Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/7795/GA, 1 maart 2021, beroep
Uitspraakdatum:01-03-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-20/7795/GA                  

Betreft [klaagster]       Datum 1 maart 2021

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klaagster] (hierna: klaagster)

1. De procedure

De directeur van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Zwolle (hierna: de directeur) heeft op 12 augustus 2020 beslist dat klaagster wordt verplicht tot het ondergaan van een onvrijwillige geneeskundige behandeling, als bedoeld in artikel 46d, aanhef en onder a, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) (hierna: a dwangbehandeling), voor de duur van drie maanden.

Klaagsters raadsman, mr. C. Verrillo, heeft namens klaagster beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klaagster, haar raadsman en […], juridisch medewerker bij de PI Zwolle, gehoord op de zitting van 21 oktober 2020 in de PI Lelystad. Bij e-mailbericht van 7 oktober 2020 heeft de directeur een uittreksel van het behandelplan van klaagster overgelegd.

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klaagster

Klaagster geeft aan dat zij vanaf 1993 is opgenomen in de psychiatrie waarna heel veel kinderen bij haar zijn verwekt in een lab. Zij is het hier niet mee eens. Klaagster voert aan dat zij is vastgezet en verkracht. Haar hormoonhuishouding is kapot gemaakt. Zij wil hiervoor een schadevergoeding. Door en namens klaagster wordt verder gesteld dat zij geen psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap heeft en dat zij dan ook geen geneeskundige behandeling nodig heeft. Een geneeskundig behandelingsplan is haar niet bekend en de adviezen van de psychiaters zijn onjuist. Ook stelt zij dat er geen sprake is van gevaar dat de toepassing van een a-dwangbehandeling rechtvaardigt. Zij erkent dat versmering heeft plaatsgevonden, maar dat is het gevolg van hoe zij is behandeld. Volgens klaagster is een a-dwangbehandeling niet noodzakelijk en zou het beter met haar gaan als zij uit de afzondering zou worden gehaald.

Daarnaast wordt namens klaagster gesteld dat uiterlijk drie dagen voor het nemen van de beslissing tot toepassing van een a-dwangbehandeling de raadsman van het voornemen daartoe in kennis moet worden gesteld. Dat is niet gebeurd. Op 12 augustus 2020 werd de raadsman gebeld door een medewerker van de PI Zwolle met de vraag of hij de raadsman van klaagster was en de mededeling dat een aan hem verzonden e-mail als “onbestelbaar retour” kwam. Het zou gaan om een e-mail ter zake de beslissing van 12 augustus 2020. Vervolgens ging het over de voorgenomen beslissing en liet de raadsman weten dat hij ook die beslissing niet had ontvangen. Daarop heeft de raadsman een ander e-mailadres doorgegeven en ontving hij even later (voor het eerst) de twee beslissingen. Het is de raadsman niet bekend dat e-mailberichten op het algemene e-mailadres van zijn kantoor niet overkomen. Volgens de raadsman is de verzender er verantwoordelijk voor dat de ontvanger ontvangt. De bewering van de directeur dat de eerste e-mail zou zijn aangekomen, omdat pas de tweede e-mail als onbestelbaar retour kwam in de inrichting, klopt niet volgens de raadsman. Zo wordt ten onrechte gesuggereerd dat de raadsman de eerste e-mail heeft ontvangen. Gelet op het voorgaande acht de raadsman het onbegrijpelijk dat in de voorgenomen beslissing staat dat hij geen bezwaren had. De raadsman is niet in de gelegenheid gesteld bezwaren kenbaar te maken, laat staan dat hij zou hebben medegedeeld dat er geen bezwaren zouden zijn. Dit is een grove schending van het wettelijke systeem en het vertrouwensbeginsel.

Standpunt van de directeur

Ten aanzien van de verstuurde e-mails geeft de directeur aan dat wanneer een a-dwangbehandeling wordt opgestart, een voorgenomen beslissing wordt genomen. Deze voorgenomen beslissing wordt naar de commissie van toezicht en de raadsman gestuurd. In de mailbox is gezien dat de e-mail met de voorgenomen beslissing was verstuurd naar de raadsman. Er wordt nooit achteraan gebeld om te vragen of de e-mail goed is aangekomen. Drie dagen later is de definitieve beslissing genomen en deze is naar hetzelfde mailadres van de raadsman gestuurd. Op dat moment ontving de directeur een foutmelding en kwam de e-mail met de definitieve beslissing tot toepassing van een a-dwangbehandeling “onbestelbaar retour”. Vervolgens is om die reden telefonisch contact opgenomen met de raadsman. Tijdens dit gesprek bleek dat ook de eerste e-mail met de voorgenomen beslissing niet door hem was ontvangen waarop naar een ander mailadres beide beslissingen nogmaals zijn gestuurd. De directeur heeft hiermee nooit eerder problemen gehad. Aangezien de eerste mail met de voorgenomen beslissing niet “onbestelbaar retour” kwam, gaat de directeur er vanuit dat deze wel bij de raadsman is aangekomen. 

De directeur heeft klaagster gesproken in het kader van zowel de voorgenomen als de definitieve beslissing tot toepassing van een a-dwangbehandeling. Ook is zij gesproken door twee psychiaters en heeft het afdelingspersoneel aangegeven – door middel van onder andere ordemaatregelen – dat het niet goed ging. De directeur geeft aan dat ordemaatregelen zijn opgelegd, omdat klaagster zich niet begeleidbaar opstelde, zij zich fysiek verzette, en water onder de celdeur gooide en de celmuren meermaals met urine en ontlasting besmeurde. Ook veroorzaakte zij geluidsoverlast en vertoonde zij verward gedrag. Naar het personeel liet klaagster dreigend en verbaal en fysiek agressief gedrag zien. Ook schopte zij tegen haar celdeur en was zij niet te kalmeren. Klaagster schreef met letters in de lucht, praatte met handgebaren en zou een plek op haar hoofd hebben die de imam zou hebben toegebracht. Volgens de directeur verkeerde klaagster in een deplorabele toestand waardoor zij al een periode in de afzonderingscel verbleef. Dit gedrag komt voort uit een psychotisch toestandsbeeld in het kader van schizofrenie. Klaagster heeft een lange voorgeschiedenis met psychotische episodes in het kader van schizofrenie waarbij ook sprake was van agressief gedrag. Gezien de ernstige psychotische ontregeling is een antipsychotische behandeling noodzakelijk naar het oordeel van de psychiater. De medicatie zal een positief effect hebben op klaagster. Met klaagster is meermaals gesproken over de noodzaak van medicatie, maar dit weigert zij. Aanvankelijk bestond overeenstemming over de behandeling, maar klaagster geeft herhaaldelijk aan onder geen enkele voorwaarde antipsychotische medicatie of andere medicatie te zullen accepteren. Klaagster is op de meest zorg intensieve afdeling geplaatst om haar de meest optimale zorg te kunnen bieden, maar dit is onvoldoende gebleken om het beeld te verbeteren. Ook zal klaagster zonder medicatie niet samen met anderen op de afdeling kunnen verblijven. Klaagster zal zichzelf niet kunnen handhaven en zal verder afglijden met gevaar voor zichzelf en voor anderen.

3. De beoordeling

Het kenbaar maken van bezwaren

Artikel 22e, eerste lid, van de Penitentiaire maatregel luidt:

De directeur stelt de voorzitter van de commissie van toezicht, de raadsman van de gedetineerde, de curator en de mentor in kennis van een voorgenomen beslissing tot a-dwangbehandeling uiterlijk drie dagen voor het nemen van die beslissing. Zij worden in de gelegenheid gesteld bezwaren tegen de beslissing kenbaar te maken.

Klaagsters raadsman stelt dat hij ten onrechte niet in kennis is gesteld van de voorgenomen beslissing en daardoor geen bezwaren kenbaar heeft kunnen maken. De directeur stelt dat de voorgenomen beslissing tot toepassing van een a-dwangbehandeling per mail aan de raadsman is verstuurd op 7 augustus 2020 om 17:05 uur.

Hoewel de raadsman met juistheid heeft aangevoerd dat in de voorgenomen beslissing ten onrechte is opgemerkt dat deze geen bezwaren heeft tegen de a-dwangbehandeling, baat dit klaagster niet nu dit in de definitieve beslissing niet wordt vermeld. De beroepscommissie is verder van oordeel dat de directeur – met het volgen van de procedure die in de inrichting gebruikelijk is – voldoende inspanningen heeft verricht om klaagsters raadsman in kennis te stellen van de voorgenomen beslissing tot a-dwangbehandeling. Destijds was er voor de directeur geen enkele aanwijzing dat de raadsman de voorgenomen beslissing niet zou hebben ontvangen. Naar het oordeel van de beroepscommissie kon de directeur er op 7 augustus 2020 in redelijkheid van uitgaan dat de voorgenomen beslissing juist verzonden was en bij de raadsman aangekomen was. De omstandigheid dat klaagsters raadsman het e-mailbericht van 7 augustus 2020 niet heeft ontvangen, kan daarom niet aan de directeur worden toegerekend en ook niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.

Inhoudelijk

Op grond van artikel 46e, in verbinding met artikel 46d, aanhef en onder a, van de Pbw kan de directeur beslissen tot het toepassen van een a-dwangbehandeling, indien aannemelijk is dat het gevaar dat de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap de gedetineerde doet veroorzaken, zonder die behandeling niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen.

De directeur heeft de beslissing om klaagster te verplichten tot het ondergaan van een a dwangbehandeling gebaseerd op de verklaringen van de behandelend psychiater van klaagster en van een psychiater die meer dan een jaar niet bij de behandeling van klaagster betrokken is geweest, maar haar kort tevoren heeft bezocht. De directeur heeft deze verklaringen conform artikel 46e, tweede lid, van de Pbw overgelegd. Daarnaast heeft de directeur klaagsters behandelingsplan overgelegd, waarin is voorzien in de mogelijkheid een geneeskundige dwangbehandeling toe te passen.

Uit de door de directeur verstrekte inlichtingen komt het volgende naar voren.

Klaagster is gediagnosticeerd met schizofrenie. Hieruit voortkomend is sprake van ontremd, regressief en dreigend gedrag, gepaard gaande met decorumverlies. Uit het dossier volgt dat tevens sprake is van een posttraumatische stressstoornis en vermoedelijk een verstandelijke beperking. Op 13 juli 2020 heeft klaagster een relatief kortwerkend antipsychoticum toegediend gekregen. Hierop verbeterde haar gedrag aanzienlijk. Daarna heeft zij in het kader van een b-dwangbehandeling nog tweemaal medicatie toegediend gekregen. Het huidige beeld is dat klaagster weer voornamelijk in de isoleercel verblijft. Zij versmeert wederom regelmatig haar cel en de afzonderingscel met urine en ontlasting. Ook kleedt zij zich uit en masturbeert zij heftig. Klaagster is moeilijk te begeleiden, zij is dreigend en verbaal agressief, en zij is niet in staat tot het voeren van een gesprek. Klaagster is daarnaast niet te kalmeren en slaat en schopt tegen de deur van de isoleercel. Het gevaar bestaat dat klaagster zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen, dat zij maatschappelijk te gronde gaat en dat zij zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen. Ook bestaat gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Hoewel het toepassen van een a-dwangbehandeling een zware ingreep is, volgt uit de inlichtingen van de directeur dat sprake is van lijden en gevaar dat de ingreep rechtvaardigt. Bij klaagster is geen sprake van ziekte-inzicht. Zij weigert medicatie, ook nadat de noodzaak hiervan meermaals met haar is besproken. Daarnaast weigert klaagster ook somatische medicatie. In het verleden is zij behandeld voor borstkanker en de afgelopen maanden/jaren heeft zij zich onttrokken aan de controles hiervoor en is zij gestopt met de medicatie. Het is de bedoeling dat de behandeling en controles weer worden gestart, maar dat is door het huidige toestandsbeeld niet mogelijk. Ook heeft klaagster een urineweginfectie, maar weigert zij de behandeling hiervan met de benodigde antibiotica. In mei 2020 heeft klaagster een wegraking gehad, mogelijk een epileptisch insult. De daarvoor voorgeschreven medicatie slikt zij ook niet. Voor de behandeling van het psychotisch toestandsbeeld in het kader van schizofrenie is de verwachting dat behandeling met antipsychotica effectief zal zijn. Van antipsychotica is in het algemeen bekend dat het effectief is in de behandeling van een psychose. Klaagsters eerdere behandeling met (kortwerkende) antipsychotica laat voornamelijk een positief effect op het toestandsbeeld zien. In het verleden zou klaagster gedurende tien jaar stabiel zijn geweest na toediening van een langwerkend antipsychoticum. In het kader van de a-dwangbehandeling mag dit worden toegediend en is de verwachting dat klaagster binnen deze behandeling (nog) beter zal reageren op de medicatie, en dat daarmee de psychose en het daarop volgend toestandsbeeld zal verbeteren.

Gelet op het voorgaande stelt de beroepscommissie vast dat volgens de psychiaters bij klaagster sprake is van een psychische stoornis. Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat klaagster vanuit die stoornis gevaar veroorzaakt en dat, zonder een geneeskundige behandeling, het gevaar dat de psychische stoornis klaagster doet veroorzaken, niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat de gekozen dwangbehandeling voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de beslissing van de directeur om bij klaagster a dwangbehandeling toe te passen dan ook niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 1 maart 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. M. Iedema, voorzitter, F. van Dekken en drs. H. Heddema, leden, bijgestaan door mr. S.C. Vogel, secretaris.

secretaris        voorzitter

Naar boven