Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 98/0145 C en 98/0146 C, 8 april 1999, beroep
Uitspraakdatum:08-04-1999

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer : C 98/145 en 146

betreft : [klager] datum: 8 april 1999

De beroepscommissie uit de sectie terbeschikkingstelling van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, bedoeld in artikel 67 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BVT), heeft kennis genomen van twee op 31augustus 1998 bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschriften van

het hoofd van de Prof.mr. W.P.J. Pompekliniek te Nijmegen en van

[...], verder klager te noemen, raadsvrouw mr. R.B. Ester, advocaat te Nijmegen,

gericht tegen een uitspraak d.d. 24 augustus 1998 van de beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij de voormelde kliniek,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 19 januari 1999, gehouden in de penitentiaire inrichting (p.i.) “Over-Amstel” te Amsterdam, is het hoofd van voormelde inrichting [...] gehoord en heeft de raadsvrouw klagers beroeptoegelicht. Hiervan is het aangehechte verslag opgemaakt.
Hoewel voor klagers vervoer naar de zitting was zorggedragen, heeft hij geen gebruik willen maken van de gelegenheid om te worden gehoord.

Op grond van de stukken en haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft de volgende beslissingen van het hoofd van de inrichting met betrekking tot het beheer van klagers eigen geld, dat is geboekt op de rekening-courant bij de inrichting:
a. de weigering om zijn goedkeuring te hechten aan een door klager gewenste overboeking van ƒ. 4000,-- naar zijn moeder;
b. de beslissing de somma van ƒ. 6000,-- te reserveren voor toekomstige uitgaven in verband met klagers resocialisatie en
c. de beslissing om zijn goedkeuring slechts dan te hechten aan een door klager gewenste overboeking van ƒ. 2199,-- naar zijn partner voor de aanschaf van een wasmachine, indien de aankoopbon van de door de partner gekochtewasmachine wordt overgelegd.

De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard voorzover het betreft de weigering van het hoofd van de inrichting om gelden aan klagers moeder over te maken en voor het overige ongegrond, op de gronden als in de aangehechteuitspraak weergegeven.

2. De standpunten
2.1. Het standpunt van het hoofd van de inrichting
2.1.1 Het hoofd van de inrichting heeft in het beroepschrift volhard in het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt. hij is voorts van oordeel dat de beklagcommissie klager ten onrechte in het beklag heeft ontvangen. Uithet bepaalde bij de artikelen 45 BVT juncto 40, tweede lid, Reglement verpleging ter beschikking gestelden (RVT) leidt het hoofd van de inrichting af dat het beheer van gelden van verpleegden een zorgplicht is. Tegen de wijze waarophet hoofd die zorgplicht betracht staat ingevolge het bepaalde bij artikel 56, vierde lid, geen beklag open. Voor het geval dat de beroepscommissie tot inhoudelijke beoordeling overgaat is het volgende aangevoerd.
Er is geen sprake van ontneming, maar van regulering van eigendomsrecht, op een wettelijke grondslag. Daarom faalt appellants beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van demens en van de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het beheer van de eigen gelden van verpleegden omvat alle eigen gelden, zonder onderscheid naar gelden strekkend tot levensonderhoud en vermogensgelden.
Voor de ratio van het beheer door het hoofd van de inrichting wordt verwezen naar de Nota van Toelichting bij de RVT, pagina 44.
Het hoofd voert het beheer als een “goed huisvader”. Hij heeft in samenspraak met de directeur TBS bij het Ministerie van Justitie en zijn collega-hoofden van de andere tbs-inrichtingen afspraken gemaakt over het beheer van dezogeheten passantengelden.
2.1.2 Ter zitting is hieraan het volgende toegevoegd.
De uitkomst in de onderhavige zaak is van belang voor alle tbs-inrichtingen en zal precedentwerking hebben. Gebleken is namelijk dat het vrijelijk kunnen beschikken door verpleegden over grote sommen geld leidt tot ongelijkheidtussen verpleegden in de inrichting. “Rijke” verpleegden kunnen zich, bijvoorbeeld, luxe voorwerpen veroorloven, de andere verpleegden niet. Die moeten het doen met ƒ. 100,-- aan zak- en kleedgeld per maand. Dit wekt afgunst endaarbij behorende strubbelingen onderling. Het hoofd van de inrichting wil de invoer van luxe goederen derhalve tegengaan.
De hoofden van de inrichtingen hebben met de Minister van Justitie over de passantenproblematiek gesproken. Dat heeft er, onder meer, toe geleid dat de passantengelden worden overgemaakt naar de inrichtingen en daardoor rechtstreeksonder het beheer van het hoofd van de inrichting vallen.
Het hoofd van de inrichting heeft algemene regels gesteld ten aanzien van zijn beheersbeleid met betrekking tot het passantengeld. Gelden worden uitgekeerd dan wel gereserveerd ten aanzien van de volgende doeleinden:
1. betaling ter vereffening van schulden;
2. betaling van door de rechtbank toegewezen schadevergoedings- vorderingen van benadeelde partijen;
3. reservering met het oog op de resocialisatie;
4. storting van hetgeen eventueel resteert op een rentegevende rekening, belegd in overleg met de verpleegde.
In uitzonderlijke gevallen zijn privé-aanschaffen uit het eigen geld toegestaan. Het moet gaan om een nuttig object. Zo is de aanschaf van een personal computer toegestaan in het kader van een automatiseringsopleiding.
De bekostiging door klager van de aanschaf van de wasmachine van zijn partner is bij wijze van uitzondering toegestaan, daar de nood thuis kennelijk hoog was. Het overleggen van de bon is noodzakelijk ter controle of niet ietsanders is bekostigd.
De gewenste overboeking van ƒ. 4000,-- naar klagers moeder wordt gezien als een schenking, die vervolgens naar klager kan worden teruggesluisd in de vorm van luxe goederen. het hoofd van de inrichting neemt aan dat debegrafeniskosten inmiddels zijn betaald. Nader overleg naar aanleiding van de beslissing van de beklagcommissie heeft om voormelde reden niet plaatsgehad. Tegen het opgedragen overleg is beroep ingesteld.
Het hoofd van de inrichting zou overigens direct elke betaling met dit bestedingsdoel van de hand hebben gewezen. Het afdelingshoofd heeft deze aangelegenheid aanvankelijk namens het hoofd van de inrichting behandeld.
De reservering van ƒ. 6000,-- wordt ook in klagers geval nuttig geacht. Zijn huidige verwachting dat hij na zijn ontslag uit de kliniek in een gespreid bedje komt, komt mogelijk niet uit. De hoogte van de reservering is bepaald aande hand van normen van de gemeentelijke sociale dienst. Het is een startkapitaal, waaruit bijvoorbeeld de eerste huurpenningen en de kosten van woninginrichting kunnen worden voldaan. De inrichting heeft ervaring met situaties vanbegeleid wonen, waarin een startkapitaal nuttig is gebleken. Klager krijgt het bedrag bij aanvang van zijn proefverlof met rente mee. Er kan op zijn vroegst over enige jaren van proefverlof sprake zijn.
Klager is inmiddels gehuwd. Hij gaat er van uit dat zijn vermogen in de huwelijks-gemeenschap valt en heeft inmiddels gevraagd het beheer door de kliniek op te heffen. Hij wenst het eigen geld naar zijn familie over te boeken.Hierop is afwijzend beslist, om reden dat klager mogelijk zijn familie onder druk zet om hem luxe goederen te verschaffen.

2.2. Het standpunt van klager
Namens klager is hierop -zakelijk weergegeven- het volgende geantwoord.
Klager is het eens met de visie van de beklagcommissie op de ontvankelijkheid van het beklag. Inhoudelijk blijft hij bij zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt. Er is voldoende overleg gevoerd over zijnbestedingswensen. Klager en de inrichting blijven het echter oneens. De bedragen waarom het gaat staan vast. Inmiddels is twee maal ƒ. 1500,-- aan de slachtoffers betaald. Stukken hiervan kunnen ter zitting niet worden getoond.
Klagers voornaamste bezwaar is dat ƒ. 6000,-- apart wordt gezet voor toekomstige besteding tijdens verlof. Deze beslissing is niet of onvoldoende gemotiveerd. De beslissing is te beperkend, zo er al een wettelijke grondslag voor is.Met klagers persoonlijke omstandigheden is geen rekening gehouden. Klager komt na zijn behandeling meer dan waarschijnlijk terug in een sociale structuur, daar hij inmiddels met zijn partner in het huwelijk is getreden. Indien dereservering wordt opgeheven, is er ruimte voor de betaling van ƒ. 4000,-- aan klagers moeder.
Het beheersprobleem hoe met kapitaalkrachtige verpleegden moet worden omgegaan is niet nieuw en zal blijven bestaan.Een beperking van de bevoegdheid om vrij over het eigen geld te beschikken bestaat niet voor gedetineerden in huizenvan bewaring en gevangenissen.
Aan de beroepscommissie wordt gevraagd tevens uitspraak te doen over de rechtsgeldigheid van de betaling door de Minister van het passantengeld van klager op de rekening van de inrichting. Klager vindt dat de Staat aan hem zelf hadmoeten betalen. Het hoofd van de inrichting had het geld, als onverschuldigd betaald, moeten terugstorten.

3. De beoordeling
De beoordeling van de vragen of de Staat het passantengeld rechtsgeldig aan klager heeft betaald door het op een rekening van de inrichting te storten en of het hoofd van de inrichting gehouden was dit geld aan de Staat teretourneren vallen buiten de reikwijdte van deze beroepsprocedure.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie klager op goede gronden ontvankelijk heeft verklaard in diens beklag. De beklagcommissie heeft deze beslissing toereikendgemotiveerd. Het beroep van het hoofd van de inrichting in deze zal derhalve ongegrond worden verklaard.

Hetgeen door partijen in beroep is aangevoerd kan -voorzover dit is komen vast te staan- ten aanzien van de onderdelen b. en c. van het beklag niet tot andere beslissingen leiden dan die van de beklagcommissie. Het beroep van klagerzal in zoverre derhalve ongegrond worden verklaard.
Dit geldt eveneens ten aanzien van hetgeen door klager en door het hoofd van de inrichting in beroep is aangevoerd met betrekking tot de weigering van het hoofd van de inrichting om
ƒ. 4000,-- te betalen aan de moeder van klager, onderdeel a. van het beklag. Met dien verstande dat de beroepscommissie met de beklagcommissie van oordeel is dat de weigering van het hoofd van de inrichting om bij een toereikendsaldo overleg te plegen met klager onder de omstandigheden onredelijk en onbillijk is. De beroepscommissie zal echter, nu bedoeld overleg nog niet heeft plaatsgevonden, niet thans al bepalen dat een eventueel saldo aan de moederuitbetaald dient te worden.
De beroepscommissie merkt daarbij op dat het hoofd van de inrichting de moeder bij dat overleg zou kunnen betrekken en voorts dat het hoofd van de inrichting andere wettelijke regelingen ten dienste staan om de invoer van luxegoederen te beperken dan wel tegen te gaan.
4. De uitspraak
De beroepscommissie
a. verklaart het beroep van klager gegrond voor zover dat zich richt tegen de weigering van het hoofd van de inrichting om overleg te plegen met klager over diens wens ƒ. 4000,-- te betalen aan zijn moeder;
b. verklaart het beroep van klager voor het overige ongegrond;
c. verklaart het beroep van het hoofd van de inrichting ongegrond;
d. bekrachtigt de uitspraak van de beklagcommissie, behoudens voor zover onder 3 anders is overwogen.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.M. van der Vaart, voorzitter, prof.dr. L.A.J.M. van Eck en mr. T.M. Halbertsma, leden, in tegenwoordigheid van mr. Chr.F. Swart–Babbé, secretaris, op 8 april 1999

secretaris voorzitter

nummers : C 98/145 en 146
betreft : [klager]

Verslag van het behandelde ter zitting van de beroepscommissie uit de sectie terbeschikkingstelling van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, bedoeld in artikel 67 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden(BVT), van 19 januari 1999, gehouden in de penitentiaire inrichtingen “Over-Amstel” te Amsterdam.

Samenstelling van de beroepscommissie:
Voorzitter: mr. J.M. van der Vaart
Leden: prof.dr. L.A.J.M. van Eck en mr. T.M. Halbertsma.
De beroepscommissie is bijgestaan door de secretaris mr. Chr.F. Swart–Babbé.

Gehoord zijn het hoofd van de prof.mr. W.P.J. Pompekliniek de heer [...] en klagers raadsvrouw mevrouw mr. R.B. Ester.

Het hoofd van de voormelde kliniek heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard.
Deze zaak is van belang voor het beheer van de passantengelden in het algemeen en heeft precedentwerking. De passantengelden vormen een probleem voor de Minister van Justitie (de Minister), de maatschappij en de inrichting. Veelvoormalige tbs-passanten hebben vele duizenden guldens ineens ontvangen of zullen deze nog ontvangen. De hoofden van de tbs-inrichtingen hebben, op hun initiatief, over het beheer van deze gelden gesproken met de Minister. Datheeft er toe geleid dat de passantengelden worden uitbetaald aan de klinieken en daardoor rechtstreeks onder het beheer van de hoofden worden gebracht. Eerder is gebleken dat het vrijelijk kunnen beschikken door verpleegden overgrote bedragen leidt tot ongelijkheid binnen de inrichting. De rijke verpleegden kunnen zich bijvoorbeeld luxe voorwerpen veroorloven. Andere verpleegden moeten het doen met
ƒ. 100,-- aan zak- en kleedgeld. Hun afgunst wordt gewekt door de luxe van de rijke verpleegden. Het hoofd van de inrichting wil de invoer van luxe goederen tegengaan.
Hij heeft algemene regels gesteld ten aanzien van zijn beheersbeleid met betrekking tot het passantengeld. Gelden worden uitgekeerd dan wel gereserveerd ten aanzien van de volgende doeleinden:
1. vereffening van schulden;
2. betaling van door de rechtbank toegewezen schadevergoedingsvorderingen van benadeelde partijen;
3. reservering van een bedrag met het oog op de resocialisatie;
4. storting van een eventueel restant op een rentegevende rekening, belegd in overleg met de verpleegde.
In uitzonderlijke gevallen zijn privé-aanschaffen uit het eigen geld toegestaan. Het moet gaan om een nuttig object. Zo is de aanschaf van een personal computer toegestaan in het kader van een automatiseringsopleiding. Hetbekostigen door klager van de wasmachine van zijn partner is bij wijze van uitzondering toegestaan, daar de nood thuis kennelijk hoog was.
Het overleggen van de bon is noodzakelijk geoordeeld ter controle of niet iets anders is bekostigd.
De gewenste overboeking van ƒ. 4000,-- naar klagers moeder wordt gezien als een schenking, die vervolgens naar klager kan worden teruggesluisd in de vorm van luxe goederen. Het hoofd van de inrichting neemt aan dat debegrafeniskosten inmiddels zijn betaald. Nader overleg naar aanleiding van de uitspraak van de beklagcommissie heeft om voormelde reden niet plaatsgehad. Tegen het opgedragen overleg is beroep ingesteld. Het hoofd van de inrichtingzou overigens direct elke betaling met dit bestedingsdoel van de hand hebben gewezen. het afdelingshoofd heeft deze aangelegenheid aanvankelijk namens het hoofd van de inrichting behandeld.
De reservering van ƒ. 6000,-- wordt ook in klagers geval nuttig geacht. Zijn huidige verwachting dat hij in een gespreid bedje komt, komt mogelijk niet uit. De hoogte van de reservering is bepaald aan de hand van normen van degemeentelijke sociale dienst. Het is een startkapitaal, waaruit bijvoorbeeld de eerste huurpenningen en de kosten van woninginrichting kunnen worden voldaan. De inrichting heeft ervaring met situaties van begeleid wonen, waarin eenstartkapitaal nuttig is gebleken. Klager krijgt dit bedrag bij aanvang van zijn proefverlof met rente mee. Er kan op zijn vroegst over enige jaren van proefverlof sprake zijn.
Klager is inmiddels gehuwd. Hij gaat er van uit dat zijn vermogen in de huwelijksgemeenschap valt en heeft gevraagd om het beheer van de kliniek over het eigen geld op te heffen. Hij wenst het eigen geld naar zijn familie over teboeken. Hierop is afwijzend beslist, om reden dat klager mogelijk zijn familie onder druk zet om hem luxe goederen te verschaffen.

Namens klager is -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.
Klager is het eens met de visie van de beklagcommissie op de ontvankelijkheid van het beklag. inhoudelijk blijft hij bij zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt.
Er is voldoende overlegd over zijn bestedingswensen. Klager en de inrichting blijven het echter oneens. De bedragen waar het om gaat staan vast. Inmiddels is twee maal ƒ. 1500,-- aan de slachtoffers betaald. Stukken hiervan kunnenter zitting niet worden getoond.
Klagers voornaamste bezwaar is dat ƒ. 6000,-- apart wordt gezet voor toekomstige besteding tijdens proefverlof of na ontslag. Deze beslissing is niet of onvoldoende gemotiveerd. De beslissing is te beperkend, zo er al een wettelijkegrondslag voor is. Met klagers persoonlijke
omstandigheden is geen rekening gehouden. Hij komt na zijn behandeling meer dan waarschijnlijk terug in een sociale structuur, daar hij inmiddels met zijn partner in het huwelijk is getreden. Indien de reservering wordt opgeheven iser ruimte voor betaling van ƒ. 4000,-- aan klagers moeder.
Het beheersprobleem hoe met kapitaalkrachtige verpleegden moet worden omgegaan is niet nieuw en zal blijven bestaan. Een beperking van de bevoegdheid om vrij over het eigen geld te beschikken bestaat niet voor gedetineerden inhuizen van bewaring en gevangenissen. Aan de beroepscommissie wordt gevraagd tevens uitspraak te doen over de rechtsgeldigheid van de betaling door de Minister van het passantengeld van klager op rekening van de inrichting. klagervindt dat de Staat aan hem zelf had moeten betalen. Het hoofd van de inrichting had het geld, als onverschuldigd aan hem betaald, moeten terugstorten.

secretaris voorzitter

Naar boven