Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 05/2292/GA, 19 december 2005, beroep
Uitspraakdatum:19-12-2005

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 05/2292/GA

betreft: [klager] datum: 19 december 2005

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 12 juli 2005 van de beklagcommissie bij het huis van bewaring (h.v.b.) Amsterdam,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 17 november 2005, gehouden in de penitentiaire inrichtingen (p.i.) Amsterdam, is gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg. De unit-directeur van het h.v.b. Amsterdam is zonder bericht
van verhindering niet verschenen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft:
a. een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, wegens een handgemeen met een medegedetineerde op de luchtplaats en
b. het feit dat klager geen lid van de gedetineerdencommissie (gedeco) meer mag zijn.

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Klager heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Klager had al langer problemen met een aantal medegedetineerden. Om die reden had hij aan p.i.w.-er Marcel gevraagd om niet tezamen met die betreffende gedetineerden te hoeven luchten. De p.i.w.-er gaf aan dat juist wel gezamenlijk gelucht moest
worden.
Zou er iets gebeuren, dan kon onmiddellijk worden ingegrepen.
Op 3 juni 2005 zat klager tijdens het luchten op een bankje. Gedetineerde [A] kwam achter klager staan en riep hem toe: “Vuile Jood, ik ga je steken”. Klager stapte op en keek, al hulp vragend, in de richting van twee p.i.w.-ers, die ongeveer vijftig
meter verderop stonden. Vervolgens duwde [A] een sigaret tegen klagers neus aan. Hierop maakte klager een afwerende beweging met zijn hand. Klagers hand ging in de richting van het gelaat van [A] en raakte [A]

Daarna heeft klager [A] niet meer geslagen en/of geraakt. Dat klopt ook met het terzake opgemaakte verslag, waarin is beschreven dat het om één klap ging. Die klap betrof de afwerende beweging. Na het voorval is [A] afgevoerd en ging klager tegen een
muurtje staan. Hij ging er vanuit dat het wel goed zou komen. Vervolgens moest klager ook mee naar binnen. Eenmaal op de afdeling werd hem door het afdelingshoofd gezegd dat hij niets meer hoefde te zeggen, dat alles duidelijk was en werd klager een
disciplinaire straf opgelegd. Toen klager werd voorgehouden dat hij voor de strafoplegging zou zijn gehoord, heeft hij om een schriftelijk bewijsstuk gevraagd. Dat kon men niet aan hem overhandigen.
Klager heeft tot slot nog opgemerkt dat hij vaker wordt aangevallen en dat inmiddels wordt gewerkt aan zijn overplaatsing naar een andere inrichting.

Klagers raadsman heeft hier nog het volgende aan toegevoegd.
De disciplinaire straf is opgelegd door een afdelingshoofd. Dat is in strijd met de Pbw, tenzij de directeur (alsnog) een aanwijzingsbesluit kan overleggen waaruit blijkt dat de Minister van Justitie, hierna de Minister, het betreffende afdelingshoofd
de bevoegdheid als bedoeld in artikel 5, vierde lid, Pbw heeft toegekend. Is dat besluit er niet, dan is sprake van een formeel gebrek.
Inhoudelijk wordt opgemerkt dat er veel getuigen zijn die klagers lezing van het gebeurde onderschrijven. Er is eigenlijk maar één andersluidende verklaring, maar dat is wel precies het op ambtseed opgemaakte verslag van een p.i.w.-er. De inhoud van
dat
verslag is echter zó stellig geformuleerd, dat twijfel zou kunnen ontstaan.
Klager is thans voor zijn eigen veiligheid in afzondering geplaatst. Dat houdt verband met zijn Joodse achtergrond en het delict waarvoor hij preventief gedetineerd is. Klager zou een wapen aan zijn zoon hebben geleverd en die zoon zou met dat wapen op
Arabieren hebben geschoten. Klager wordt echter volstrekt ten onrechte door zijn medegedetineerden als een racist neergezet.

De unit-directeur is niet ter zitting verschenen. Op 23 november 2005 is de locatiedirecteur de vraag voorgelegd of hij een aanwijzingsbesluit van de Minister als bedoeld in artikel 3, vierde lid, Pbw kan overleggen, waaruit blijkt dat de Minister het
hiervoor bedoelde afdelingshoofd heeft aangewezen als plaatsvervanger van de directeur.
Bij brief van 2 december 2005 heeft de locatiedirecteur bericht dat hem, gelet op het plotselinge vertrek van een unit-directeur per 1 maart 2005, niets anders restte dan de benoeming van de afdelingshoofden tot waarnemend unit-directeur en hen in
geval
van nood, dus bij afwezigheid en/of ontstentenis van de directie, rapporten af te laten handelen. Eén en anders is destijds doorgesproken met beide voorzitters van de commissies van toezicht van Het Schouw en Demersluis. Uit de gegeven instructies is
af
te leiden dat één en ander met strenge regels afgedekt is geweest. Met de komst van de nieuwe unit-directeur op 15 augustus 2005 is de maatregel met onmiddellijke ingang beëindigd.

3. De beoordeling
Ingevolge artikel 1 onder d Pbw wordt onder directeur verstaan de persoon als bedoeld in artikel 3, derde lid, alsmede diens vervanger of vervangers als bedoeld in artikel 3, vierde lid Pbw.
Artikel 3, derde lid, Pbw bepaalt onder meer dat de Minister van Justitie de directeur van een inrichting aanwijst. In het derde lid van dat artikel wordt bepaald dat de Minister van Justitie één of meerdere personen aanwijst als plaatsvervanger van de
directeur.
Artikel 5, tweede lid, van de Pbw bepaalt onder meer dat de directeur ambtenaren en medewerkers kan machtigen tot het uitoefenen van hem bij of krachtens de Pbw gegeven bevoegdheden, met uitzondering van de bevoegdheden genoemd in het eerste en vierde
lid. In artikel 5, vierde lid, Pbw staan de beslissingen opgesomd die exclusief aan de directeur zijn voorbehouden. In artikel 5, vierde lid, onder h wordt de oplegging van een disciplinaire straf genoemd.

In het onderhavige geval heeft de locatiedirecteur van de p.i. Amsterdam de afdelingshoofden van twee units, waaronder de unit van klager, bij brief van 11 februari 2005 tijdelijk strafbevoegdheid toegekend. Deze aanwijzing mist echter feitelijke
betekenis. Het betreft hier immers een bevoegdheid die ingevolgde artikel 5, tweede lid, Pbw niet door de directeur kan worden overgedragen.
Waar, gelet op de brief van de locatiedirecteur van 23 november 2005, in het onderhavige geval evenmin sprake is van een aanwijzingsbesluit van de Minister als bedoeld in artikel 3, vierde lid, Pbw, waarbij het betreffende afdelingshoofd is aangewezen
als plaatsvervanger van de directeur, is de beslissing klager een disciplinaire straf op te leggen in strijd met de wet. Naar het oordeel van de beroepscommissie kan deze beslissing, evenals de beslissing dat klager geen lid van de gedeco meer mag
zijn,
gelet op het opgemaakte ambtelijk verslag van 3 juni 2005, materieel gezien overigens niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt.

Tegen de achtergrond van het vorenstaande zal klagers beroep op formele grond gegrond worden verklaard, zal de uitspraak van de beklagcommissie worden vernietigd en zal het beklag alsnog gegrond worden verklaard. Aan klager zal een tegemoetkoming
worden
toegekend van € 50,=.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond.
Zij bepaalt dat aan klager een tegemoetkoming toekomt van € 50,=.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. P.C. Vegter, voorzitter, mr. Y.A.J.M. van Kuijck en prof. dr. W.J. Schudel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.N.E. Plooij, secretaris, op 19 december 2005

secretaris voorzitter

Naar boven