Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/7473/TA, 30 juli 2021, beroep
Uitspraakdatum:30-07-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-20/7473/TA

               

Betreft [klager]

Datum 30 juli 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen een afzonderingsmaatregel, die volgens hem op 26 maart 2020 is ingegaan.

 

De beklagrechter bij FPC De Rooyse Wissel te Venray (hierna: de instelling) heeft op 30 juni 2020 het beklag ongegrond verklaard (RV2020/78). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

 

Klagers raadsman, mr. J.A.W. Knoester, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

 

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en het hoofd van de instelling in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

De beklagrechter is ten onrechte van de door de instelling aangevoerde feiten uitgegaan. Klager vindt dat de afzonderingsmaategel onterecht is opgelegd en onevenredig lang heeft geduurd. Zelfs als van de door de instelling aangevoerde feiten wordt uitgegaan, was het voor de handhaving van de orde in de instelling niet noodzakelijk om hem af te zonderen. Klager wenst zijn in beklag ingenomen standpunt als herhaald en ingelast te beschouwen. Voorts benadrukt klager dat hij niet is gehoord voorafgaand aan het nemen van de beslissing tot afzondering. Klager betwist niet dat mevrouw Van B. in zijn kamer is geweest, maar zij heeft geen serieuze poging ondernomen om hem te horen. Het enkel op klagers kamer aanwezig zijn, is daartoe onvoldoende. Uit de schriftelijke mededeling maatregel blijkt ook niet dat zij heeft waargenomen dat klager haar daadwerkelijk heeft opgemerkt en dat hij haar dus niet wilde spreken. Er is geen sprake van een situatie conform artikel 54 (de beroepscommissie begrijpt: artikel 53), vierde lid, aanhef en onder b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, zodat het achterwege blijven van het horen van klager onrechtmatig is. De klager verzoekt dan ook zijn beroep gegrond te verklaren en hem een tegemoetkoming toe te kennen.

 

Standpunt van het hoofd van de instelling

Voordat aan klager de afzonderingsmaatregel is opgelegd, is aan hem zowel een time-out als een kamerprogramma opgelegd. Beide interventies bleken ontoereikend. Klager zette zijn grensoverschrijdende en groepsontwrichtende gedrag voort, waardoor de orde en veiligheid niet langer gehandhaafd konden worden. De instelling heeft klager in de gelegenheid gesteld gehoord te worden omtrent de afzonderingsmaatregel, maar hij heeft ervoor gekozen om hierop geen reactie te geven. De senior van dienst heeft klager op zijn kamer meermaals uitgelegd dat zij aanwezig was om klager te horen. Klager weigerde echter een reactie te geven, wat overeenkomt met zijn eveneens weigerachtige en recalcitrante houding gedurende de afzonderingsmaatregel. Volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie (RSJ 12/0270/TA en 10/3818/TB) heeft de instelling voldaan aan de hoorplicht. De instelling verzoekt het beroep ongegrond te verklaren en de uitspraak van de beklagrechter te bevestigen.

 

3. De beoordeling

Hetgeen in beroep is aangevoerd kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagrechter. Ook naar het oordeel van de beroepscommissie kon de afzonderingsmaatregel in redelijkheid worden opgelegd, toen de eerder op 27 maart 2020 vanwege grensoverschrijdende gedragingen opgelegde interventies, de time-out en een kamerprogramma met groepsmomenten, ontoereikend bleken. Op grond van de stukken kan niet worden geoordeeld dat er onvoldoende noodzaak bestond om die maatregelen op te schalen naar een afzonderingsmaatregel en kan evenmin worden geoordeeld dat die maatregel langer dan noodzakelijk heeft geduurd. De maatregel is opgeheven zodra klager weer in samenwerking was.

Anders dan klagers raadsman heeft betoogd, is de beroepscommissie van oordeel dat de instelling aan de hoorplicht heeft voldaan, nu de senior van dienst blijkens de beschrijving van het horen in de schriftelijke mededeling van de afzonderingsmaatregel gepoogd heeft klager te horen door zijn kamer te betreden en bij herhaling te zeggen hem te willen horen. Dat klager ervoor heeft gekozen om hier niet op te reageren, maakt dit niet anders. Klagers stelling dat hij haar op dat moment niet heeft opgemerkt is in dat verband niet aannemelijk te achten. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter.

 

Deze uitspraak is op 30 juli 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. drs. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, mr. drs. L.C. Mulder en mr. T.B. Trotman, leden, bijgestaan door mr. C.K. van Dijk, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven