aan de prestatienormen, enrelaties0
  • p. een schriftelijke verklaring dat de risico's ten minste binnen de van tevoren vastgestelde acceptatiecriteria en prestatienormen vallen. relaties0
relaties0relaties0

Artikel 3.10 Inhoud veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden

  • 1. Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.7, bevat:
    • a. een overzichtstekening waarop de combinaties, bedoeld in het tweede lid, zijn aangegeven;relaties0
    • b. een opgave van de acceptatiecriteria;relaties0
    • c. een beoordeling en een evaluatie van de gevaren en de daarmee samenhangende risico's die specifiek zijn voor de locatie en voor de werkzaamheden waarop het veiligheids- en gezondheidsdocument betrekking heeft;relaties0
    • d. een specificatie van de bronnen, die zijn gebruikt bij het identificeren, analyseren en evalueren van de risico's, met inbegrip van een beschrijving van de wijze waarop de geschiktheid en betrouwbaarheid van de bronnen is vastgesteld;relaties0
    • e. een evaluatie van alle beheerssystemen die bijdragen aan de vermindering van de risico's;relaties0
    • f. een opgave van de noodzakelijk geachte risicoverminderende maatregelen, inclusief een samenvatting van al het onderzoek dat in dit kader is verricht;relaties0
    • g. een opgave van de prestatienormen;relaties0
    • h. een toetsing van de vermelde risico's aan de acceptatiecriteria, enrelaties0
    • i. een toetsing van de prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen aan de prestatienormen.relaties0
    relaties0
  • 2. In het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, worden de maatregelen, die noodzakelijk zijn voor het beheersen van risico's, afgestemd op het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, indien bij het uitvoeren van werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een combinatie van:relaties0
relaties0

Artikel 3.11 Toezenden voorontwerprapport en veiligheids- en gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken

relaties0

Artikel 3.12 Toezenden van het veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden

relaties0

Artikel 3.13 Naleving veiligheids- en gezondheidsdocument

  • 1. De werkgever die verantwoordelijk is voor het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, gaat na of het veiligheids- en gezondheidsdocument, met uitzondering van het voorontwerprapport, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder a, wordt nageleefd.relaties0
  • 2. De werkgever die verantwoordelijk is voor het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, beoordeelt regelmatig en systematisch de naleving en de doeltreffendheid van het veiligheids- en gezondheidsdocument.relaties0
  • 3. Indien de resultaten van de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, daartoe aanleiding geven, herziet de werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats het veiligheids- en gezondheidsdocument. De herziene delen van het veiligheids- en gezondheidsdocument worden, alvorens het gewijzigde veiligheids- en gezondheidsdocument wordt uitgevoerd, in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen toezichthouder. relaties0
relaties0

Artikel 3.14 Noodplan

relaties0
relaties0

Paragraaf 3.3 Winningsindustrieën voor het opsporen en de winning van koolwaterstoffen

Artikel 3.15 Schakelbepaling

Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie voor het opsporen en de winning van koolwaterstoffen zijn naast de voorschriften van paragraaf 3.2 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften van deze paragraaf van toepassing.

relaties0relaties0

Artikel 3.16 Veiligheids- en gezondheidszorgsysteem in verband met zware ongevallen

In aanvulling op artikel 3.4 bevat de aanvulling op het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem, bedoeld in artikel 2.42k, tweede lid, van het besluit, ten minste de informatie, genoemd in de bijlagen I, onderdeel 9, en IV, onderdeel 1, bij de richtlijn.

relaties0relaties0

Artikel 3.17 Veiligheids- en gezondheidsbeleid en -document in verband met zware ongevallen

In aanvulling op de artikelen 3.8 en 3.9 bevat het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.8, eerste respectievelijk tweede lid, over de aanvulling op het arbeidsomstandighedenbeleid, bedoeld in artikel 2.42k, eerste lid, van het besluit, ten minste de informatie, genoemd in de bijlagen I, onderdeel 8, en IV, onderdeel 1, bij de richtlijn.

relaties0relaties0

Artikel 3.18 Risico-inventarisatie en -evaluatie in verband met zware ongevallen bij mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b

relaties0

Artikel 3.19 Risico-inventarisatie en -evaluatie in verband met zware ongevallen bij mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c en d

relaties0

Artikel 3.20 Noodplan in verband met zware ongevallen

In aanvulling op artikel 3.14, eerste lid, bevat de aanvulling op het noodplan, bedoeld in artikel 3.37za, eerste lid, van het besluit, ten minste de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 10, bij de richtlijn, met dien verstande dat onder extern rampenplan als bedoeld in de punten 2 en 9 wordt verstaan: het Incidentbestrijdingsplan Noordzee, bedoeld in artikel 23 van de Wet bestrijding maritieme ongevallen, het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, of het rampbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet veiligheidsregio’s.

relaties0relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 4 Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen

Paragraaf 4.1 Veiligheid aan op of in tankschepen

Artikel 4.1 Definities

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.brandbare vloeistoffen: vloeistoffen waarvan het vlampunt niet hoger is dan 100°C;relaties0
  • b.K0-, K1- en K2-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, met een vlampunt lager of gelijk aan 55°C, waaronder mede begrepen brandbare gassen, al dan niet in vloeibare vorm, voor zover niet begrepen onder KT-vloeistoffen;relaties0
  • c.K3-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, geen KT-vloeistoffen zijnde, waarvan het vlampunt hoger is dan 55°C;relaties0
  • d. KT-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, waaronder mede begrepen brandbare gassen, al dan niet in vloeibare vorm, welke gevaar voor vergiftiging, bedwelming of verstikking kunnen opleveren;relaties0
  • e. T-vloeistoffen: vloeistoffen, niet zijnde brandbare vloeistoffen, waaronder mede begrepen gassen, al dan niet in vloeibare vorm, welke gevaar voor vergiftiging bedwelming of verstikking kunnen opleveren;relaties0
  • f. K1-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin K0-, K1- of K2-vloeistoffen en geen KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;relaties0
  • g. K3-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin geen andere brandbare vloeistoffen dan K3-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;relaties0
  • h. KT-ruimte:een tot een schip behorende ruimte waarin KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;relaties0
  • i.T-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin T-vloeistoffen en geen KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;relaties0
  • j. K1-schip: een schip waarvan een of meer van de ladingtanks een K1-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was;relaties0
  • k. K3-schip: een schip, in de ladingtanks waarvan noch andere brandbare vloeistoffen dan K3-vloeistoffen geen T-vloeistoffen of resten van een van die vloeistoffen anders dan in verpakking voorkomen;relaties0
  • l.KT-schip: een schip waarvan een of meer van de ladingtanks een KT-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was;relaties0
  • m. T-schip: een schip, niet zijnde een K1- of KT-schip, waarvan een of meer van de ladingtanks een T-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was;relaties0
  • n. vuur: vuur, vonkvorming, open licht of elk oppervlak met een temperatuur welke gelijk is aan of hoger is dan de minimumontstekingstemperatuur van de vloeistoffen of de gassen die de ladingtanks bevatten of waarvan resten in die tanks voorkomen;relaties0
  • o. werk met vuur: werkzaamheden waarbij vuur wordt gebruikt of kan ontstaan;relaties0
  • p. koud werk: werkzaamheden waarbij geen vuur wordt gebruikt of kan ontstaan;relaties0
  • q.schoonmaken: iedere handeling die gericht is op of verband houdt met het schoon-, gasvrij- of droogmaken van een K1-, KT-, K3- of T-ruimte;relaties0
  • r. ladingzone: de ladingtanks en alle rechtstreeks aan deze tanks grenzende tanks of andere ruimten, welke als afscheiding dienen tussen de ladingtanks en de overige ruimten van het schip;relaties0
  • s.gasdeskundige: een deskundig persoon als bedoeld in artikel 3.5h, derde lid, van het besluit die voldoet aan artikel 4.14;relaties0
  • t. veiligheids- en gezondheidsverklaring: een door een gasdeskundige na een doeltreffend onderzoek afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 3.5h, derde lid, van het besluit, overeenkomstig een van de bij bijlage IX van deze regeling vastgestelde modellen.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 4.2 Toepassingsgebied

Deze paragraaf is van toepassing op de in artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit bedoelde werkzaamheden op K1-, K3-, KT- of T-schepen.

relaties0relaties0

Artikel 4.3 Veiligheidsmaatregelen

Indien zich bij of als gevolg van het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit gevaarlijke gassen concentreren en deze door onvoldoende luchtbeweging niet snel genoeg worden verdund of afgevoerd, worden maatregelen getroffen om deze concentraties te beperken. Indien dit niet in voldoende mate mogelijk is, worden de tankdeksels gesloten en de desbetreffende werkzaamheden gestaakt.

relaties0relaties0

Artikel 4.4 Schoonmaken

  • 1. Alvorens werknemers de schoon te maken ruimten betreden, is vastgesteld dat zulks zonder gevaar voor de veiligheid en gezondheid kan geschieden.relaties0
  • 2. Een schoon te maken ruimte wordt niet betreden zolang als gevolg van werkzaamheden in een aangrenzende ruimte de temperatuur van de schotten aanmerkelijk hoger kan worden dan de omgevingstemperatuur.relaties0
  • 3. Een schoon te maken ruimte wordt evenmin betreden zolang in een aangrenzende ruimte een explosief mengsel aanwezig is en deze ruimte niet is gesloten.relaties0
  • 4. Tijdens het schoonmaken worden aan dek en in de ladingzone geen andere werkzaamheden verricht dan die welke verband houden met het schoonmaken, tenzij deze werkzaamheden plaatsvinden tijdens een gesloten schoonmaakproces en uitsluitend betrekking hebben op laden en lossen. Het schoonmaken en de laad- en loswerkzaamheden:
    • a.vinden volledig gescheiden van elkaar plaats;relaties0
    • b.beïnvloeden elkaar niet enrelaties0
    • c.staan onder voortdurend toezicht.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 4.5 Onderzoek

Tijdens het schoonmaken wordt zo dikwijls als dit nodig is, onderzocht of als gevolg van vrijkomende vloeistoffen, gassen of dampen gevaar voor brand, ontploffing, bedwelming, verstikking of vergiftiging ontstaat.

relaties0relaties0

Artikel 4.6 Voorkomen gevaren

  • 1. Het schoonmaken van K1-, K3- en KT-ruimten is erop gericht de concentratie van gassen en dampen onder de onderste explosiegrens te houden of op veilige wijze tot onder die grens terug te brengen. Indien tijdens het schoonmaken een gassamenstelling optreedt, welke gevaar oplevert voor een ontploffing, wordt de duur van deze toestand zo kort mogelijk gehouden. Indien het schoonmaken geschiedt met gebruikmaking van inert gas, wordt dit op zodanige wijze uitgevoerd, dat een ontplofbaar mengsel niet kan ontstaan.relaties0
  • 2. Het schoonmaken van K1-, K3-, KT- en T-ruimten wordt zo uitgevoerd, dat binnen en buiten die ruimten naar redelijke verwachting geen gevaar voor bedwelming, verstikking of vergiftiging kan ontstaan. Indien het schoonmaken geschiedt met gebruikmaking van inert gas, wordt dit op zodanige wijze uitgevoerd, dat een ontplofbaar mengsel niet kan optreden.relaties0
relaties0

Artikel 4.7 Veiligheidsvoorwaarden

  • 1. Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur aanwezig is noch naar redelijke verwachting kan ontstaan.relaties0
  • 2. Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen gevaar bestaat voor vonkvorming of ontstekingsgevaar door elektrostatische ladingen.relaties0
  • 3. Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone niet gerookt wordt.relaties0
  • 4. Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien er binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen onbevoegden kunnen komen.relaties0
  • 5. De ladingtanks in de gehele ladingzone van K1,- K3- en KT-schepen worden niet geopend dan nadat aan het eerste tot en met vierde lid is voldaan.relaties0
  • 6. De ladingtanks in de gehele ladingzone van T-schepen worden niet geopend dan nadat aan het vierde lid is voldaan.relaties0
relaties0

Artikel 4.8 Veiligheids- en gezondheidsverklaring

De artikelen 4.4, vierde lid, en 4.7 zijn niet van toepassing op K3-ruimten buiten de ladingzone op K1-, KT- en T-schepen indien met betrekking tot deze schepen een veiligheids- en gezondheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.1, onder t, is afgegeven.

relaties0relaties0

Artikel 4.9 Onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen

  • 1. Het onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen vindt slechts plaats nadat een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de bij artikel 4.10 gestelde regels heeft plaatsgevonden en in verband met dit onderzoek een volledig en correct ingevulde veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt aan de werkgever die de onderhouds-, herstellings-, verbouwings-, of sloopwerkzaamheden zal uitvoeren.relaties0
  • 2. Het onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen vindt voorts slechts plaats voor zover die werkzaamheden en de ruimten waarin deze worden uitgevoerd, zijn vermeld in de in het eerste lid bedoelde veiligheids- en gezondheidsverklaring als zijnde toegestaan. relaties0
  • 3. Een veiligheids- en gezondheidsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt bij een gasdeskundige aangevraagd.relaties0
  • 4. Bij de aanvraag worden alle inlichtingen verstrekt, welke met het oog op de afgifte van de veiligheids- en gezondheidsverklaring van belang zijn, terwijl desverlangd nadere inlichtingen ter zake worden verstrekt.relaties0
relaties0

Artikel 4.10 Onderzoek gasdeskundige

  • 1. Het in artikel 4.9 bedoelde onderzoek wordt ingesteld door de gasdeskundige, die de uitslag van dat onderzoek vermeldt op de door hem uit te reiken veiligheids- en gezondheidsverklaring.relaties0
  • 2. De gasdeskundige strekt dit onderzoek uit over alle ruimten ten aanzien waarvan hij dit in verband met de aard van de te verrichten werkzaamheden noodzakelijk acht. Bij het onderzoek betrekt de gasdeskundige zo nodig een goed geoutilleerd laboratorium. Hij maakt gebruik van deugdelijke, in goede staat verkerende meet- en andere hulpapparatuur.relaties0
  • 3. Hij stelt vast of de te onderzoeken ruimten:
    • a.K1-, KT-, K3- of T-ruimten zijn;relaties0
    • b.veilig voor mensen zijn in die zin, dat:
      • 1º.werknemers die ruimten zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen kunnen betreden, enrelaties0
      • 2º.geen gevaar voor bedwelming, verstikking, vergiftiging of letsel bestaat, met dien verstande dat een ruimte ten aanzien waarvan het voorgaande niet is gebleken, op de veiligheids- en gezondheidsverklaring wordt aangeduid als “niet veilig voor mensen”;relaties0
      relaties0
    • c.veilig voor vuur zijn in die zin, dat:
      • 1º.de resten van brandbare vloeistoffen daaruit zijn verwijderd zodat geen gevaar bestaat voor brand;relaties0
      • 2º.eventueel nog aanwezige brandbare gassen of dampen nergens een concentratie in de lucht vormen, welke hoger ligt dan 20% van de onderste explosiegrens;relaties0
      • 3º.de aangrenzende ruimten hetzij voldoen aan het onder 1° en 2° gestelde, hetzij tot de top zijn gevuld met water waarop zich geen K0-, K1-, K2- of KT-vloeistoffen bevinden, hetzij op andere wijze brand- en explosie-veilig zijn gemaakt, relaties0

      met dien verstande, dat een ruimte ten aanzien waarvan het voorgaande niet is gebleken, op de veiligheids- en gezondheidsverklaring wordt aangeduid als “niet veilig voor vuur”.relaties0
    relaties0
  • 4. De gasdeskundige reikt een veiligheids- en gezondheidsverklaring uit, indien hij heeft vastgesteld, dat:
    • a.de ruimten waarin koud werk moet worden verricht, veilig voor mensen zijn;relaties0
    • b.de ruimten waarin werk met vuur moet worden verricht, zowel veilig voor mensen als veilig voor vuur zijn;relaties0
    • c.de toestand waarin andere dan de onder a en b bedoelde ruimten zich bevinden en de wijze waarop zij zijn afgesloten, zodanig zijn dat de in de verklaring aangewezen werkzaamheden zonder gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers uitgevoerd kunnen worden.relaties0
    relaties0
  • 5. Hij reikt een veiligheids- en gezondheidsverklaring voor het verrichten van werk met vuur in een deel van de ladingzone van K1- en KT-schepen slechts uit, indien hem ten minste zes uren na de in het vierde lid bedoelde vaststelling uit een doeltreffend onderzoek is gebleken, dat de in dat lid vermelde ruimten nog steeds voldoen aan de daarbij gestelde eisen.relaties0
  • 6. In afwijking van het vierde lid reikt hij een veiligheids- en gezondheidsverklaring voor het verrichten van werk met vuur in de ladingzone van K1- en KT-schepen slechts uit, indien hij heeft vastgesteld, dat:
    • a.de gehele ladingzone veilig voor mensen als bedoeld in het derde lid, onder b, en veilig voor vuur als bedoeld in het derde lid, onder c, is, enrelaties0
    • b.de toestand waarin andere dan de onder a bedoelde ruimten zich bevinden en de wijze waarop zij zijn afgesloten, zodanig zijn dat de in de veiligheids- en gezondheidsverklaring aangewezen werkzaamheden veilig uitgevoerd kunnen worden en indien hem ten minste zes uren na die vaststelling uit een doeltreffend onderzoek is gebleken, dat geen wijziging heeft plaatsgevonden in de onder a en b bedoelde toestand.relaties0
    relaties0
  • 7. Een veiligheids- en gezondheidsverklaring is niet van toepassing op leidingen in of buiten het tankschip en is alleen geldig als zij volledig en juist is ingevuld en zolang de toestand op grond waarvan de verklaring is verleend ongewijzigd is.relaties0
relaties0

Artikel 4.11 Werken met vuur zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring

Werk met vuur boven dan wel in een deel van de ladingzone aan een K1- of KT-schip dat niet veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c en waarbij in afwijking van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt is alleen dan toegestaan indien:

  • a.de aard van de werkzaamheden, de plaats of plaatsen waar deze werkzaamheden zullen worden uitgevoerd en de periode waarin zij zullen worden verricht, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;relaties0
  • b.de plaatsen waar vonken of gloeiende metaaldelen kunnen neerkomen door de werkzaamheden, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;relaties0
  • c.de plaatsen waar aanmerkelijke temperatuurverhoging kan optreden als gevolg van de werkzaamheden, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;relaties0
  • d.door een gasdeskundige een gedagtekende verklaring is uitgereikt waaruit blijkt dat op de onder a tot en met c bedoelde plaatsen de resten van brandbare vloeistoffen zijn verwijderd, zodat geen brandgevaar bestaat;relaties0
  • e.door een gasdeskundige een volledig en juist ingevulde veiligheids- en gezondheidsverklaring is afgegeven waaruit blijkt dat ruimten waarin gewerkt moet worden en aangrenzende ruimten veilig voor mensen zijn of geïnertiseerd als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder b.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 4.12 Werken met vuur zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring, binnen 25 meter van de ladingzone

  • 1. Binnen 25 meter van de ladingzone op een K1, of KT-schip dat niet veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c, en waarvoor, in afwijking van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt, is de aanwezigheid van vuur slechts toegestaan indien door een gasdeskundige voor de aanvang van de werkzaamheden een verklaring is afgegeven waaruit blijkt, dat de ladingzone veilig voor mensen is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder b.relaties0
  • 2. De aanwezigheid van vuur, bedoeld in het eerste lid, is voorts toegestaan indien blijkt uit de verklaring, bedoeld in voornoemd lid, dat:
    • a.de brandbare gassen in de atmosfeer van de ladingzone nergens een concentratie van meer dan 20% van de onderste explosiegrens vormen, ofrelaties0
    • b.de toestand van de in de ladingzone aanwezige atmosfeer zodanig is dat bij verdunning daarvan met lucht geen brandbaar of explosief mengsel ontstaat.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 4.13 Melding werkzaamheden

Indien de situaties, bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12, zich voordoen, wordt hiervan melding gedaan aan de daartoe aangewezen toezichthouder vóór de aanvang van de werkzaamheden.

relaties0relaties0

Artikel 4.14 Afgifte certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige

Een certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h, vierde lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regeling SGT nr. REG/SGT/20/001 van de Stichting Hobéon SKO Certificatie, vastgesteld per 15 mei 2009.

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 4.1a Werkpleketikettering

Artikel 4.15 Werkpleketikettering

  • 1. De aanduidingen op verpakkingen als bedoeld in de artikelen 1.46, vierde lid of 4.1d, eerste lid, van het besluit:
    • a.worden gesteld in de Nederlandse taal waarbij naast de Nederlandse taal een andere taal mag worden gebruikt, mits in alle gebruikte talen dezelfde gegevens worden vermeld;relaties0
    • b.worden duurzaam op één of meer oppervlakken van de onmiddellijke verpakking van de stof of het mengsel bevestigd en zijn horizontaal leesbaar wanneer de verpakking op normale wijze wordt neergezet;relaties0
    • c.hebben een zodanige kleur en opmaak dat het gevarenpictogram duidelijk afsteekt;relaties0
    • d.bevatten vermeldingen als bedoeld in de artikelen 1.46, vierde lid of 4.1d, eerste lid, van het besluit die duidelijk en onuitwisbaar worden aangebracht, duidelijk tegen de achtergrond afsteken en een zodanige grootte en spatiëring hebben dat zij gemakkelijk leesbaar zijn, enrelaties0
    • e.hebben afmetingen die voldoen aan bijlage I, deel 1.2.1, van EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.relaties0
    relaties0
  • 2. De vorm, kleur en grootte van een gevarenpictogram voldoen aan bijlage I, deel 1.2.1, van EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.relaties0
  • 3. De gevarenpictogrammen, signaalwoorden of gevarenaanduidingen worden bij elkaar op het etiket geplaatst.relaties0
relaties0
relaties0

Paragraaf 4.2 Veilig werken met explosieven

Artikel 4.16 Afgifte certificaat van vakbekwaamheid springmeester

Een certificaat van vakbekwaamheid springmeester als bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals neergelegd in het certificatieschema voor het persoonscertificaat springmeester, zoals opgenomen in bijlage X bij de regeling.

relaties0relaties0

Artikel 4.17 Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat [Vervallen per 03-12-2004]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 4.2a Veilig werken met professioneel vuurwerk

Artikel 4.17a Definities

  • 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. groot vuurwerk:

    professioneel vuurwerk dat bestemd is voor gebruik buiten tijdens een evenement of voorstelling;

    b. pyrotechnische speciale effecten:

    professioneel vuurwerk dat bestemd is voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling met geringe publieksafstanden en waarvan door de fabrikant of importeur is aangegeven dat het voor dit gebruik geschikt is.

    relaties0
  • 2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt consumentenvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit, dat wordt bestemd voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling of dat wordt bewerkt ten behoeve van een evenement of voorstelling aangemerkt als groot vuurwerk.relaties0
relaties0

Artikel 4.17b Afgifte certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk

  • 1. De aanwijzing als certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het besluit, kan geschieden indien de aanvragende instelling voldoet aan de eisen zoals neergelegd in het Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht op certificatie-instellingen behorend bij het certificatieschema voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige, documentcode WDAT-VD zoals opgenomen in bijlage XIIa bij de regeling.relaties0
  • 2. Een certificaat vakbekwaamheid professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling bedoeld in het eerste lid, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals neergelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige, documentcode WSCS-VD, zoals opgenomen in bijlage XIIb bij de regeling.relaties0
relaties0

Artikel 4.17c Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat [Vervallen per 03-12-2004]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.17d Gegevens werkplan professioneel vuurwerk [Vervallen per 01-07-2011]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 4.2b Opsporen conventionele explosieven

Artikel 4.17e Eisen voor de aanwijzing als certificerende instelling op het werkveld opsporen conventionele explosieven

Een aanwijzing als certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, van het besluit, kan geschieden indien de aanvragende instelling voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifieke document voor Aanwijzing en Toezicht op de certificatieinstellingen belast met systeemcertificatie op het gebied van Opsporen Conventionele Explosieven, document: WDAT-OCE: 2012, versie 1, zoals opgenomen in bijlage XI bij de regeling.

relaties0relaties0

Artikel 4.17f Afgifte procescertificaat opsporen conventionele explosieven

Een procescertificaat opsporen conventionele explosieven als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in het Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven, document WSCS-OCE zoals opgenomen in bijlage XII bij de regeling.

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 4.3 Beoordeling risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen in combinatie

Artikel 4.18 Beoordeling risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen in combinatie

Bij de beoordeling van het risico van blootstelling in de individuele ademhalingszone van de werknemer aan gevaarlijke stoffen in combinatie, zoals bedoeld in artikel 4.2, zesde lid, van het besluit, wordt in geval van het risico van blootstelling aan stoffen waarvan bekend is dat deze stoffen hetzelfde gezondheidkundige gevolg hebben op hetzelfde orgaansysteem, bijlage XIIc bij de regeling toegepast.

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 4.4 Wettelijke grenswaarden

Artikel 4.19 Gevaarlijke stoffen

relaties0

Artikel 4.19a Biologische grenswaarden

Als grenswaarde als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, jo. artikel 4.1, tweede lid, onder b, van het besluit, wordt voor lood vastgesteld: 70 µg/100 ml bloed.

relaties0relaties0

Artikel 4.19b Inhoud plan van aanpak bij overschrijding van een grenswaarde

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4.3, vierde en vijfde lid, of artikel 4.16, vierde en vijfde lid, van het besluit worden in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet per te realiseren stap van blootstellingsverlaging, in ieder geval opgenomen:

  • a.welke doeltreffende maatregelen zijn genomen om schade aan de gezondheid van de werknemers te voorkomen zolang de grenswaarde wordt overschreden;relaties0
  • b.welke maatregelen gericht op blootstellingsverlaging in een zo kort mogelijke tijdsspanne worden genomen, waarbij de feitelijk te verwachten blootstelling wordt aangegeven alsmede het tijdstip waarop blootstelling onder de grenswaarde wordt gerealiseerd;relaties0
  • c.een onderbouwing dat de gehanteerde overschrijding van de grenswaarde, gezien de mate en de duur, niet tot onaanvaardbare effecten op de gezondheid van de werknemers leidt; enrelaties0
  • d.een onderbouwing dat verdergaande maatregelen niet eerder dan in de voorgestelde fasering van de blootstellingsverlaging kunnen worden genomen.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 4.20 Kankerverwekkende en mutagene stoffen

relaties0
relaties0

Paragraaf 4.4a Nadere voorschriften over het werken met lood

Artikel 4.20a Meetfrequentie en analyse van lood in de lucht

  • 1. In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, van het besluit wordt de concentratie van lood in de lucht om de drie maanden gemeten. Er kan worden volstaan met eenmaal per jaar meten, indien er geen verandering in de werkmethoden en de omstandigheden van de blootstelling plaatsvindt, en
    • a. het loodgehalte in het bloed van geen enkele werknemer, gemeten overeenkomstig artikel 4.10b van het besluit, meer bedraagt dan 60 µg/100 ml bloed, ofrelaties0
    • b. uit twee opeenvolgende voorafgaande metingen is gebleken, dat de concentratie van lood in de lucht minder bedraagt dan 100 µg/m3 lucht of dat de omstandigheden van de blootstelling niet merkbaar variëren.relaties0
    relaties0
  • 2. De bepaling van de concentratie van lood in de lucht, als bedoeld in het eerste lid, geschiedt met behulp van de atomaire arbsorptiespectrometrie of een andere analysemethode, die gelijkwaardige resultaten oplevert.relaties0
relaties0

Artikel 4.20b Controle van lood in het bloed

  • 1. In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het besluit, worden de werknemers ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid gesteld tot het meten van het loodgehalte in het bloed.relaties0
  • 2. De frequentie van het meten van het loodgehalte in bloed kan worden teruggebracht tot eenmaal per jaar, indien het loodgehalte van geen enkele werknemer meer bedraagt dan 50 µg/100 ml bloed en uit de twee opeenvolgende voorafgaande metingen is gebleken dat de concentratie van lood in de lucht minder bedraagt dan 100 µg/m³ lucht.relaties0
  • 3. Het loodgehalte in het bloed als bedoeld in artikel 4.10b, tweede lid, van het besluit wordt gemeten met behulp van de atomaire absorptiespectrometrie of een andere gelijkwaardige methode.relaties0
  • 4. De resultaten van de meting, bedoeld in het eerste lid, worden getoetst aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.19a. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode.relaties0
  • 5. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10b, eerste lid, van het besluit, wordt de werknemers ten minste eenmaal per jaar aangeboden.relaties0
relaties0
relaties0

Paragraaf 4.4b Kankerverwekkende processen

Artikel 4.20c Aanwijzing

Als kankerverwekkende processen, bedoeld in artikel 4.11, onderdeel c, onder 2°, van het besluit worden de processen waarbij de volgende mengsels van stoffen vrijkomen aangewezen:

  • a.dieselmotoremissies;relaties0
  • b.een mengsel van N-[3-hydroxy-2-(2-methylacryloylaminomethoxy)-propoxymethyl]-2-methylacrylamide en N-[2,3-bis-(2-methylacryloylaminomethoxy)propoxymethyl]-2-methylacrylamide en methacrylamide en 2-methyl-N-(2-methylacryloylaminomethoxymethyl)acrylamide en N-(2,3-dihydroxypropoxymethyl)-2-methylacrylamide, of;relaties0
  • c.C.I. Basic Violet 3 met 0,1% of meer Michlers keton.relaties0
relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 4.5 Meetmethodes asbest [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 4.21 Algemeen [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.22 Monsterneming [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.23 Te gebruiken materialen [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.24 Vezeltelling [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.25 Voorschriften bij telling [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.26 Berekening [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 4.6 Certificatiebepalingen arbeid met asbest

Artikel 4.27 Eisen voor afgifte van certificaten in het werkveld asbest

Een certificaat kan worden afgegeven indien:

  • a. in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, geldend voor asbestinventarisatiebedrijven en vastgelegd in paragraaf 2 en 3 van het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering, dat is vastgesteld door de Stichting Ascert op 15 november 2018 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 6 december 2018 (Stcrt. 2018, 68771);relaties0
  • b. in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, geldend voor asbestverwijderingsbedrijven en vastgelegd in paragraaf 2 en 4 van het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering, dat is vastgesteld door de Stichting Ascert op 15 november 2018 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 6 december 2018 (Stcrt. 2018, 68771);relaties0
  • c.in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, vijfde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in paragraaf 6 van het Certificatieschema voor de Persoonscertificaten Deskundig Asbest Verwijderaar niveau 1 en niveau 2 (DAV-1 en DAV-2) en Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA), dat is vastgesteld door de Stichting Ascert op 15 maart 2019 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 29 maart 2019 (Stcrt. 17010);relaties0
  • d.in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, zevende lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in paragraaf 4 en 5 van het Certificatieschema voor de Persoonscertificaten Deskundig Asbest Verwijderaar niveau 1 en niveau 2 (DAV-1 en DAV-2) en Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA), dat is vastgesteld door de Stichting Ascert op 15 maart 2019 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 29 maart 2019 (Stcrt. 17010).relaties0
relaties0relaties0

Artikel 4.28 Eisen voor aanwijzing en (blijven) functioneren als certificerende instelling in het werkveld asbest

Een aanwijzing als certificerende instelling kan geschieden indien:

  • a. in geval van een certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, of artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, de instelling voldoet aan de toepasselijke criteria, vastgelegd in paragraaf 5 van het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering, dat is vastgesteld door de Stichting Ascert op 15 november 2018 en door de minister gepubliceerd in de Staatscourant van 6 december 2018 (Stcrt. 2018, 68771).relaties0
  • b.in geval van een certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.54d, vijfde of zevende lid, van het besluit de aanvragende instelling voldoet aan de criteria, vastgelegd in paragraaf 2 van het Certificatieschema voor de Persoonscertificaten Deskundig Asbest Verwijderaar niveau 1 en niveau 2 (DAV-1 en DAV-2) en Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA), dat is vastgesteld door de Stichting Ascert op 15 maart 2019 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 29 maart 2019 (Stcrt. 17010).relaties0
relaties0relaties0

Artikel 4.29 Verstrekken van gegevens en inlichtingen

Het verstrekken van gegevens en inlichtingen tussen de minister, de toezichthouders, de certificerende instellingen en de Stichting Raad voor Accreditatie, als bedoeld in artikel 1.5eb, tweede lid, van het besluit, op het werkveld asbest geschiedt overeenkomstig het informatieprotocol zoals opgenomen in bijlage XIIIg bij de regeling.

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 4.7 Bijzondere voorschriften asbest

Artikel 4.30 Uitzonderingen in geval van eindmeting

  • 1. Onder kleine losliggende oppervlakken als bedoeld in artikel 4.53c, tweede lid, onderdeel a, van het besluit wordt verstaan: een losliggend oppervlak van maximaal 2,5 m2.relaties0
  • 2. De concentratie van de amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid kunnen worden blootgesteld is beperkt in de zin van artikel 4.53c, tweede lid, onderdeel b, van het besluit indien de concentratie wordt veroorzaakt door:
    • a.verwijdering van asbesthoudend materiaal dat maximaal 2 massaprocent amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet bevat; ofrelaties0
    • b.verwijdering van leidingen, buizen en kanalen van asbestcement, die niet volledig in beton gestort zijn;relaties0
    • c.een asbestverwijdering waarbij gedurende de duur van de asbestverwijderingswerkzaamheden tussen de asbesttoepassing en de werknemer die de verwijdering uitvoert een niet-betreedbare afscheiding aanwezig is, waarmee de asbesttoepassing in zijn geheel lekvrij omsloten wordt.relaties0
    relaties0
relaties0
relaties0

Paragraaf 4.8 Werken met zandsteen [Vervallen per 03-12-2004]

Artikel 4.31 Afgifte certificaat zandsteenbedrijf [Vervallen per 03-12-2004]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.32 Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat [Vervallen per 03-12-2004]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 4.8a Vluchtige organische stoffen

Artikel 4.32a Lijmen en verven in binnensituaties

  • 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
    • a.producten: lijmen, verven, lakken, beitsen, vernissen, vulmiddelen, olie- of wasachtige producten, impregneermiddelen en vloercoatings die vluchtige organische stoffen als bedoeld in artikel 4.62a van het besluit bevatten;relaties0
    • b.bestanddelen van woningen of andere gebouwen: alle objecten die in woningen of andere gebouwen aanwezig zijn en die door hun aard, vorm, gewicht of afmetingen daaruit redelijkerwijs niet kunnen worden verwijderd. Onder bestanddelen van woningen en andere gebouwen worden niet verstaan objecten die worden vervaardigd, hersteld of onderhouden in het kader van een productieproces, onderscheidenlijk reparatie of onderhoud, voor zover het vervaardigen, herstel of onderhoud wordt verricht op een daartoe adequaat ingerichte arbeidsplaats.relaties0
    relaties0
  • 2. Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen handelingen in woningen of andere gebouwen, bestaande uit:
    • a.het lijmen van bekleding op vloeren, trappen, wanden of plafonds van woningen of andere gebouwen, daaronder mede begrepen de voorbewerking;relaties0
    • b.het aanbrengen van producten in woningen of andere gebouwen of op bestanddelen van woningen of andere gebouwen, daaronder mede begrepen de voorbewerking.relaties0
    relaties0
  • 3. Het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op:
    • a.metalen bestanddelen van gebouwen ten aanzien waarvan toepassing van producten op grond van de in bijlage XIV bij deze regeling beschreven omstandigheden is toegestaan;relaties0
    • b.het voorbewerken van muren en plafonds van woningen of andere gebouwen op plaatsen waar deze muren en plafonds ernstig verontreinigd zijn door brand- of rookschade of aanslag als gevolg van het roken van tabakswaren;relaties0
    • c.het voorbewerken in de zin van versterken van sterk poreuze of poederende bestanddelen van woningen of andere gebouwen;relaties0
    • d.het repareren met behulp van verf of lak van beschadigingen aan stalen constructies bij nieuwbouw van woningen of andere gebouwen;relaties0
    • e.het herstellen of onderhouden van historische afwerkings- of toplagen in een techniek die gelijk is aan of overeenkomt met die historische afwerking, waarbij de werkzaamheden gericht zijn op instandhouding van de monumentale waarden van een rijksmonument in de zin van de Erfgoedwet;relaties0
    • f.het aanbrengen van traditioneel imitatieschilderwerk, zoals marmer- en houtnerfschilderwerk, alsmede het vergulden met behulp van goudverf. Onder aanbrengen wordt niet verstaan de voorbewerking;relaties0
    • g.het aanbrengen van een product op beglazingskit in gebouwen voor zover deze opgeleverd zijn voor 1 januari 2001, teneinde deze kit geschikt te maken voor de toepassing van watergedragen verfproducten.relaties0
    relaties0
  • 4. Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, bevatten ten hoogste 5 gram vluchtige organische stoffen per kilogram gebruiksklaar product.relaties0
  • 5. Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het betreft het aanbrengen van muurverf, bevatten ten hoogste 60 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product.relaties0
  • 6. Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het andere werkzaamheden betreft dan het aanbrengen van muurverf, bevatten ten hoogste 100 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product. Indien het bij de producten, bedoeld in de eerste zin, gaat om producten op epoxybasis, wordt benzylalcohol uitgezonderd bij het bepalen van het gewicht van de vluchtige organische stoffen.relaties0
relaties0

Artikel 4.32aa Tijdelijke regeling vloercoatings op basis van methylmethacrylaat [Vervallen per 01-08-2020]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.32ab Tijdelijke regeling vloercoatings op basis van MMA [Vervallen per 01-08-2015]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.32b Offsetdrukken

  • 1. Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
    • a. het drukken met behulp van een offsetpers;relaties0
    • b. het dagelijks reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij offsetdruk;relaties0
    • c. het niet-dagelijks reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij offsetdruk.relaties0
    relaties0
  • 2. Het vochtwater dat wordt gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevat ten hoogste 8 volumeprocenten isopropylalcohol of andere mono-alcoholen bij automatische doseersystemen en ten hoogste 10 volumeprocenten bij handmatige doseersystemen en bij rotatie-offsetpersen die voor het eerst in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 1985.relaties0
  • 3. Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 55 °C.relaties0
  • 4. Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder c, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C.relaties0
relaties0

Artikel 4.32c Zeefdrukken

  • 1. Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
    • a. het reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij zeefdruk;relaties0
    • b. het zeefdrukken van papier en karton dat is bestemd voor toepassingen in binnenruimten en dat zwaarder is dan 135 gram per vierkante meter.relaties0
    relaties0
  • 2. Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 21 °C.relaties0
  • 3. Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten ten hoogste 150 gram vluchtige organische stoffen per kilogram product.relaties0
relaties0

Artikel 4.32d Illustratiediepdrukken

  • 1. Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen het reinigen van vloeren in illustratiediepdrukkerijen.relaties0
  • 2. Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 55 °C.relaties0
relaties0

Artikel 4.32e Verpakkingsdiepdrukken en flexodrukken

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. lakkeren:

    het aanbrengen van een lak op een flexibel materiaal of van een kleefstof op een flexibel materiaal ten behoeve van de latere afsluiting van dat materiaal;

    b. lamineren of cacheren:

    het hechten van twee of meer flexibele materialen tot een laminaat.

    relaties0
  • 2. Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
    • a. het drukken, lakkeren, lamineren of cacheren met behulp van een verpakkingsdiepdrukpers, flexopers, lakkeer-, lamineer- of cacheermachine die niet is aangesloten op een afzuigsysteem;relaties0
    • b. het reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder a, tenzij deze werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een afgesloten installatie of een installatie die wordt afgezogen;relaties0
    • c. het lamineren of cacheren met behulp van een lamineer- of cacheermachine die niet is aangesloten op een installatie voor terugwinning of vernietiging van vluchtige organische stoffen;relaties0
    • d. het drukken of lakkeren van papier en karton met behulp van een flexodrukpers of lakkeermachine die niet is aangesloten op een installatie voor terugwinning of vernietiging van vluchtige organische stoffen;relaties0
    • e. het reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder c en d, tenzij deze werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een afgesloten installatie of een installatie die wordt afgezogen.relaties0
    relaties0
  • 3. Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, bevatten ten hoogste 50 gram vluchtige organische stoffen per kilogram product.relaties0
  • 4. Het derde lid is niet van toepassing op de producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, indien daarbij bijzondere eisen aan de kwaliteit of bestendigheid van het gefabriceerde product worden gesteld, mits op jaarbasis het gewicht van de vluchtige organische stoffen van de producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, ten hoogste 80% bedraagt van het gewicht van de opgebrachte vaste stof.relaties0
relaties0

Artikel 4.32f Herstellen autoschade

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder motorrijtuig: een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel, een autobus of een kampeerauto als bedoeld in artikel 2, onder b, c, d, e onderscheidenlijk g, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 of een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet goederenvervoer over de weg.relaties0
  • 2. Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
    • a. het aanbrengen of toepassen van primer, surfacer, sealer of 1- en 2-laags aflaksystemen of van speciale dan wel overige producten als bedoeld in bijlage XV bij deze regeling, ten behoeve van het herstellen van lakschade of vernieuwing van laklagen op onderdelen van motorrijtuigen;relaties0
    • b. het reinigen van gereedschappen die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder a, of oppervlakken van onderdelen van motorrijtuigen ten behoeve van de herstel- of vernieuwingswerkzaamheden, bedoeld onder a.relaties0
    relaties0
  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden ten behoeve van het herstellen van lakschade of het vernieuwen van laklagen op onderdelen van motorrijtuigen die zijn gebouwd vóór 1970;relaties0
  • 4. Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, bevatten in gebruiks- of spuitklare vorm, ten hoogste het gehalte aan vluchtige organische stoffen dat met betrekking tot deze producten is vastgesteld bij bijlage XV bij deze regeling.relaties0
relaties0

Artikel 4.32g Coating van timmerwerk in binnensituaties

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder coating: een product dat opgebracht wordt op een oppervlak om een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te verkrijgen.relaties0
  • 2. Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen werkzaamheden in binnensituaties bestaande uit:
    • a.het aanbrengen van een coating op delen van nieuw vervaardigde buitendeuren, kozijnen, ramen, binnenspouwbladen, gevelvullende elementen en overig geveltimmerwerk, voorzover zij zijn vervaardigd van hout of een daarmee gelijk te stellen of vergelijkbaar materiaal, als onderdeel van het productieproces;relaties0
    • b.het aanbrengen van een coating op delen van nieuw vervaardigde binnentrappen, voorzover zij zijn vervaardigd van hout of een daarmee gelijk te stellen of vergelijkbaar materiaal, als onderdeel van het productieproces.relaties0
    relaties0
  • 3. Coatings die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, bevatten ten hoogste 150 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product.relaties0
relaties0

Artikel 4.32h Gelijkstelling vervangende producten

Met de in de artikelen 4.32a vierde tot en met zesde lid, 4.32b, tweede tot en met vierde lid, 4.32c, tweede en derde lid, 4.32d, tweede lid, 4.32e, derde lid, 4.32f, vierde lid en 4.32g, derde lid, bedoelde producten worden gelijkgesteld producten, die rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 4.9 [Red: Vervallen]

Artikel 4.33 [Vervallen per 19-04-2002]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.34 [Vervallen per 19-04-2002]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.35 [Vervallen per 19-04-2002]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.36 [Vervallen per 19-04-2002]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.37 [Vervallen per 19-04-2002]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.38 [Vervallen per 19-04-2002]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.39 [Vervallen per 19-04-2002]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.40 [Vervallen per 19-04-2002]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.41 [Vervallen per 19-04-2002]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.41a [Vervallen per 01-09-2000]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.41b [Vervallen per 01-09-2000]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.42 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.43 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.44 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.45 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.46 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.47 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.48 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.49 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 4.50 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 5 Beeldschermarbeid

Artikel 5.1 Apparatuur en meubilair

Apparatuur en meubilair, in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk, voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:

  • a.de tekens op het beeldscherm zijn voldoende scherp, duidelijk van vorm en voldoende groot, met voldoende afstand tussen de tekens en de regels;relaties0
  • b.het beeld op het beeldscherm is stabiel;relaties0
  • c.de luminantie van of het contrast tussen de tekens en de achtergrond is gemakkelijk door de gebruiker bij te stellen;relaties0
  • d.het beeldscherm is vrij te plaatsen en gemakkelijk verstelbaar en kantelbaar;relaties0
  • e.het beeldscherm is vrij van voor de gebruiker hinderlijke glans en spiegelingen;relaties0
  • f.het toetsenbord kan hellend worden geplaatst en vormt geen geheel met het beeldscherm;relaties0
  • g.er is voor het toetsenbord voldoende ruimte voor handen en armen van de gebruiker;relaties0
  • h.het toetsenbord heeft een mat oppervlak;relaties0
  • i.de indeling van het toetsenbord en de vorm van de toetsen zijn gericht op vergemakkelijking van het gebruik;relaties0
  • j.de symbolen op de toetsen zijn voldoende contrastrijk en vanuit een normale werkhouding voldoende leesbaar;relaties0
  • k.de werktafel of het werkvlak maakt een comfortabele houding van de gebruiker mogelijk en heeft een reflectiearm oppervlak, is voldoende groot en maakt een flexibele opstelling van beeldscherm, toetsenbord, documenten en accessoires mogelijk;relaties0
  • l.een voor het werk noodzakelijke documenthouder is stabiel en regelbaar en zodanig geplaatst dat oncomfortabele hoofd- en oogbewegingen tot een minimum zijn beperkt;relaties0
  • m.de werkstoel is stabiel, heeft een in hoogte verstelbare zitting en een rugleuning, waarvan de hoogte en hellingshoek verstelbaar zijn en geeft de gebruiker bewegingsvrijheid en een comfortabele werkhouding;relaties0
  • n.indien de gebruiker dat wenst wordt een voetensteun aangebracht.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 5.2 Inrichting van de beeldschermwerkplek

De omgeving waarin het beeldschermwerk wordt verricht en de inrichting van de beeldschermwerkplek voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:

  • a.de verlichting van de werkruimte of de beeldschermwerkplek zorgt voor voldoende licht en een passend contrast tussen beeldscherm en omgeving, rekening houdende met de aard van het werk en de visuele behoeften van de gebruiker;relaties0
  • b.mogelijke verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm of op apparaten door kunstmatige lichtbronnen zijn vermeden;relaties0
  • c.er treden door raam- en andere openingen, wanden en apparaten geen directe verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm op;relaties0
  • d.de ramen zijn uitgerust met passende instelbare helderheidswering om de intensiteit van het licht dat op de beeldschermwerkplek valt te verminderen;relaties0
  • e.het geluid dat de apparatuur voortbrengt veroorzaakt geen verstoring van de aandacht en het gesproken woord;relaties0
  • f.de apparatuur brengt geen voor de werknemers hinderlijke warmte voort;relaties0
  • g.de vochtigheidsgraad is steeds toereikend.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 5.3 Programmatuur

De programmatuur die wordt gebruikt bij het verrichten van beeldschermwerk voldoet in ieder geval aan de volgende voorschriften:

  • a.de programmatuur is aangepast aan de te verrichten taak;relaties0
  • b.de programmatuur is gemakkelijk te gebruiken en aan te passen aan het kennis- en ervaringsniveau van de gebruiker;relaties0
  • c.er wordt zonder medeweten van de gebruiker geen gebruik gemaakt van een kwantitatief of kwalitatief controlemechanisme;relaties0
  • d.de systemen verschaffen de gebruiker gegevens over de werking ervan;relaties0
  • e.de systemen maken de informatie zichtbaar in een vorm en een tempo die zijn aangepast aan de gebruiker;relaties0
  • f.bij de verwerking van informatie door de gebruiker worden de beginselen van de ergonomie toegepast.relaties0
relaties0relaties0
relaties0

Hoofdstuk 6 Arbeid onder overdruk

Paragraaf 6.1 Certificatie

Artikel 6.1 Eisen voor de aanwijzing als certificerende instelling op het werkveld duikarbeid

  • 1. Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 6.14a, derde lid, van het besluit kan worden aangewezen een opleidingsinstelling die een opleiding verzorgt die tot doel heeft personen op te leiden die uit hoofde van een bedrijf of beroep arbeidsgezondheidskundige onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, eerste en tweede lid, van het besluit, uitvoeren of zullen gaan uitvoeren, en die voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het document, genoemd in het tweede lid.relaties0
  • 2. Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 6.16, derde, zesde of zevende lid, van het besluit, kan worden aangewezen een instelling die voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht op certificatie-instellingen belast met persoonscertificatie op het gebied van Werken onder Overdruk, document: WDAT-WOD-P, zoals opgenomen in bijlage XVI bij de regeling.relaties0
  • 3. Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 6.16, derde, zesde of zevende lid, van het besluit, is aangewezen een instelling die:
    • a.op grond van een daartoe door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde regeling een examen behorend bij de opleiding duikploegleider, duiker of duikmedische begeleiding bij de brandweer afneemt;relaties0
    • b.op grond van een daartoe door de Minister van Defensie vastgestelde regeling een opleiding duikerarts, duikploegleider, duiker of duikmedische begeleiding bij het Ministerie van Defensie verzorgt en de bijbehorende examens afneemt.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 6.2 Verstrekken gegevens [Vervallen per 01-07-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 6.3 Afgifte certificaat duikploegleider, duikarbeid en duikmedische begeleiding [Vervallen per 01-07-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 6.3a Afgifte certificaat duikerarts [Vervallen per 01-07-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 6.4 Vergoeding [Vervallen per 01-07-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 6.2 Opleidingen

Artikel 6.5 Afgifte certificaat duikerarts, duiker, duikploegleider, niet zijnde brandweerduikploegleider, en duikmedisch begeleider

  • 1. Een certificaat als bedoeld in artikel 6.14a, derde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager:relaties0
  • 2. Een certificaat als bedoeld in artikel 6.16, derde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager, niet zijnde brandweerduikploegleider, voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat duikploegleider, document: WSCS-WOD-L, zoals opgenomen in bijlage XVIb bij de regeling.relaties0
  • 3. Een certificaat als bedoeld in artikel 6.16, zesde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat duikarbeid, document: WSCS-WOD-D, zoals opgenomen in bijlage XVIc bij de regeling.relaties0
  • 4. Een certificaat als bedoeld in artikel 6.16, zevende lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat duikmedisch begeleider, document: WSCS-WOD-B, zoals opgenomen in bijlage XVId bij de regeling.relaties0
relaties0

Artikel 6.6 Afgifte certificaat brandweerduikploegleider

Een certificaat als bedoeld in artikel 6.16, derde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling, bedoeld in artikel 6.1, derde lid, afgegeven indien de aanvrager, zijnde brandweerduikploegleider, voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat duikploegleider bij de brandweer, document: WSCS-WOD-F, zoals opgenomen in bijlage XVIe bij de regeling.

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 6.3 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek duikers [Vervallen per 01-07-2012]

Artikel 6.7 Inhoud arbeidsgezondheidskundig onderzoek [Vervallen per 01-07-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 6.4 Vrijstelling

Artikel 6.8 Vrijstelling certificaat duikarbeid leerlingen

Als sportduikbrevet als bedoeld in artikel 6.31, tweede lid, van het besluit wordt aangewezen een geldig brevet NOB**, afgegeven door de Nederlandse onderwatersportbond, dan wel een naar het oordeel van de minister gelijkwaardig brevet.

relaties0relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 7 Arbeidsmiddelen

Paragraaf 7.1 Certificatie hijskranen [Vervallen per 01-09-2003]

Artikel 7.1 Definities [Vervallen per 01-09-2003]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 7.2 Onderzoeken en beproevingen categorieën hijskranen [Vervallen per 01-09-2003]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 7.3 Afgifte certificaat van goedkeuring [Vervallen per 01-09-2003]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 7.2 Hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen

Artikel 7.4 Modellen certificaten beproevingen en onderzoekingen

Als modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 7.29, negende lid, van het besluit worden vastgesteld de modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).

relaties0relaties0

Artikel 7.5 Model register

Als model van het register, bedoeld in artikel 7.29, tiende lid, van het besluit wordt vastgesteld het model, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).

relaties0relaties0
relaties0

Paragraaf 7.3 Registratie of herregistratie machinisten hijskranen en funderingsmachines

Artikel 7.6 Categorieën torenkranen, mobiele kranen en funderingsmachines

  • 1. Een persoon is in het bezit van een bewijs van registratie of herregistratie in het Register kraanmachinist, bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, van het besluit indien hij een torenkraan, mobiele kraan of funderingsmachine als omschreven in de onderdelen a tot en met c, bedient:
    • a.torenkraan: torenvormige hijskraan, al dan niet verrijdbaar, waarvan het maximumbedrijfslastmoment 10 tonmeter of meer bedraagt of de giek 20 meter of hoger boven het vlak van de ondersteuning van de kraan bevestigd is;relaties0
    • b.mobiele kraan: verrijdbare, niet aan een vaste baan gebonden hijskraan die geen torenkraan is en waarvan het maximumbedrijfslastmoment 10 tonmeter of meer bedraagt, met uitzondering van:
      • 1°.een op een voertuig bevestigde laadkraan die uitsluitend ingericht is of althans uitsluitend wordt gebruikt voor het laden en lossen van de laadbak van het voertuig of een samenstel van voertuigen;relaties0
      • 2°.een grondverzetmachine die ontgravingen maakt en direct daarop aansluitend leidingwerk in die ontgravingen legt of ten behoeve van het uitvoeren van grondverzetwerkzaamheden ondersteuningsschotten plaatst;relaties0
      relaties0
    • c.funderingsmachine: verrijdbare of verrolbare funderingsmachine die is ingericht om funderingselementen te verwerken of bestemd om palen of andere langwerpige voorwerpen in de grond te maken, te drijven of daaruit te verwijderen alsmede om met een en ander rechtstreeks verband houdende verrichtingen uit te voeren met inbegrip van het met een maximumbedrijfslastmoment van 10 tonmeter of meer verplaatsen van lasten.relaties0
    relaties0
  • 2. Met betrekking tot de registratie of herregistratie, bedoeld in het eerste lid, worden onderscheiden:
    • a.de registratie en herregistratie van vakbekwaamheid voor machinisten van vaste en mobiele torenkranen;relaties0
    • b.de registratie of herregistratie van vakbekwaamheid voor machinisten van mobiele kranen, onderverdeeld in de categorieën:relaties0
    • c.de registratie of herregistratie van vakbekwaamheid voor machinisten van funderingsmachines, onderverdeeld in de categorieën:
      • 1°.kleine funderingsmachine: machine met een eigen massa inclusief uitrustingen en funderingselement die gelijk is aan of minder is dan 30 ton, een totale hoogte heeft van minder dan 10 meter en die funderingselementen korter dan 10 meter verwerkt;relaties0
      • 2°.grote funderingsmachine: machine met een eigen massa inclusief uitrustingen en funderingselement van 30 ton of meer, een totale hoogte van 10 meter of meer heeft of die funderingselementen van 10 meter of langer verwerkt.relaties0
      relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 7.7 Eisen voor registratie of herregistratie

Registratie of herregistratie in het Register kraanmachinisten, bedoeld in artikel 7.6, geschiedt indien de aanvrager voldoet aan de navolgende eisen:

  • a.indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een torenkraan als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel a,het schema voor de machinist torenkraan ‘Schema voor registratie van de Machinist Torenkraan in het Register Kraanmachinisten, W4-06’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050;relaties0
  • b.indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een mobiele kraan op banden of rupsen als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, sub 1°, het schema voor de machinist mobiele kraan op banden en/of rupsen ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050;relaties0
  • c.indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een grondverzetmachine met hijsfunctie, van de categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, sub 2°, het schema voor de machinist grondverzetmachine met hijsfunctie ‘Schema voor registratie van de Machinist Grondverzetmachine in het Register Kraanmachinisten, W4-05’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050, nr. dan wel het schema voor de machinist mobiele kraan op banden of rupsen ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050;relaties0
  • d.indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een autolaadkraan, van de categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, sub 3°, het schema voor de machinist autolaadkraan ‘Schema voor registratie van de Machinist Autolaadkraan in het Register Kraanmachinisten, W4-04’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050, dan wel het schema voor de machinist mobiele kraan op banden en/of rupsen 2019 ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050;relaties0
  • e.indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een verreiker met hijsfunctie, van de categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, sub 4°, het schema voor de machinist verreiker met hijsfunctie ‘Schema voor registratie van de Machinist Verreiker in het Register Kraanmachinisten, W4-07’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050, dan wel het schema voor de machinist mobiele kraan op banden of rupsen ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050;relaties0
  • f.indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een kleine funderingsmachine als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel c, sub 1°, het schema voor de machinist kleine funderingsmachine ‘Schema voor registratie van de Machinist Funderingsmachine Klein in het Register Kraanmachinisten, W4-02’ dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050, dan wel het schema voor de machinist grote funderingsmachine ‘Schema voor registratie van de Machinist Funderingsmachine Groot in het Register Kraanmachinisten, W4-03’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050; enrelaties0
  • g.indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een grote funderingsmachine als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel c, sub 2°, van het schema voor de machinist grote funderingsmachine ‘Schema voor registratie van de Machinist Funderingsmachine Groot in het Register Kraanmachinisten, W4-03’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050.relaties0
relaties0relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 8 Veiligheids- en Gezondheidssignalering

Artikel 8.1 Vereisten

  • 1. Veiligheids- of gezondheidssignalering als bedoeld in artikel 8.4 van het besluit voldoet aan het tweede lid en de artikelen 8.2 tot en met 8.29.relaties0
  • 2. Veiligheids- of gezondheidssignalering wordt, al naar gelang het geval, geregeld schoongemaakt, onderhouden, geverifieerd en gerepareerd of zo nodig vervangen, met het oog op het behoud van hun intrinsieke of functionele kwaliteiten.relaties0
relaties0

Artikel 8.2 Permanente signalering

  • 1. De signalering met betrekking tot een verbod, een waarschuwing en een gebod, alsmede de signalering met betrekking tot de lokalisatie en de identificatie van reddings- of hulpmiddelen geschiedt permanent door middel van borden.relaties0
  • 2. De signalering voor de lokalisatie en identificatie van brandbestrijdingsmateriaal geschiedt permanent door middel van borden of een veiligheidskleur.relaties0
  • 3. De signalering op reservoirs en leidingen geschiedt overeenkomstig de artikelen 8.4, derde lid, 8.9 en 8.11 tot en met 8.15.relaties0
  • 4. De signalering van gevaren van stoten tegen obstakels en van vallen van personen geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur of borden.relaties0
  • 5. De markering van verkeerswegen geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur.relaties0
relaties0

Artikel 8.3 Occasionele signalering

  • 1. De signalering van gevaarlijke gebeurtenissen, de oproep van personen voor een specifieke actie, alsmede de dringende evacuatie van personen geschiedt occasioneel, door middel van een lichtsignaal, een akoestisch signaal of een mondelinge mededeling.relaties0
  • 2. Het leiden van personen die handelingen verrichten waarbij een gevaar bestaat, geschiedt occasioneel door middel van hand- of armseinen of mondelinge mededelingen.relaties0
relaties0

Artikel 8.4 Vrije keuze van signalering

  • 1. Bij gelijke doeltreffendheid van de signalering bestaat een vrije keuze tussen:
    • a.de lichtsignalen, de akoestische signalen of de mondelinge mededeling;relaties0
    • b.het hand- of armsein of de mondelinge mededeling;relaties0
    • c.een veiligheidskleur of een bord voor het signaleren van gevaar van struikelen, of vallen door hoogteverschil.relaties0
    relaties0
  • 2. De volgende signaleringswijzen kunnen gelijktijdig worden gebruikt:
    • a.het lichtsignaal en het akoestisch signaal;relaties0
    • b.het lichtsignaal en de mondelinge mededeling;relaties0
    • c.het hand- of armsein en de mondelinge mededeling.relaties0
    relaties0
  • 3. De doeltreffendheid van een signalering mag niet in het gedrang worden gebracht door de aanwezigheid van een andere signalering of van andere factoren die de zicht- of hoorbaarheid verstoren, een slecht ontwerp, een ontoereikend aantal, een slechte plaatsing, een slechte staat of een slechte werking van de signaleringsmiddelen of signaleringsvoorzieningen.relaties0
relaties0

Artikel 8.5 Gebruik van kleuren

Voor zover signalering geschiedt door middel van een veiligheidskleur wordt:

  • a.met de kleur rood aangeduid:
    • 1°.een verbodssignaal;relaties0
    • 2°.gevaar of alarm;relaties0
    • 3°.identificatie en lokalisatie van brandbestrijdingsmateriaal en brandweeruitrusting;relaties0
    relaties0
  • b.met de kleur geel of oranje-geel aangeduid een waarschuwingssignaal;relaties0
  • c.met de kleur blauw aangeduid een gebodssignaal;relaties0
  • d.met de kleur groen aangeduid:
    • 1°.een reddingssignaal of een eerste hulp-signaal;relaties0
    • 2°.een veilige situatie.relaties0
    relaties0
relaties0relaties0

Artikel 8.6 Noodinstallatie

Signaleringen die een energiebron behoeven, zijn voorzien van een noodinstallatie voor het geval dat deze energiebron uitvalt, behalve indien het te signaleren gevaar ophoudt te bestaan bij het uitvallen van de energie.

relaties0relaties0

Artikel 8.7 Controle licht- en geluidssignalen

  • 1. De licht- en geluidssignalen zijn voor de ingebruikneming op hun goede werking en reële doeltreffendheid gecontroleerd. Die controle wordt nadien voldoende vaak herhaald.relaties0
  • 2. Een licht- of geluidssignaal geeft bij inwerkingstelling het begin van een actie aan: de duur ervan is zo lang als de actie vereist.relaties0
  • 3. De licht- en geluidssignalen worden na ieder gebruik onmiddellijk opnieuw in werking gesteld.relaties0
relaties0

Artikel 8.8 Bescherming specifieke werknemers

Indien de betrokken werknemers een beperkt gehoor- of gezichtsvermogen hebben, onder meer door het dragen van individuele beschermende uitrusting, dienen adequate aanvullende maatregelen of vervangingsmaatregelen te worden genomen.

relaties0relaties0

Artikel 8.9 Algemene eisen veiligheidsborden

  • 1. De pictogrammen waarvan veiligheidsborden zijn voorzien, zijn zo eenvoudig mogelijk en voor het begrip overbodige details worden weggelaten.relaties0
  • 2. De borden zijn gemaakt van materiaal met een zo groot mogelijke schokvastheid en weerbestendigheid.relaties0
  • 3. De borden bezitten dusdanige afmetingen en kleur- en lichttechnische eigenschappen dat zij goed zichtbaar en gemakkelijk te begrijpen zijn.relaties0
relaties0

Artikel 8.10 Soorten borden

  • 1. Verbodsborden kenmerken zich door een ronde vorm, een zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van 45° ten opzichte van de horizontale lijn, waarbij de rode kleur ten minste 35% van het oppervlak van het bord beslaat.relaties0
  • 2. Waarschuwingsborden kenmerken zich door een driehoekige vorm, een zwart pictogram op gele achtergrond en een zwarte rand, waarbij de gele kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.relaties0
  • 3. Gebodsborden kenmerken zich door een ronde vorm, een wit pictogram op blauwe achtergrond, waarbij de blauwe kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.relaties0
  • 4. Reddingsborden kenmerken zich door een rechthoekige of vierkante vorm, wit pictogram op groene achtergrond, waarbij de groene kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.relaties0
  • 5. Borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal kenmerken zich door een rechthoekige of vierkante vorm en een wit pictogram op rode achtergrond, waarbij de rode kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.relaties0
  • 6. De in bijlage XVIII bij deze regeling opgenomen borden, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties.relaties0
  • 7. De gebruikte pictogrammen mogen licht afwijken van of meer gedetailleerd zijn dan de pictogrammen van de borden, bedoeld in bijlage XVIII bij deze regeling. De betekenis ervan is dan evenwel dezelfde en verschillen of aanpassingen maken de betekenis niet onduidelijk.relaties0
relaties0

Artikel 8.11 Plaatsing van borden

  • 1. De borden worden, rekening houdend met eventuele obstakels, op passende hoogte en op een passende plaats ten opzichte van het gezichtsveld geïnstalleerd, hetzij bij de toegang tot een zone waar een algemeen risico bestaat hetzij in de onmiddellijke nabijheid van een bepaald risico of het te signaleren object, en wel op een goed verlichte en gemakkelijk toegankelijke en zichtbare plaats.relaties0
  • 2. Bij slechte natuurlijke verlichtingsomstandigheden worden fluorescerende kleuren, reflecterende materialen of kunstlicht gebruikt.relaties0
  • 3. Een bord wordt verwijderd zodra de situatie die de aanwezigheid ervan rechtvaardigt, niet meer bestaat.relaties0
relaties0

Artikel 8.12 Reservoirs en leidingen met gevaarlijke stoffen

  • 1. Reservoirs die worden gebruikt bij werkzaamheden met dan wel de opslag van chemische stoffen of mengsels die overeenkomstig EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als gevaarlijk worden ingedeeld op grond van de criteria voor enige fysische gevarenklasse of gezondheidsgevarenklasse, alsmede leidingen die dergelijke stoffen en mengsels bevatten of waardoor deze stoffen en mengsels worden getransporteerd, worden overeenkomstig die verordening voorzien van de relevante gevarenpictogrammen.relaties0
  • 2. Het vorige lid is niet van toepassing op reservoirs die worden gebruikt bij werkzaamheden van korte duur of die vaak wisselen van inhoud mits er toereikende alternatieve maatregelen worden genomen, met name op het gebied van voorlichting of opleiding, die hetzelfde beschermingsniveau garanderen.relaties0
  • 3. De in het eerste lid bedoelde gevarenpictogrammen kunnen:
    • a.worden vervangen door waarschuwingsborden als weergegeven in artikel 8.10 met hetzelfde pictogram of symbool met dien verstande dat indien artikel 8.10 geen gelijkwaardig waarschuwingsbord bevat, het relevante gevarenpictogram als weergegeven in bijlage V van EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels wordt gebruikt;relaties0
    • b.worden aangevuld met extra informatie zoals de naam of de formule van de gevaarlijke stof en een gedetailleerde beschrijving van het gevaar;relaties0
    • c.voor het transport van reservoirs op de arbeidsplaats worden aangevuld met of vervangen door borden die krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet luchtvaart van toepassing zijn voor het transport van gevaarlijke stoffen.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 8.13 Aanbrengen van signalering op reservoirs en leidingen

De signalering bedoeld in artikel 8.12 wordt aangebracht op de zichtbare zijden in de vorm van hard materiaal, zelfklevend materiaal of verf.

relaties0relaties0

Artikel 8.14 Plaatsing op leidingen

De op leidingen gebruikte gevarenpictogrammen of signaalwoorden worden zichtbaar en voldoende herhaald aangebracht in de nabijheid van de meest gevaarlijke plaatsen, zoals kleppen en aansluitingspunten.

relaties0relaties0

Artikel 8.15 Signalering bij opslag gevaarlijke stoffen

  • 1. De signalering van plaatsen, lokalen of afgesloten ruimten die worden gebruikt voor de opslag van aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen geschiedt door een passend waarschuwingsbord als bedoeld in artikel 8.10 of door gevarenpictogrammen en signaalwoorden als bedoeld in artikel 8.12 tenzij, rekening houdend met artikel 8.9, derde lid, wat de afmeting betreft, de gevarenpictogrammen en signaalwoorden van de afzonderlijke verpakkingen of op de reservoirs ter zake volstaan.relaties0
  • 2. De in het eerste lid bedoelde borden of gevarenpictogrammen en signaalwoorden worden bij de opslagruimte of op de toegangsdeur tot de opslagruimte geplaatst.relaties0
  • 3. Indien artikel 8.10 geen gelijkwaardig waarschuwingsbord bevat, wordt het relevante gevarenpictogram als weergegeven in bijlage V van EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels gebruikt.relaties0
relaties0

Artikel 8.16 Wijze van gebruik lichtsignalen

Rekening houdend met de gebruiksomstandigheden veroorzaakt het door een signaal uitgezonden licht een aan de omgeving aangepast lichtcontrast dat niet tot verblinding mag leiden maar voldoende zichtbaar is.

relaties0relaties0

Artikel 8.17 Uniformiteit

  • 1. Het lichtoppervlak dat een signaal uitzendt, is uniform van kleur of bevat een pictogram op een bepaalde achtergrond.relaties0
  • 2. De uniforme kleur voldoet aan artikel 8.5.relaties0
  • 3. Wanneer het signaal een pictogram bevat, voldoet dit aan artikel 8.10.relaties0
relaties0

Artikel 8.18 Bijzondere lichtsignalen

  • 1. Wanneer een voorziening een continu en een intermitterend signaal kan uitzenden, wordt het intermitterende signaal gebruikt om ten opzichte van het continue signaal aan te geven dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd.relaties0
  • 2. Wanneer een intermitterend lichtsignaal wordt gebruikt in plaats of ter completering van een geluidssignaal, is de code van het signaal identiek.relaties0
  • 3. Een voorziening om een lichtsignaal uit te zenden in geval van groot gevaar, wordt speciaal in het oog gehouden of uitgerust met een reservelamp.relaties0
  • 4. De duur en de frequentie van de flitsen van een intermitterend lichtsignaal zijn zodanig dat:
    • a.de boodschap van het signaal goed wordt begrepen, enrelaties0
    • b.er voorkomen wordt dat verwarring ontstaat tussen verschillende lichtsignalen of tussen een continu en een intermitterend lichtsignaal.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 8.19 Vereisten geluidssignalen

  • 1. Een geluidssignaal:
    • a.heeft een geluidsniveau dat duidelijk hoger is dan het niveau van het omgevingslawaai, zodat het goed hoorbaar is, doch niet te luid of pijnlijk voor de oren;relaties0
    • b.is gemakkelijk herkenbaar;relaties0
    • c.is gemakkelijk te onderscheiden van een ander geluidssignaal en andere omgevingsgeluiden.relaties0
    relaties0
  • 2. Wanneer een voorziening een geluidssignaal met een variabele en een vaste frequentie kan uitzenden, wordt de variabele frequentie gebruikt om ten opzichte van de vaste frequentie aan te geven dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd.relaties0
  • 3. Het geluid van een ontruimingssignaal is continu.relaties0
relaties0

Artikel 8.20 Algemene vereisten inzake de mondelinge mededeling

  • 1. De mondelinge mededeling vindt plaats tussen een spreker of zender en een of meer toehoorders, en wel in de vorm van korte teksten, woordgroepen of afzonderlijke woorden, eventueel gecodeerd.relaties0
  • 2. De mondelinge boodschappen zijn zo kort, eenvoudig en duidelijk mogelijk.relaties0
  • 3. De taalvaardigheid van de spreker en het gehoorvermogen van de toehoorder zijn voldoende om een ondubbelzinnige communicatie tot stand te brengen.relaties0
  • 4. De mondelinge mededeling is direct door middel van gebruik van de menselijke stem of indirect door middel van de menselijke stem of spraaksynthese, verspreid door een middel ad hoc.relaties0
  • 5. Indien de mondelinge mededeling wordt gebruikt in plaats van of ter aanvulling van hand- of armseinen en er geen codes worden gebruikt, worden met name de volgende woorden gebruikt:
    • a.start, om het begin van een commando aan te duiden;relaties0
    • b.stop, om een beweging te onderbreken of te beëindigen;relaties0
    • c.einde, om de werkzaamheden stop te zetten;relaties0
    • d.hijsen, om een last te doen hijsen;relaties0
    • e.vieren, om een last te doen vieren;relaties0
    • f.vooruit, achteruit, naar rechts, naar links, in combinatie met het juiste hand- of armsein, om een beweging in een bepaalde richting te doen plaatsvinden;relaties0
    • g.gevaar, om een noodstop af te dwingen;relaties0
    • h.snel, om een beweging te versnellen.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 8.21 Gebruikte taal

De betrokken personen kennen de gebruikte taal zodanig dat zij de boodschap correct kunnen uitspreken en begrijpen en zich al naar gelang van de boodschap op passende wijze kunnen gedragen op het vlak van de veiligheid of de gezondheid.

relaties0relaties0

Artikel 8.22 Algemene vereisten inzake hand en armseinen

  • 1. Een hand- of armsein is precies en eenvoudig en bestaat uit een breed gebaar.relaties0
  • 2. Het gelijktijdig gebruik van beide armen verloopt symmetrisch en geeft slechts één enkel signaal weer.relaties0
relaties0

Artikel 8.23 Seingever

  • 1. De seingever geeft met behulp van hand- en armseinen besturingsinstructies door aan de ontvanger van de seinen.relaties0
  • 2. De seingever wijdt zijn aandacht uitsluitend aan het geven van de besturingsinstructies en de veiligheid van de werknemers die zich in de nabijheid bevinden.relaties0
  • 3. De seingever kan de gehele besturingsoperatie zien, zonder daarbij door de handeling gehinderd te worden.relaties0
  • 4. Wanneer niet aan de in het derde lid, genoemde voorwaarden kan worden voldaan, worden een of meer bijkomende seingevers ingeschakeld.relaties0
relaties0

Artikel 8.24 Ontvanger van seinen

De ontvanger van de seinen zet de in uitvoering zijnde transportbeweging stil om nieuwe instructies te vragen, wanneer hij de ontvangen orders niet met de nodige veiligheidsgaranties kan uitvoeren.

relaties0relaties0

Artikel 8.25 Kenbaarheid seingever

De seingever is makkelijk herkenbaar voor de ontvanger van de seinen.

relaties0relaties0

Artikel 8.26 Voorkomen onduidelijkheid seinen

De in bijlage XIX bij deze regeling opgenomen hand- en armseinen, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties, waarbij deze geen afbreuk doen aan het gebruik van andere van toepassing zijnde codes, met name in bepaalde bedrijvigheidssectoren, waarmee dezelfde handelingen worden aangeduid.

relaties0relaties0

Artikel 8.27 Signalering van obstakels en gevaarlijke plaatsen

  • 1. De signalering van gevaar door stoten tegen obstakels, door vallende voorwerpen of personen, geschiedt door middel van geel, afgewisseld met zwart, of rood afgewisseld met wit, binnen de bebouwde zones van het bedrijf of de inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft.relaties0
  • 2. De gele en zwarte of rode en witte banden worden onder een hoek van circa 45° aangebracht en hebben ongeveer dezelfde afmetingen.relaties0
relaties0

Artikel 8.28 Afstemming signalering op obstakel of gevaarlijke plaats

De afmetingen van de signalering houden rekening met de afmeting van het gesignaleerde obstakel of de gesignaleerde gevaarlijke plaats.

relaties0relaties0

Artikel 8.29 Vereisten inzake markering van verkeerswegen

  • 1. Wanneer de bescherming van de werknemers dat vereist, worden de verkeerswegen op de arbeidsplaats voor voertuigen duidelijk door doorlopende strepen met een goed zichtbare kleur aangegeven.relaties0
  • 2. Bij het aanbrengen van de strepen wordt rekening gehouden met de nodige veiligheidsafstanden tussen de voertuigen die er kunnen rijden en elk voorwerp dat zich in de nabijheid en tussen de voetgangers en de voertuigen kan bevinden.relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 8a Overtredingen en maatregelen

Artikel 8.29a Overtredingen

Als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt aangemerkt het handelen of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de artikelen 3.4, 3.5, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, 4.3 tot en met 4.7, 4.9, 4.11 tot en met 4.13, 4.15, 4.18, 4.19, tweede lid, 4.19b, 4.20, tweede lid, 4.20a, 4.20b, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 4.22 tot en met 4.26, 5.1 tot en met 5.3, 8.1, tweede lid, 8.2, 8.3, 8.4, derde lid, 8.5 tot en met 8.11, 8.12, eerste en tweede lid, en 8.13 tot en met 8.29.

relaties0relaties0

Artikel 8.29b

De hoogte van het boetenormbedrag, bedoeld in artikel 9.10a, vijfde lid, van het besluit bedraagt € 4500.

relaties0relaties0

Artikel 8.29c Soortgelijke overtredingen

Als soortgelijke overtredingen als bedoeld in artikel 9.10c van het besluit worden aangemerkt het handelen of nalaten in strijd met de voorschriften van de artikelen die telkens in de afzonderlijke subonderdelen zijn aangegeven:

relaties0relaties0
relaties0

Hoofdstuk 9 Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel 9.2a

De afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne door de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO in de periode van 1 november 1999 tot 3 november 2006 wordt aangemerkt als de afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.15.

relaties0relaties0

Artikel 9.2b Overgangsregeling certificering duikerartsen

De in artikel 6.5, eerste lid, onderdeel a, opgenomen eis geldt niet indien de aanvrager voor 1 januari 2003 al werkzaam was als duikerarts en in de periode van een jaar voor de eerste afgifte van het certificaat duikerarts aan hem, ten minste 10 personen belast met het verrichten van duikarbeid heeft gekeurd.

relaties0relaties0

Artikel 9.2c Tijdelijke regeling certificering arbodiensten [Vervallen per 01-01-2020]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 9.2d Overgangsbepaling certificering duikploegleiders [Vervallen per 01-01-2007]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 9.2e Overgangsbepaling certificering duikerartsen [Vervallen per 01-01-2007]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 9.2f Overgangsbepaling certificering arbeid met asbest [Vervallen per 01-02-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 9.3 Overgangsregeling Hoofdstuk 2, Paragraaf 3.3 Winningsindustrieën voor het opsporen en de winning van koolwaterstoffen

De aanvulling van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem, bedoeld in artikel 3.16, de aanvulling van het veiligheids- en gezondheidsbeleid en -document, bedoeld in artikel 3.17, de aanvulling van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in de artikelen 3.18 en 3.19, en de aanvulling van het noodplan, bedoeld in artikel 3.20, worden door de werkgever vastgelegd en aan de toezichthouder gezonden:

  • a.voor installaties die bestaan op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding, bedoeld in artikel II: uiterlijk 19 juli 2018;relaties0
  • b.voor installaties anders dan bedoeld in onderdeel a: voor de aanvang van de werkzaamheden.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 9.4 [Vervallen per 01-11-1999]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 9.5 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenregeling.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden gepubliceerd.

relaties0relaties0
relaties0
's-Gravenhage
12 maart 1997
De
Staatssecretaris
voornoemd,
w.g. F.H.G. de
Grave

Bijlage 0 , behorend bij Artikel 1.7a [Vervallen per 01-10-2012]

[Red: Vervallen]

relaties0

Bijlage I behorend bij artikel 2.0

In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit komen aan de orde:

  • a.die onderdelen van het algemene managementsysteem waartoe de organisatorische structuur, de verantwoordelijkheden, de gebruiken, de procedures, de toegepaste werkmethoden en productiemethoden en de hulpmiddelen behoren welke het mogelijk maken het beleid ter voorkoming van zware ongevallen te bepalen en uit te voeren;relaties0
  • b.de organisatie en het personeel: de taken en verantwoordelijkheden van het personeel dat op alle organisatorische niveaus bij het beheersen van de risico’s van zware ongevallen is betrokken, het onderkennen van de behoeften aan opleiding van dat personeel, de organisatie van die opleiding en de deelname daaraan door het personeel, de aannemers en de onderaannemers;relaties0
  • c.de identificatie van de gevaren en de beoordeling van de risico’s van zware ongevallen, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, van het besluit;relaties0
  • d.het toezicht op de uitvoering: de vaststelling en de toepassing van procedures en instructies voor de beheersing van de veiligheid van de bedrijfsvoering, met inbegrip van het onderhoud van de installaties en de tijdelijke onderbrekingen;relaties0
  • e.de wijze waarop wordt gehandeld bij wijzigingen: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de planning van wijzigingen met betrekking tot het bedrijf of de inrichting of een onderdeel daarvan of de toegepaste werkmethoden en productiemethoden dan wel met betrekking tot het ontwerpen van nieuwe werkmethoden of productiemethoden;relaties0
  • f.de planning voor noodsituaties: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de systematische identificatie van noodsituaties alsmede voor het uitwerken, beoefenen, en toetsen van de noodplannen. Bij het oefenen van noodplannen worden alle werknemers op de locatie betrokken, met inbegrip van relevante aannemers en onderaannemers;relaties0
  • g.het toezicht op de prestaties: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de permanente beoordeling van de inachtneming van de doelstellingen van het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en van het veiligheidsbeheerssysteem, alsmede de invoering van regelingen voor onderzoek en correctie bij het niet in acht nemen daarvan. Tot deze procedures behoren het systeem voor de melding van zware ongevallen en bijna-ongevallen, met name die waarbij de beschermende maatregelen hebben gefaald, het onderzoek daarnaar en de nazorg, een en ander op grond van de ervaringen uit het verleden;relaties0
  • h.audits en beoordeling: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de systematische periodieke evaluatie van het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en van de doeltreffendheid en van de deugdelijkheid van het veiligheidsbeheerssysteem alsmede voor de met documenten gestaafde analyse door de werkgever van de resultaten van het gevoerde beleid, van het veiligheidsbeheerssysteem en van de actualisering daarvan.relaties0
relaties0

Bijlage II behorend bij artikel 2.0c

Het intern noodplan als bedoeld in artikel 2.5c van het besluit bevat de volgende gegevens en beschrijvingen:

  • a.de naam en functie van de personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te laten treden en van de persoon die belast is met de leiding en coördinatie van de maatregelen ter bestrijding van een ongeval binnen het bedrijf of inrichting;relaties0
  • b.de naam en functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de contacten met de voor het externe noodplan verantwoordelijke autoriteiten;relaties0
  • c.voor voorzienbare omstandigheden of gebeurtenissen die een doorslaggevende rol kunnen spelen bij het ontstaan van een zwaar ongeval, een beschrijving van de te nemen maatregelen ter beheersing van de toestand of de gebeurtenis en ter beperking van de gevolgen daarvan, met inbegrip van een beschrijving van de beschikbare veiligheidsuitrusting en middelen;relaties0
  • d.de maatregelen ter beperking van het risico voor personen binnen het bedrijf of de inrichting, waaronder het alarmsysteem en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm;relaties0
  • e.de regelingen om de autoriteit die verantwoordelijk is voor het in werking laten treden van het externe noodplan bij een ongeval snel in te lichten, de inlichtingen die onmiddellijk moeten worden verstrekt en de regelingen voor het verstrekken van uitvoeriger inlichtingen, wanneer deze beschikbaar komen;relaties0
  • f.de regelingen om de werknemers op te leiden voor het vervullen van de taken die van hen verwacht worden en indien nodig de coördinatie hiervan met de externe hulpdiensten;relaties0
  • g.de regelingen voor de verlening van steun aan externe bestrijdingsmaatregelen.relaties0
relaties0

Bijlage IIa behorend bij Artikel 2.7 Arbeidsomstandighedenregeling [Vervallen per 01-01-2019]

[Red: Vervallen]

relaties0

Bijlage IIb behorend bij Artikel 2.8 Arbeidsomstandighedenregeling [Vervallen per 01-01-2019]

[Red: Vervallen]

relaties0

Bijlage IIc behorend bij Artikel 2.14

Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht op certificatie-instellingen belast met: persoonscertificatie op gebied van Arbeids- en Organisatiedeskundige, Arbeidshygiënist en Hogere Veiligheidskundige

Document: WDAT-ARBO

Onder beheer van:

Stichting Beheer Certificatie Deskundigen (BCD)

Lange Voorhout 14

2514 ED Den Haag

Inhoud

1.   Inleiding
     
2.   Definities
     
3.   Werkveldspecifieke kenmerken
  3.1 Beschrijving document
  3.2 Actieve partijen
  3.3 Risicoanalyse en afbreukrisico
     
4.   Eisen ten behoeve van de aanwijzing
  4.1 Persoonscertificatie
  4.2 Aanwijzingscriteria
     
5.   Toezicht
     
6.   Maatregelen

1 Inleiding

Het verrichten van arbeid is een risicovolle bezigheid. Arbeidshygiëne, arbeids- en organisatiekunde en veiligheidskunde zijn vakgebieden met als doelstelling te adviseren over het reduceren van het risico van arbeid. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling van deze drie beroepsactiviteiten. Het certificaat wordt onder deze regeling verstrekt door certificatie-instellingen (CKI’s). Om certificaten te mogen verstrekken dient een CKI hiertoe te worden aangewezen door de minister van SZW. Dit gebeurt door een toetsing aan dit document voor aanwijzing van en toezicht op de certificatie-instellingen voor het certificeren van arbeids- en organisatiedeskundigen, arbeidshygiënisten en veiligheidskundigen (WDAT-ARBO). In dit document is aangegeven aan welke regels en procedures de betreffende CKI’s zich dienen te houden.

In dit schema voor aanwijzing en toezicht (WDAT-ARBO) worden enerzijds de normen vastgelegd waaraan CKI’s dienen te voldoen om aangewezen te worden door de Minister en anderzijds de voorwaarden waarbinnen de aanwijzing plaatsvindt.

Dit WDAT-ARBO is vastgesteld door de Minister van SZW en wordt beheerd door de Stichting Beheer Certificatie Deskundigen (BCD) die ook het certificatieschema voor arbeids- en organisatiedeskundigen, arbeidshygiënisten en veiligheidskundigen beheert. Uitsluitend de versie van het schema waarnaar in de regelgeving wordt verwezen is van kracht.

2 Definities

A&O Arbeids- en Organisatiedeskundige.
Aanvrager van een certificaat De persoon die bij de Certificatie-instelling een aanvraag doet voor het afgeven van een certificaat.
Aanwijzing Aanwijzing van een instelling bij of krachtens wettelijk voorschrift door de minister van SZW.
AH Arbeidshygiënist.
Awb Algemene wet bestuursrecht.
BCD Beheerstichting Certificatie van Deskundigen. De stichting BCD beheert de wettelijke certificatieregeling voor A&O, AH en VK.
Beoordeling Beoordeling (initiële, of her-) door de nationale accreditatie-instantie van instellingen op basis van het door de minister van SZW vastgestelde WDA&T, op grond waarvan de nationale accreditatie-instantie schriftelijk rapporteert of de instelling competent is om wettelijk verplichte certificaten af te geven. Bij het vaststellen van het WDA&T door de minister van SZW wordt zoveel mogelijk aangesloten bij internationale systematiek en normen.
CCvD ARBO Het Centraal College van Deskundigen Arbo is onderdeel van en wordt gefaciliteerd door de stichting BCD, dat belanghebbende partijen in een bepaalde sector of branche de mogelijkheid biedt tot deelname bij het opstellen en onderhouden van de documenten van de BCD op zodanige wijze dat sprake is van een evenwichtige en representatieve vertegenwoordiging van deze partijen.
Certificaat Een certificaat in de zin van artikel 20 Arbowet (persoonscertificaat). Daarnaast moet een certificaat beschouwd worden als een verklaring van overeenstemming (conformiteitverklaring) zoals bedoeld in relevante ISO en EN normen.
Certificaathouder Persoon die in het bezit is van een geldig (wettelijk verplicht) certificaat.
Certificatieproces Alle activiteiten via welke een CKI beoordeelt en besluit of een persoon, product of systeem voldoet en blijft voldoen aan de normen.
Certificatiereglement Bepalingen voor de uitvoering van het certificatieproces en de relaties tussen kandidaat en CKI.
Certificatieschema Een document dat door SZW is vastgesteld conform NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012.
Certificatiesysteem Set van procedures en middelen benodigd om het certificatieproces uit te voeren per certificatieschema, dat leidt tot de uitgifte van een certificaat van vakbekwaamheid, inclusief onderhoud.
CKI Certificatie- en Keurings Instelling.
Competentie Gedemonstreerd vermogen om kennis en vaardigheden toe te passen en, waar relevant, gedemonstreerde persoonlijke eigenschappen, zoals gedefinieerd in het certificatieschema.
Controle Periodieke beoordeling door de nationale accreditatie-instantie van CKI’s tegen de voor beoordeling geldende regels van de minister (WDA&T).
Entreecriteria Criteria, zoals opleiding en werkervaring, waaraan de kandidaat moet voldoen om toegelaten te worden tot het certificatieproces.
Examen Het geheel van toetsopgaven (toetsvragen en/of toetsopdrachten), bedoeld om de individuele kandidaat te kunnen beoordelen in de mate waarin hij of zij aan de eindtermen conform de normen voldoet.
Examencommissie Commissie binnen de structuur van de CKI onder wiens verantwoordelijkheid de examens worden afgenomen.
Examenreglement Bepalingen voor de uitvoering van examens in de relatie tussen de kandidaat en de exameninstelling.
HVK Hogere Veiligheidskundige.
Nationale accreditatie-instantie De accreditatie-instantie die door de overheid is aangewezen voor het uitvoeren van de nationale accreditatie.
Risicoanalyse Analyse waaruit motivatie, voor te maken keuzes in het werkveldspecifieke probleemgebied, blijkt, op te nemen in het beoogde werkveldspecifieke schema.
SZW Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Toegelaten opleiding Een beroepsopleiding waarvan door de Stichting BCD is vastgesteld dat deze kandidaten aflevert met de vereiste eindtermen.
Toezicht Het verzamelen van de informatie over de vraag of een handeling of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren. (Ministerie van BZK, De Kaderstellende visie op toezicht).
Vakbekwaamheidseisen De eisen die, binnen een bepaald werkveld of een bepaalde beroepsgroep, gesteld worden aan personen met betrekking tot hun kennis, vaardigheden en houdingen inzake specifieke handelingen of taken.
VK Veiligheidskundige.
Werkveld In dit certificatieschema vallen daaronder de beroepsgebieden arbeids & organisatiekunde arbeidshygiëne en veiligheidskunde.
WDA&T Term gebruikt door SZW voor een werkveldspecifiek schema van aanwijzing en toezicht. Daarin zijn de normen vastgelegd waaraan CKI’s dienen te voldoen om aangewezen te worden door de minister van SZW. Ook bevat het de voorwaarden waarbinnen aanwijzing plaatsvindt.
WSCS Term gebruikt door SZW voor een werkveldspecifiek certificatieschema dat door de minister van SZW is geaccepteerd te gebruiken binnen een specifieke aanwijzing als CKI voor personen, producten of systemen.
WDAT-ARBO Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht (WDA&T) op certificatie-instellingen belast met persoonscertificatie op het gebied van arbeids- en organisatiedeskundigen, arbeidshygiënisten en veiligheidskundigen. Documentnummer: WDAT-ARBO: 2012, versie 1.
WSCS-AH Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Arbeidshygiënisten (AH). Documentnummer: WSCS-AH: 2012, versie 1.
WSCS-AO Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Arbeids en Organisatiedeskundigen (AO). Documentnummer: WSCS-AO: 2012, versie 1.
WSCS-HVK Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Hogere Veiligheidskundige (HVK). Documentnummer: WSCS-HVK: 2012, versie 1.
WOB Wet Openbaarheid van Bestuur.

Daarnaast worden de definities uit de NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012 gehanteerd.

3 Werkveldspecifieke kenmerken

3.1 Beschrijving document

Dit document voor aanwijzing van en toezicht op de certificatie-instellingen voor het certificeren van arbeids- en organisatiedeskundigen, arbeidshygiënisten en veiligheidskundigen (WDAT-ARBO) is door de Stichting Beheer Certificatie van Deskundigen (stichting BCD) op advies van het CCvD ARBO voorgesteld en door de Minister van SZW vastgesteld. Dit vastgestelde document vervangt eerdere versies.

3.2 Actieve partijen

Binnen het kader van dit WDA&T zijn actief:

  • De Stichting BCD;
  • CCvD ARBO;
  • De voor dit werkveld aan te wijzen CKI’s;
  • Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
3.3 Risicoanalyse en afbreukrisico

Bij de aanwijzing van een certificatie-instelling (CKI) bestaat het risico dat:

  • 1)een CKI wordt aangewezen, die op het moment van aanwijzen niet voldoet aan de eisen die aan een dergelijke CKI worden gesteld;relaties0
  • 2)een CKI wordt aangewezen die na aanwijzing haar taken niet naar behoren blijkt te vervullen;relaties0
  • 3)de belangen van certificaathouders kunnen worden geschaad;relaties0
  • 4)het stelsel van certificatie arbeidsomstandigheden en warenwet ‘imagoschade’ oploopt of anderszins wordt ondermijnd en/of het ministerie van SZW geconfronteerd wordt met aansprakelijkheidsstelling of schadeclaims;relaties0
  • 5)er onvoldoende mogelijkheden zijn voor tussentijdse controle op het functioneren van de CKI en voor mogelijkheden om, bij geconstateerde afwijkingen, corrigerend op te treden richting die CKI;relaties0
  • 6)een CKI niet wordt aangewezen die, gezien de wettelijke criteria, wel voor aanwijzing in aanmerking had dienen te komen. relaties0
Ad 1

Hierbij gaat het onder meer om zaken als het beschikken over voldoende en voldoende gekwalificeerd personeel, over adequate huisvesting en voldoende procedures en voorzieningen voor wat betreft de omgang met persoonsgegevens, procedures en protocollen voor de uitbesteding van werkzaamheden en de onafhankelijkheid van degenen die bij het proces van toetsing en certificatie zijn betrokken.

Ad 2

Hierbij gaat het onder meer om zaken als onvoldoende periodieke controle van de CKI op de certificaathouder (frequentie, diepgang).

Ad 3

Hierbij gaat het onder meer om het niet adequaat toepassen van de voorgeschreven procedures inzake klachten en herziening. Ook de wijze van toetsing van (kandidaat)certificaathouders en de onafhankelijkheid en de wijze waarop de toetsresultaten zijn vastgelegd is hierbij een aandachtspunt. Verder is hier van belang hoe wordt omgegaan met dossiers van certificaathouders in het geval een CKI beslist de werkzaamheden te beëindigen.

Ad 4

CKI’s voeren een publieke taak uit en het is daarom van belang dat zij zich voldoende verzekeren tegen aansprakelijkheid. Nalatigheid of onjuist handelen kan het vertrouwen in het stelsel van certificatie ondermijnen en leiden tot (imago)schade voor collega CKI’s en SZW.

Ad 5

De eisen in het Schema voor Aanwijzing en Toezicht dienen zodanig te zijn dat deze voldoende handvatten bieden voor tussentijdse controles door bijvoorbeeld de nationale accreditatie-instelling of de Inspectie SZW en voldoende toetsbare bepalingen te bevatten voor SZW om indien nodig sancties aan de CKI op te kunnen leggen.

Ad 6

Hier gaat het om te voorkomen dat een CKI niet zou worden aangewezen, terwijl deze wel aan de criteria voor aanwijzing voldoet (transparantie en kenbaarheid inzake de criteria).

4 Eisen ten behoeve van de aanwijzing

4.1 Persoonscertificatie

Het beoordelen en aanwijzen van CKI’s voor persooncertificatie vindt plaats op basis van de NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012 en de eisen die gesteld worden aan de CKI op grond van aanwijzing. CKI’s die op basis van deze documenten zijn beoordeeld en voldoen, geven voldoende dekking aan de in de risicoanalyse genoemde onderwerpen. Voor de artikelen 8.4 en 9.6 uit de norm zijn de beschreven aanvullingen van toepassing.

Een uitwerking van normartikel 8.4 van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012 leidt tot de volgende aanvullende eisen:

  • Het certificatieschema wordt voorgesteld en beheerd door de stichting BCD en niet door de CKI;
  • Er kunnen door het CCvD ARBO voorstellen tot wijziging van het certificatieschema bij het bestuur van de stichting BCD worden ingediend; deze geleidt ze door naar de Minister van SZW. De Minister van SZW zal deze wijzigingen beoordelen en bepalen of het wijzigingsvoorstel al dan niet (ongewijzigd) wordt overgenomen.

Een uitwerking van normartikel 9.6 van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012 leidt tot de volgende aanvullende eis:

  • Er kunnen door het CCvD ARBO voorstellen tot wijziging van het certificatieschema bij het bestuur van de stichting BCD worden ingediend; deze geleidt ze door naar de Minister van SZW. De Minister van SZW zal deze wijzigingen beoordelen en bepalen of het wijzigingsvoorstel al dan niet (ongewijzigd) wordt overgenomen.
4.2 Aanwijzingscriteria

De CKI wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van de artikelen 1.5a t/m 1.5d Arbobesluit op de volgende criteria getoetst:

  • 4.2.1De aangewezen CKI en de werknemers die met de keuringen of beoordelingen zijn belast, voeren deze uit met de grootste mate van beroepsintegriteit.relaties0
  • 4.2.2Er is een integriteitsbeleid, dat waar nodig in duidelijke voorschriften is uitgewerkt. Het personeel heeft zich aantoonbaar hieraan geconformeerd.relaties0
  • 4.2.3De aangewezen CKI treedt integer en niet buiten zijn bevoegdheden in de markt op.relaties0
  • 4.2.4Het personeel van de aangewezen CKI is aantoonbaar gebonden aan beroepsgeheim ten aanzien van al hetgeen het bij de uitoefening van zijn taak in het kader van het besluit ter kennis is gekomen, behalve tegenover de ter zake bevoegde overheidsinstanties.relaties0
  • 4.2.5De aangewezen CKI is bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en dient te voldoen aan bestuurswetgeving zoals de Algemene wet bestuursrecht, de Wet openbaarheid van bestuur en de Archiefwet 1995.relaties0
  • 4.2.6De aangewezen CKI dient te beschikken over een WA verzekering die voldoende dekking biedt voor redelijkerwijs te verwachten risico’s.relaties0
  • 4.2.7De aangewezen CKI dient een procedure te hebben waarin geregeld is dat in geval van ontdekking van een vermoeden van direct gevaar voor de veiligheid dit ogenblikkelijk door de desbetreffende medewerker gemeld wordt, en waarin staat beschreven dat de instelling z.s.m. de belanghebbenden informeert, waaronder indien van toepassing de betreffende overheidsinstantie.relaties0
  • 4.2.8Bij beëindiging van de activiteiten door de aangewezen CKI dient deze terstond de minister van SZW te informeren. De minister van SZW bepaalt wat de (voorheen) aangewezen CKI met de dossiers moet doen, de (voorheen) aangewezen CKI dient hieraan mee te werken. Dit vrijwaart de (voorheen) aangewezen CKI niet van eventuele aansprakelijkheid voor fouten in door haar uitgevoerde keuringen of beoordelingen.relaties0
  • 4.2.9De aangewezen CKI dient de volgende procedures op schrift te hebben gesteld: een zienswijzeprocedure (afdeling 4.1.2 Awb), een bezwaarschriftprocedure (hoofdstuk 6 en 7 Awb) en een klachtenprocedure (hoofdstuk 9 Awb). .relaties0
  • 4.2.10De aangewezen CKI moet zich aantoonbaar laten vertegenwoordigen in het nationale overleg van de instellingen, georganiseerd door het CCvD. Het CCvD vertegenwoordigt Nederland bij het Europese NoBo overleg en de CKI’s nemen deel aan het overleg met het CCvD. De CKI’s moeten kunnen aantonen de afspraken uit het overleg met het CCvD uit te voeren.relaties0
  • 4.2.11Meldplicht van het weigeren, opschorten of intrekken van certificaten aan de andere CKI’s respectievelijk NoBo’s.relaties0
  • 4.2.12De Cki houdt zich bij de op te leggen sancties/maatregelen aan het vastgestelde sanctie- en maatregelenbeid. In geval van kennelijke onredelijkheid heeft de CKI op grond van de Awb de bevoegdheid hier van af te wijken. Afwijking geschiedt alleen op grond van door de certificaathouder aan te dragen argumenten. De onderbouwing voor de afwijking wordt opgenomen in het besluit over de opgelegde sanctie. Afwijkingen worden geregistreerd door de cki.relaties0
  • 4.2.13Alle documenten en registraties in het verkeer met de overheid dienen in het Nederlands te zijn tenzij anders met de overheid overeengekomen.relaties0
  • 4.2.14Verbod op onderuitbesteding op afgifte van certificaten en de daaraan voorafgaande beoordeling en beslissing.relaties0

5. Toezicht

In verband met de verplichtingen in het kader van toezicht zijn de volgende artikelen van toepassing; artikelen 1.5b en 1.5c Arbobesluit en artikel 1.1a Arboregeling.

Ten behoeve van de informatieverzameling dient de CKI kosteloos:

  • a)Zich jaarlijks vóór 1 maart schriftelijk aan SZW te verantwoorden over de rechtmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren op elk werkveld waarvoor de instelling door de minister van SZW is aangewezen (de schriftelijke verantwoording wordt naar de Inspectie SZW gezonden). In deze schriftelijke verantwoording worden tenminste de onderwerpen behandeld:
    • 1.de door de instelling afgegeven, geschorste, ingetrokken dan wel geweigerde certificaten;relaties0
    • 2.wijzigingen in de op het werkveld van de instelling betrekking hebbende accreditaties, reglementen en procedures;relaties0
    • 3.wijzigingen in de bestuurssamenstelling;relaties0
    • 4.wijzigingen in de statuten of het huishoudelijk reglement;relaties0
    • 5.aan derden uitbestede werkzaamheden;relaties0
    • 6.structurele knelpunten op het werkveld van de instelling die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan;relaties0
    • 7.het gevoerde overleg en de samenwerking op het werkveld met andere certificerende instellingen;relaties0
    • 8.door de instelling ontvangen klachten en de wijze van afhandeling daarvan;relaties0
    • 9.tegen de beslissingen van de instelling ingediende bezwaren en aangespannen zaken en de wijze van afhandeling daarvan;relaties0
    • 10.een financieel verslag betreffende de activiteiten waarvoor de instelling is aangewezen.relaties0
    • 11.Het aantal malen per kalenderjaar dat afgeweken wordt van het sanctie- en maatregelenbeleid.relaties0
    relaties0
  • b)Mee te werken aan controles in opdracht van SZW (in de praktijk betekent dit dat de controles door de Inspectie SZW en de nationale accreditatie-instantie uitgevoerd kunnen worden) .relaties0
  • c)Tijdige en juiste informatie te verstrekken die SZW nodig heeft om te kunnen beoordelen of zij aan de aanwijzingsnormen blijft voldoen (in de praktijk betekent dit dat deze informatie aan de Inspectie SZW of de nationale accreditatie-instantie verstrekt moet worden).relaties0
  • d)Terstond informatie te verstrekken aan SZW en aan de Beheerstichting in het kader van hun registratietaak, over individuele certificaten/certificaathouders waaraan een sanctie is opgelegd (in de praktijk betekent dit dat deze informatie aan de Inspectie SZW verstrekt moet worden).relaties0
  • e)Informatie te verstrekken aan de Inspectie SZW over de wijze waarop zij certificaten heeft verstrekt en van de wijze waarop zij het doen en laten van certificaathouders periodiek beoordeelt.relaties0
  • f)Aan te tonen aan SZW dat zij voldoende controleert of certificaathouders blijven voldoen aan de certificatie-eisen (in de praktijk betekent dit dat deze informatie aan de Inspectie SZW, of nationale accreditatie-instantie verstrekt moet worden). In ieder geval worden frequentie, aard en omvang (tijdsduur) van de controles weergegeven.relaties0
  • g)SZW in te lichten zodra zij voornemens is een of meer van haar taken te beëindigen.relaties0
  • h)SZW in te lichten zodra zij een aanvraag indient voor een aanvullende accreditatie of beoordeling op basis van een wettelijke specifiek schema. relaties0

6 Maatregelen

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet, Stcrt. 2010, nr. 10839 van 14 juli 2010.

relaties0

Bijlage IId behorend bij Artikel 2.15

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Arbeidshygiënist

Document: WSCS-AH

Inhoudsopgave

1.   Inleiding
     
2.   Definities
     
3.   De werkveldspecifieke kenmerken
  3.1 Beschrijving schema
  3.2 Actieve partijen
  3.3 Risicoanalyse en afbreukrisico
     
4.   Het certificatiereglement
  4.1 Doelstelling
  4.2 Certificatieprocedure
  4.3 Certificatiebesluit
  4.4 Geldigheidsduur
  4.5 Geldigheidscondities
  4.6 Klachten
  4.7 Bezwaarprocedure
  4.8 Register voor vakbekwaamheid
  4.9 Norminterpretatie
     
5.   Het examenreglement
  5.1 Doelstelling
  5.2 Het examenreglement
  5.3 Beheer centrale itembank en examenversies
     
6.   Toezicht
  6.1 Medewerking aan toezicht
  6.2 Frequentie en uitvoering van het toezicht
  6.3 Verslag van bevindingen
  6.4 Klachten betreffende de certificaathouder
  6.5 Maatregelen
     
7.   Het onderwerp van certificatie
     
8.   Entreecriteria
     
9.   Competentieprofiel
     
10.   Toetsmethodiek bij initiële certificatie
  10.1 Toetstermen
  10.2 Toets (overhoring van het portfolio)
     
11.   Toetsmethodiek bij hercertificatie
  11.1 Toetstermen
  11.2 Beoordelingsmethode
  11.3 Toets (verdediging van het portfolio)
     
12   Het certificaat
     
13.   Geldigheidscondities
   
Bijlage 1: Klachtenregeling
Bijlage 2: Bezwaarprocedure
Bijlage 3: Eisen te stellen aan examenpersoneel
Bijlage 4: Eisen te stellen aan het examen
Bijlage 5: Schema competentiegericht beoordelen
Bijlage 6: Competentieprofiel arbeidshygiënist
Bijlage 7: Toelaten van opleidingen
Bijlage 8: