Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 22/28084/GB, 29 november 2022, beroep
Uitspraakdatum:29-11-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

 

Nummer          22/28084/GB

    

Betreft [Klager]

Datum 29 november 2022

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [Klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft een verzoek gedaan tot deelname aan een penitentiair programma (PP).

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft dat verzoek op 22 juni 2022 afgewezen.

Klagers raadsvrouw, mr. K.C. van Hoogmoed, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift en de overige stukken.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Vooropgesteld dient te worden dat het Openbaar Ministerie (OM), de reclassering en de politie positief hebben geadviseerd inzake klagers verzoek en dat het deeladvies elektronische controle eveneens positief luidt. Klager heeft te kennen gegeven zijn medewerking te verlenen aan de gestelde bijzondere voorwaarden door de reclassering. Voorts heeft klager meegewerkt aan zijn Detentie- & Re-integratieplan, is hij begonnen met de cursus Kies voor Verandering, heeft het multidisciplinair overleg (MDO) aangegeven dat klager aan zijn re-integratiedoelen heeft gewerkt en is er een goedgekeurde werkgever voorhanden.

Gedurende klagers verblijf in de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel heeft klager één disciplinaire straf opgelegd gekregen, te weten op 24 januari 2022 wegens verbale agressie, en niet in februari 2022, zoals in de bestreden beslissing staat vermeld. Daarnaast is, zoals ook in de bestreden beslissing staat vermeld,  geen sprake van positieve urinecontroles. De laatste positieve urinecontrole dateert van 15 juli 2019. Waar verweerder de stelling op baseert dat klager bij alle urinecontroles positief heeft gescoord en dat daarbij wordt aangenomen dat er na februari 2022 geen urinecontroles meer zijn afgenomen, is onduidelijk. Elke zes weken wordt er een urinecontrole afgenomen. Daarnaast staat in het selectieadvies dat de laatste drie urinecontroles van 13 februari, 20 februari en 3 april 2022 negatief waren.

Het MDO heeft aangegeven dat hoewel klager geen negatief gedrag laat zien, hij door verschillende disciplines als dwingend in contact wordt ervaren. Dit is blijkens selectieadvies in ieder geval niet op de afdeling, nu wordt vermeld dat klager volgens het afdelingspersoneel goed functioneert. Onbekend is waar en bij wie klager wel dwingend zou zijn. Opgemerkt dient te worden dat klager op een licht verstandelijk beperkt niveau functioneert met een disharmonisch profiel. Klager komt verbaal relatief sterk over, waarbij hij slimmer overkomt dan hij feitelijk is en hierdoor overschat kan worden. De opmerking dat als klager van een personeelslid niet het gewenste antwoord krijgt, hij een ander personeelslid benadert, moet – voor zover hier sprake van is – dan ook in het licht van het voorgaande worden bezien.

Klager heeft in het verleden negatief gedrag laten zien. Dit was echter vóór de inwerkingtreding van het Beleidskader beoordeling gedrag gedurende gehele detentie naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen (hierna: het Beleidskader) op 1 juli 2021. Na de inwerkingtreding van het Beleidskader is aan klager op 1 augustus 2021 en 24 januari 2022 een disciplinaire straf opgelegd. Afgevraagd kan worden hoe redelijk het is om gedrag mee te wegen op het moment waarop het Beleidskader nog niet gold en de gedetineerde niet op de hoogte was dat zijn gedrag van belang zou zijn voor zijn re-integratie maanden of jaren later. Voor zover het Beleidskader wel van toepassing wordt geacht, geldt dat bij 60 procent aan gewenst gedrag een afweging door verweerder nodig is. Nu klager vooral in een andere inrichting ongewenst gedrag heeft laten zien, hij in de PI Krimpen aan den IJssel één disciplinaire straf heeft opgelegd gekregen en deze inrichting aangeeft dat klager zich heeft ingezet voor zijn re-integratiedoelen, goed functioneert, hij netjes en correct is en actief meedoet aan het dagprogramma, zou de afweging in klagers voordeel moeten uitvallen.

 

Standpunt van verweerder

Verweerder heeft de bestreden beslissing en de onderliggende stukken toegestuurd, maar daarbij geen inhoudelijke reactie gegeven.

 

3. De beoordeling

De beroepscommissie heeft verweerder meerdere keren verzocht om de stukken en een inhoudelijke reactie op het beroepschrift toe te sturen. In zaken zoals deze – waarin al een lange periode is verstreken, zonder dat het verweer is ontvangen – heeft de beroepscommissie vervolgens verzocht om ten minste de stukken toe te sturen. De beroepscommissie stelt vast dat verweerder daarop de stukken heeft toegestuurd en daarbij niet inhoudelijk heeft gereageerd. In dit geval bevatten de stukken voldoende informatie om een uitspraak te kunnen doen op het beroep. Op basis daarvan overweegt de beroepscommissie als volgt.

 

Klagers situatie

Klager is sinds 8 januari 2019 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek, wegens afpersing, vrijheidsberoving, drugsbezit/-handel en zware mishandeling. Daarnaast dient hij de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden te ondergaan. De einddatum van klagers detentie is momenteel bepaald op 5 juli 2023.

 

De wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) en artikel 7 van de Penitentiaire maatregel komt een gedetineerde in aanmerking voor deelname aan een PP, indien:

-    aan hem een (combinatie van) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf(fen) van (in totaal) minstens zes maanden en hoogstens een jaar is opgelegd;

-    hij nog hoogstens een zesde deel van zijn vrijheidsstraf(fen) moet ondergaan;

-    hij een strafrestant heeft van minimaal vier weken;

-    hij een aanvaardbaar verblijfadres heeft;

-    hij zich bereid heeft verklaard om zich te houden aan de voorwaarden van het PP.

 

Op grond van deze artikelen spelen ook de volgende aspecten een rol:

-    de aard, zwaarte en achtergrond van het gepleegde delict;

-    de mate waarin en de manier waarop de gedetineerde goed gedrag heeft laten zien;

-    de mogelijkheid om eventuele risico’s die aan de vrijheden zijn verbonden te beperken en te beheersen;

-    de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen;

-    de inspanningen die de gedetineerde heeft geleverd om de schade te vergoeden die het strafbare feit heeft veroorzaakt;

-    de mate van onzekerheid over de datum van invrijheidstelling;

-    eventuele andere omstandigheden die zich tegen deelname verzetten.

 

Gelet op het overgangsrecht gelden andere termijnen voor een gedetineerde die is veroordeeld vóór 1 december 2021. In dat geval geldt op grond van artikel 4 (oud) van de Pbw dat de gedetineerde in aanmerking komt voor deelname aan een PP, indien:

-    aan hem een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van tenminste zes maanden is opgelegd;

-    hij vijf zesde deel van de opgelegde vrijheidsstraf heeft ondergaan;

-    hij een strafrestant heeft van minimaal vier weken en maximaal een jaar.

 

In het Beleidskader zijn de normen vastgelegd voor het gedrag van de gedetineerde om in aanmerking te komen voor deelname aan een PP:

-    Gedetineerden die ten minste 80% van hun detentie gepromoveerd zijn geweest, voldoen aan de norm.

-    Bij gedetineerden die 60% tot 80% van hun detentie gepromoveerd zijn geweest, is een afweging nodig. Daarbij betrekt verweerder de ontwikkeling in het gedrag, de aard en ernst van de disciplinaire straffen en de momenten waarop de gedetineerde disciplinair is gestraft.

-    Gedetineerden die minder dan 60% van hun detentie gepromoveerd zijn geweest, voldoen niet aan de norm.

 

De bestreden beslissing

Verweerder heeft klagers verzoek tot deelname aan een PP afgewezen, vanwege zijn gedrag tijdens de detentie.

 

De overwegingen van de beroepscommissie

Vaststaat dat klager qua opgelegde straf en strafrestant voldoet aan de voorwaarden om te kunnen deelnemen aan een PP. Ook heeft hij een aanvaardbaar verblijfadres en beschikt hij over dagbesteding. Het OM en de reclassering hebben positief geadviseerd inzake klagers verzoek.

Klager heeft 60 procent van zijn detentie in het plusprogramma verbleven, waarbij ook de periode van vóór de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen c.q. het Beleidskader meetelt. Daarmee dient verweerder de hiervoor uit het Beleidskader genoemde afweging te maken.

In het selectieadvies worden elf disciplinaire straffen vermeld, waarvan vijf in 2019, één in 2020, vier in 2021 en één in januari 2022 opgelegd. Ten grondslag aan deze disciplinaire straffen hebben voornamelijk aangetroffen contrabande en positieve urinecontroles gelegen. De meest recente disciplinaire straf die in het selectieadvies staat vermeld, is opgelegd naar aanleiding van verbale agressie. De beroepscommissie merkt daarbij op dat zij – vanwege een door de directeur van de PI Krimpen aan den IJssel ingesteld beroep – ambtshalve bekend is dat aan klager op 9 augustus 2022 een disciplinaire straf is opgelegd wegens werkweigering. Klagers beklag in dezen is door de beklagcommissie gegrond verklaard. Nu de beroepscommissie nog geen uitspraak heeft gedaan in voornoemd beroep van de directeur, gaat de beroepscommissie in onderhavige procedure uit van de gegrondverklaring van klagers beklag en zal zij de disciplinaire straf van 9 augustus 2022 buiten beschouwing laten.

Uit het selectieadvies blijkt verder het volgende. Volgens het afdelingspersoneel functioneert klager in de PI Krimpen aan den IJssel – waar hij sinds 24 januari 2022 verblijft – goed en is hij netjes, correct en aanspreekbaar op zijn gedrag. Klager heeft gedurende zijn detentie gewerkt aan zijn re-integratiedoelen. De laatste in het selectieadvies vermelde urinecontroles waren negatief. De beroepscommissie begrijpt ingevolge de rekentool dat klager sinds 8 november 2021 – de einddatum van zijn laatste degradatieperiode – weer in het plusprogramma verblijft. Het MDO van de PI Krimpen aan den IJssel heeft het ongewenste gedrag van klager in een eerdere inrichting benoemd, maar ook aangegeven dat dit gedrag niet direct in de huidige inrichting wordt teruggezien. Wel zouden verschillende disciplines hebben aangegeven dat klager in het contact als dwingend wordt ervaren.

Verweerder heeft onvoldoende aandacht besteed aan de omstandigheden dat het ongewenste gedrag met name te zien was aan het begin van klagers detentie, klager het afgelopen jaar – op één disciplinaire straf wegens verbale agressie na – een positieve ontwikkeling heeft laten zien in zijn gedrag, het OM en de reclassering positief hebben geadviseerd en klager aan de overige voorwaarden voor een deelname aan een PP voldoet. Daardoor is de bestreden beslissing naar het oordeel van de beroepscommissie onvoldoende gemotiveerd. De beroepscommissie neemt daarbij in aanmerking dat het gegeven dat klager kennelijk als dwingend in het contact wordt ervaren, op zichzelf en mede gelet op zijn psychosociaal functioneren, onvoldoende zwaarwegend is om de bestreden beslissing te kunnen dragen.

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren en de bestreden beslissing vernietigen. Zij zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing. Zij draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. Zij kent klager geen tegemoetkoming toe.

 

Deze uitspraak is op 29 november 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. C. Fetter, voorzitter,
mr. M.F.A. van Pelt en drs. M.R. van Veen, leden, bijgestaan door mr. S.F.J.H. Niederer, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven