Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 06/1391/TB, 28 september 2006, beroep
Uitspraakdatum:28-09-2006

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 06/1391/TB

betreft: [klager] datum: 28 september 2006

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. J.A.W. Knoester, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een (fictieve) beslissing van de Minister van Justitie, verder te noemen de Minister,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Ter zitting van de beroepscommissie van 29 augustus 2006, gehouden in de penitentiaire inrichting Vught, zijn gehoord, klager bijgestaan door zijn raadsman mr. J.A.W. Knoester, namens de Minister [...] en op verzoek van de Minister als
getuige-deskundige de heer [...], behandelcoördinator bij de longstayvoorziening van de FPC Veldzicht te Balkbrug.

Na, en naar aanleiding van, de behandeling ter zitting heeft de beroepscommissie nog een schrijven met bijlagen d.d. 7 september 2006 ontvangen van de raadsman van klager, welke aan deze uitspraak worden gehecht.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De (fictieve) weigering klager over te plaatsen naar de FPC De Rooyse Wissel (verder: De Rooyse Wissel) te Maastricht.

2. De feiten
Klager is bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak ter beschikking gesteld (tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege. Hij is op 15 december 1999 geplaatst in de longstayvoorziening van FPC Veldzicht te Balkbrug (verder: Veldzicht). Per
brief van 18 mei 2006 verzoekt klager om overplaatsing naar een andere kliniek, bij voorkeur in de regio Zuid-Limburg. Op 22 mei 2006 is de gemachtigde van klager telefonisch bericht dat het verzoek om overplaatsing niet zou worden ingewilligd.

3. De standpunten
Klager kan zich niet verenigen met de beslissing het verzoek om overplaatsing niet in te willigen. Als motivering is aangegeven dat door de afdeling ITZ van het Ministerie van Justitie geen verzoek is ontvangen van de kliniek. Klager meent dat dit niet
noodzakelijk is om tot een overplaatsing te beslissen. De mondelinge mededeling van [...]. van het Ministerie van Justitie, dat geen beslissing wordt genomen, is een voor beroep vatbare beslissing. Indien als eis wordt gesteld dat de beslissing
schriftelijk moet worden genomen, wordt de mogelijkheid voor klager om beroep in te stellen illusoir. Klager verwijst naar de uitspraak van de beroepscommissie van 20 november 2000 met nummer 00/657/TB, waaruit volgt dat de afwijzing van een verzoek
tot
herselectie gelijkgesteld moet worden met de weigering om over een verzoek tot overplaatsing conform artikel 11 van de Bvt een beslissing te nemen. Ook volgt uit deze beslissing dat de weigering om over een overplaatsing of observatie te beslissen, dan
wel het uitblijven van een beslissing daarvan, voor beroep vatbaar is. Van belang is dat de Minister voor de beoordeling van het verzoek het hoofd van de inrichting raadpleegt. Nu dit niet is geschied, is de beslissing onzorgvuldig. Ondanks de gerezen
problemen in de inrichting als gevolg van het ontvluchtingsincident in februari 2006, is de beslissing onredelijk en onbillijk. Er is geen rekening gehouden met het sociale netwerk van klager dat zich bevindt in de regio Zuid-Limburg. Klager ziet geen
redelijke grond tegen overplaatsing naar de Rooyse Wissel in Maastricht. Bedacht moet worden dat klager is geplaatst in een longstayvoorziening en er dus sprake is van een uitzichtloze situatie. Het is juist dat klager onverstandige dingen heeft
gedaan.
Hij heeft tijdens zijn ontvluchting geprobeerd een auto te stelen en heeft een autoruit kapotgeslagen. Klager wordt hiervoor niet vervolgd. Klager is ontvlucht tijdens een begeleid verlof. Hij had genoeg van het gezeur over de medicijnen. Na terugkomst
in de inrichting is zijn aanzien verslechterd. Het vertrouwen in hem is verminderd, zowel bij het personeel als bij de medepatiënten. Als voorbeeld noemt klager de afwijzing van zijn verzoek afscheid te mogen nemen van zijn overleden vader. Klager
heeft
nu ook minder privacy en vrijheden. Hij ervaart dreiging van het personeel en medepatiënten. Het leven in de inrichting wordt steeds minder draaglijk. Binnen Veldzicht is in 2005 overwogen klager te ruilen met een verpleegde van de Rooyse Wissel.
Klager
ondergaat thans zijn tweede tbs. Bij elkaar genomen is klager thans 24 jaar tbs gesteld. Hij heeft een lange periode in Veldzicht verbleven.

De Minister heeft hierop als volgt gereageerd. De Minister is primair van oordeel dat klager niet-ontvankelijk in zijn beroep moet worden verklaard. De Minister heeft geen schriftelijk besluit genomen waartegen een beroep zich zou kunnen richten.
Hoewel
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het penitentiair recht niet van toepassing is, betekent dit niet dat in het penitentiaire veld geen administratiefrechtelijke normen moeten worden nageleefd. In de inleidende bepalingen van de Awb staat als
algemeen uitgangspunt geformuleerd dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Niet gebleken is dat klager verzocht heeft de mededeling van de medewerkster
van
ITZ schriftelijk vast te leggen. Het zou te ver voeren elke mondelinge mededeling van een medewerker van het Ministerie van Justitie aan te merken als een besluit. Het verzoek om overplaatsing is gedateerd op 18 mei 2006, het beroepschrift is van 29
mei
2006. Het bestuursorgaan moet enige tijd gegeven worden om vast te stellen of er een beslissing gegeven dient te worden. In dat verband speelt de vraag of een redelijke termijn is overschreden. Klager had eerst bij ITZ moeten rappelleren. De Minister
is
dan ook van oordeel dat het beroep van klager prematuur is, nu daaraan geen besluit ten grondslag lag.
Subsidiair is de Minister van oordeel dat het beroep ongegrond is. Gelet op artikel 20 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden in verbinding met artikel 11 Bvt, kan de Minister ambtshalve of op schriftelijk verzoek van het hoofd van de
inrichting beslissen dat de ter beschikking gestelde naar een andere inrichting zal worden overgeplaatst. Van de inrichting is geen verzoek ontvangen tot overplaatsing of ruiling. Naar aanleiding van het verzoek van klager is geen informatie ingewonnen
bij de inrichting. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen maakt de Minister gebruik van de bevoegdheid een ter beschikking gestelde ambtshalve over te plaatsen. De omstandigheid dat klager is gedeserteerd uit Veldzicht en vervolgens is aangehouden bij
een inbraak, waarbij klager politieagenten bedreigde met een mes, in combinatie met de omstandigheid dat klagers familie in Zuid Nederland woont, vormt geen aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken. Zowel de bescherming van de maatschappij
tegen
de gevaarlijkheid van klager, als de eisen die de behandeling van klager stelt zijn immers in het geding.

De getuige-deskundige licht het standpunt van Veldzicht als volgt toe. Klager heeft aangegeven dat er sprake is geweest van een ruiling. Dit is nagaan maar daarvan is niets schriftelijk vastgelegd. Wel heeft er een overleg plaatsgevonden over een
eventuele ruiling. Op enig moment is de procedure gestopt in verband met de potentiële tegenkandidaat. De ruiling speelt zich af voor klagers ontvluchting. Het feit dat klager minder vrijheden in de inrichting heeft is een logisch gevolg van zijn
ontvluchting. Er is geen sprake van enige wrok van de zijde van het personeel. Klager functioneert goed in de inrichting. Er zijn verder geen aanwijzingen dat hij door medepatiënten met de nek wordt aangekeken. Op zich is er niets op tegen klager over
te plaatsen naar een andere inrichting. De oplegging van de tbs-maatregel ziet echter primair op de beveiliging van de maatschappij. Klager bevindt zich thans in een inrichting met het voor hem juiste beveiligingsniveau. Thans wordt onderzocht of
klager
in aanmerking kan komen voor een overplaatsing.

4. De beoordeling
Volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie, onder meer de uitspraak van 20 november 2000 met nummer 00/657/TB, is de afwijzing van de Minister van een verzoek van een verpleegde tot overplaatsing naar een andere tbs-inrichting vatbaar voor
beroep. Klager kan derhalve worden ontvangen in zijn beroep.
Zoals de beroepscommissie in bovengenoemde uitspraak uitgebreid heeft gemotiveerd, moet de afwijzing van een verzoek van de verpleegde tot overplaatsing gelijkgesteld worden met de weigering om over een verzoek tot overplaatsing conform artikel 11 van
de Bvt, dan wel tot observatie conform artikel 13, eerste lid van de Bvt, een beslissing te nemen. Uit het beroepschrift van klager van 29 mei 2006 blijkt dat op het schriftelijke verzoek van klager om overplaatsing door een medewerkster van het
Ministerie van Justitie telefonisch is gereageerd met de mededeling dat het verzoek niet zou worden ingewilligd. Ter zitting van de beroepscommissie is duidelijk geworden dat het Ministerie als constante beleidslijn hanteert dat op verzoeken om
overplaatsing van verpleegden geen beslissing wordt genomen. Tevens is door de vertegenwoordiger van de Minister bevestigd dat naar aanleiding van het verzoek van klager geen inlichtingen zijn ingewonnen bij de inrichting waar klager verblijft. Tegen
de
achtergrond van het vorenstaande is de beroepscommissie van oordeel dat de weigering van de Minister om een beslissing te nemen zeer onzorgvuldig is geweest. Dit klemt temeer nu ter zitting onweersproken naar voren is gebracht dat eind 2005 pogingen
zijn ondernomen om klager te ruilen met een verpleegde uit de Rooyse Wissel. Ook is door de getuige-deskundige verklaard dat thans wordt onderzocht of klager in aanmerking komt voor overplaatsing. Mitsdien is het beroep gegrond en dient de bestreden
(fictieve) beslissing van de Minister te worden vernietigd. De beroepscommissie zal met toepassing van artikel 66, derde lid, onder a, Bvt in verbinding met artikel 69, vijfde lid, Bvt de Minister opdragen binnen uiterlijk een maand na ontvangst van en
met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen. De beroepscommissie gaat er van uit dat de Minister daarbij acht zal slaan op voornoemde brief en bijlagen van de raadsman van klager. Nu de rechtsgevolgen van de vernietigde
beslissing
nog ongedaan zijn te maken, zal aan klager geen tegemoetkoming worden toegekend.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing. Zij draagt de Minister op binnen uiterlijk een maand na ontvangst van en met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen.
Zij bepaalt dat klager geen tegemoetkoming toekomt.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.M. van der Vaart, voorzitter, mr. H. Heijs en dr. M. Smit, leden, in tegenwoordigheid van R. Kokee, secretaris, op 28 september 2006

secretaris voorzitter

Naar boven