Onderwerp: Bezoek-historie

Overgangsrecht toepasselijke wetgeving (SB2403)
Geldigheid:03-12-2025 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Inleiding

Op 1 mei 2010 werd Verordening (EG) nr. 883/2004 (hierna: verordening 883/2004) van toepassing. Op dezelfde datum werd Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: verordening 1408/71) ingetrokken. Artikel 87 lid 8 van verordening 883/2004 regelt het overgangsrecht dat in verband hiermee gold voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving.

 

Hoewel de overgangsperiode inmiddels is afgelopen, kan het overgangsrecht nog steeds belangrijk zijn voor de vaststelling van AOW-pensioenen en pro rata Anw-uitkeringen. Voor de hoogte van deze uitkeringen is namelijk van belang welke tijdvakken van verzekering iemand in het verleden heeft vervuld.

Personen die onder het overgangsrecht vielen

Door de werking van het overgangsrecht bleef de wetgeving die volgens verordening 1408/71 van toepassing was, gelden voor personen die door de inwerkingtreding van verordening 883/2004 onder een andere wetgeving zouden vallen dan het geval was onder verordening 1408/71.

 

Beleid
De SVB gaat ervan uit dat de volgende personen in ieder geval onder het overgangsrecht vielen: 

  • Personen die niet onder de personele werkingssfeer van verordening 1408/71 vielen en die direct voor het van toepassing worden van verordening 883/2004 onderworpen waren aan de wetgeving van een andere lidstaat dan hun woonland .
  • Personen die onder artikel 13 lid 2 onder f verordening 1408/71 vielen en die direct voor het van toepassing worden van verordening 883/2004 onderworpen waren aan de wetgeving van een andere lidstaat dan hun woonland.
  • Personen die werkten in het internationaal vervoer en die op grond van artikel 14 lid 2 onder a verordening 1408/71 onderworpen waren aan de wetgeving van de lidstaat waar hun werkgever was gevestigd, maar onder verordening 883/2004 onderworpen zouden raken aan de wetgeving van hun woonland.
  • Personen die werkten in twee of meer lidstaten en die op grond van artikel 14 lid 2 onder b sub i verordening 1408/17 onderworpen waren aan de wetgeving van hun woonland, omdat zij daar een gedeelte van hun werkzaamheden verrichtten, maar onder verordening 883/2004 onderworpen zouden raken aan de wetgeving van een andere lidstaat, omdat zij niet substantieel werkten in hun woonland.
  • Personen die werkten in twee of meer lidstaten en die op grond van artikel 14 lid 3 verordening 1408/71 onderworpen waren aan de wetgeving van de lidstaat waar de onderneming waarvoor zij werkten gevestigd was, maar onder verordening 883/2004 onderworpen zouden raken aan de wetgeving van hun woonland, omdat zij daar substantieel werkten.
  • Personen die in twee of meer lidstaten werkten voor een buiten de EU gevestigde werkgever en die direct voorafgaand aan het van toepassing worden van verordening 883/2004 verzekerd waren in een andere lidstaat dan hun woonland.
  • Personen die gedeeltelijk werkten in Nederland en die volgens verordening 1408/71 werknemer waren voor de werkzaamheden in Nederland, maar volgens verordening 883/2004 moeten worden beschouwd als personen die werkzaamheden anders dan in loondienst (Zie SB2121) verrichtten (bijvoorbeeld een directeur-grootaandeelhouder of commissaris).

Personen die op grond van verordening 1408/71 onderworpen waren aan de wetgeving van twee lidstaten

Op grond van verordening 1408/71 konden personen tegelijkertijd onderworpen zijn aan de wetgeving van twee lidstaten. Dit kon zich voordoen als:

  • een persoon gelijktijdig in loondienst en anders dan in loondienst werkte (zie SB2121) op het grondgebied van verschillende lidstaten (artikel 14quater aanhef en onder b)
  • een ambtenaar in de ene lidstaat onderworpen was aan een bijzonder stelsel voor ambtenaren en in een andere lidstaat onderworpen was aan een algemeen stelsel (artikel 14septies)

 

Volgens het beleid van de SVB was het overgangsrecht van toepassing op deze personen. Uit het arrest V blijkt echter dat het overgangsrecht niet gold voor personen die onder verordening 1408/71 gelijktijdig in twee lidstaten verzekerd waren.

 

Beleid
De SVB beperkt de gevolgen van het arrest V zo veel mogelijk. Zij doet dit op de volgende manier.

 

Als de SVB eerder een besluit heeft genomen

De SVB blijft uitgaan van de juistheid van verzekerde tijdvakken die zij in een eerder besluit  heeft vastgesteld, als deze achteraf in strijd blijken te zijn met het arrest V. Het moet dan wel gaan om verzekerde tijdvakken die zijn vastgesteld in een besluit waartegen niet langer bezwaar of (hoger) beroep kan worden ingesteld.

 

Als de SVB niet eerder een besluit heeft genomen

Als iemand in strijd met het arrest V premie heeft betaald in Nederland en de andere lidstaat die bevoegd was volgens verordening 1408/71, probeert de SVB een artikel 16-overeenkomst (zie SB2146) te sluiten met deze andere lidstaat. Het doel hiervan is om af te spreken dat zowel Nederland als de andere lidstaat de tijdvakken waarover premie is betaald als verzekerde tijdvakken honoreren.

Duur van het overgangsrecht

Het overgangsrecht gold gedurende maximaal tien jaar vanaf de datum waarop verordening 883/2004 van toepassing werd, dus tot uiterlijk 1 mei 2020. Iemand kon wel een aanvraag indienen om de aanwijsregels  in verordening 883/2004 eerder van toepassing te laten zijn. De toepassing van het overgangsrecht eindigde ook eerder als de situatie van de persoon wijzigde.

 

Beleid
De SVB past het overgangsrecht niet langer toe, als een wijziging in de feiten of omstandigheden ertoe leidde dat de wetgeving van een andere lidstaat van toepassing zou worden volgens de aanwijsregels in verordening 1408/71.

Maximale duur van het overgangsrecht voor IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland

Verordening 1408/71 bleef gelden voor IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland, zolang in de overeenkomsten met deze landen niet was geregeld dat verordening 883/2004 van toepassing werd (arrest Wagener).

 

Verordening 883/2004 werd op 1 april 2012 van toepassing voor Zwitserland en op 1 juni 2012 voor IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.

 

Beleid
De SVB past het overgangsrecht tot uiterlijk 1 april 2022 toe op grensoverschrijdende situaties  tussen een EU-lidstaat en Zwitserland en tot uiterlijk 1 juni 2022 op grensoverschrijdende situaties tussen een EU-lidstaat en IJsland, Liechtenstein of Noorwegen.

Maximale duur van het overgangsrecht voor onderdanen van derde landen

Verordening 1408/71 bleef gelden voor onderdanen van derde landen, tot de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 1231/2010 op 1 januari 2011. Die verordening breidt de werkingssfeer van verordening 883/2004 uit tot onderdanen van derde landen die alleen vanwege hun nationaliteit niet onder verordening 883/2004 vallen (zie SB2124).

 

Beleid
De SVB past het overgangsrecht tot uiterlijk 1 januari 2021 toe voor onderdanen van derde landen.

Naar boven